Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
2.De feiten
3.Het geding in feitelijke instanties
nietaan de belanghebbende kunnen worden tegengeworpen.
4.Het geding in cassatie
5.De relevante regelgeving; doel en strekking; totstandkomingsgeschiedenis
Huidige regeling
Agrarische sector:Uit de tweede consultatieronde kwam naar voren dat de gehele sector Agrarisch bedrijf de invoering van het voorgestelde model steunt onder de voorwaarde dat de lage premie ook van toepassing blijft op kortdurende contracten van scholieren, studenten en huisvrouwen. De agrarische sector wil een groter verschil tussen de hoge en de lage premie dan de voorgestelde verhouding van 1:10.”
tweedelid, waar het geschil over gaat) (p. 18-19):
6.Jurisprudentie
Over verbindendheid van gedelegeerde wetgeving
7.Commentaren op de Hofuitspraak in belanghebbendes zaak
Confrontatie van belanghebbendes geval met de weergegeven regelgevingsgeschiedenis en de weergegeven rechtspraak
verondersteldwordt, is deze (zie het derde citaat in 5.4 hierboven):
lid 5van art. 2.3 Besluit Wfsv - gehoudenheid om een kopie van de arbeidsovereenkomst te administreren - is om de administratieve lasten voor de werkgever zo beperkt mogelijk te houden. Administreert de werkgever niet zoals de regelgever het voorschrijft, dan ligt het voor de hand om daar de in het loonheffingsrecht gebruikelijke gevolgen aan te verbinden, nl. omkering van de bewijslast: het niet schriftelijk hebben vastgelegd en geadministreerd van de arbeidsovereenkomst leidt tot het bewijsvermoeden dat de werkgever niet aan de voorwaarden voor de lage premie voldoet, en hij zal moeten bewijzen dat het anders is. Daarmee zijn de uitvoeringslasten van de fiscus nog steeds beperkt, want hij kan achterover leunen: de werkgever moet bewijzen.
vijfdelid van art. 2.3 Besluit Wfsv (gaan dus niet over het litigieuze
tweedelid). Zij lijken te impliceren dat de Minister van SZW ervan uitging dat arbeidsovereenkomsten in de seizoensarbeid, met name de agrarische sector, steeds schriftelijk werden aangegaan en toch al in kopie werden geadministreerd, zodat geen extra administratieve lasten voor de werkgever zouden ontstaan; dat lijkt geen correcte aanname voor die sector. Hoe dan ook dient de gehoudenheid om een kopie van de arbeidsovereenkomst te administreren (art. 2.3(5) Besluit Wfsv), waar deze volzinnen op slaan, kennelijk het controlebelang van de fiscus, welk belang in casu echter reeds volledig gediend is, nu de belanghebbende ook volgens de fiscus heeft voldaan aan alle voorwaarden voor de lage premie die uit die kopie zouden kunnen blijken.
als constitutief vereistevoor premieverlaging is wél een alternatief voorhanden, dat bovendien beter aan doel en strekking van de regeling beantwoordt, nl. het opvatten van dat criterium als een bewijs(lastverdelings)regel. Voor zover tekst en parlementaire geschiedenis enige aanwijzing bevatten van de ratio van het criterium ‘schriftelijk’, is het die dat er iets zou moeten ‘blijken’ c.q. dat er administratieve lasten door beperkt zouden worden c.q. dat controle eenvoudiger wordt (zie 8.4 tot en met 8.6 hierboven). Die aanwijzingen sporen zeer wel met de uitleg dat het om een regel gaat die bij aanwezigheid van een (kopie-)geschrift een bewijsvermoeden in het voordeel van de werkgever vestigt en bij afwezigheid van een (kopie-)geschrift een bewijsvermoeden in diens nadeel. Ten tweede stond de Rtizz, hoewel nogal grof in haar uitwerking door slechts één referentiejaar aan te wijzen, niet in de weg aan bereiking van het materiële doel van de wet. Dat is bij het criterium ‘schriftelijk’ in art. 2.3 Besluit Wfsv anders indien het wordt uitgelegd als een constitutief vereiste voor het recht op lage premie. Een dergelijke blinde formele eis
frustreertimmers het doel van de regeling: hoewel aan alle vanuit dat doel bezien relevante criteria (de criteria (ii) t/m (iv) genoemd in 8.1 hierboven) is voldaan, en daarmee het doel van de regeling is bereikt, zoals in belanghebbendes geval, wordt niettemin de werkgever, die volgens het doel van de regeling beloond zou moeten worden met de lage premie, juist bestraft met de hoge premie voor zijn goede WW-besparende gedrag. In gevallen zoals dat van de belanghebbende leidt uitleg van het schriftelijk-criterium als constitutief vereiste dus tot contrateleologisch en contraproductief resultaat. Dat zal denkelijk ook niet bevorderlijk zijn voor de premiemoraal van werkgevers in sectoren waar mondeling gecontracteerd wordt.
vijfdelid van art. 2.3 Besluit Wfsv: over de wens de administratieve lasten van de werkgever te beperken en - maar dat is al implicieter - het controlegemak van de fiscus te dienen. Dat wijst eerder op een bewijslastverdelingsregel dan op een constitutief vereiste; (ii) de uitsluiting, in HR BNB 2008/104, van ontslagvergoedingen uit de grondslag van de 30%-regeling, diende onmiskenbaar doel en strekking van die regeling. Door een buitenlandse werknemer met specifieke deskundigheid te ontslaan, trekt men hem immers juist
nietaan en bindt men hem immers juist
nietaan Nederland. Teleologisch was er dus geen enkele aanleiding om een ontslagvergoeding fiscaal te faciliëren; integendeel (mede gezien de inbreuk op het fiscale gelijkheidsbeginsel die de 30%-regeling maakt, zo voeg ik toe). Het lag dus volstrekt voor de hand - mede gezien de expliciete voorhang - om bij de formele wetgever mede de bedoeling te veronderstellen om de delegans de bevoegdheid te geven ontslagvergoedingen buiten de faciliteit te houden. Daarmee werd congruentie tussen de reikwijdte van de regeling en haar doel duidelijk
gediend: daarmee werd
overinclusivenessvoorkomen. Bij de thans te beoordelen premiedifferentiatie daarentegen
frustreerthet criterium ‘schriftelijk’ juist congruentie tussen de reikwijdte van de regeling en haar verklaarde doel in gevallen zoals dat van de belanghebbende indien het als constitutief vereiste wordt opgevat: het veroorzaakt
underinclusiveness. De belanghebbende en zijn werknemers hebben zich immers volledig gedragen zoals door de wetgever gewenst en zij hebben het WW-sectorfonds niet belast; desondanks wordt de belanghebbende de daarbij horende lage premie ontzegd als het geschriftscriterium niet als bewijslastverdelingsregel, maar als constitutief vereiste voor premieverlaging wordt opgevat. Uit HR BNB 2012/175 (zie 6.6) blijkt dat u zelfs een formeel-wettelijke, met nietigheid van de arbeidsovereenkomst dreigende geschriftseis voor de toepassing van de ZW terzijde stelt omdat die eis tot contrateleologisch en contraproductief resultaat leidt dat de formele wetgever kennelijk niet voor ogen stond.
9.Beoordeling van het middel
werkgeverte beschermen door duidelijkheid te bieden. De Staatssecretaris bestrijdt beide interpretaties in de middelonderdelen (i) en (ii). De Staatssecretaris kan toegegeven worden dat er inderdaad bijzonder weinig aanwijzingen zijn wat de Besluitgever beoogde met de term ‘schriftelijk’ en dat ’s Hofs redenering op basis van veronderstelling (b) niet makkelijk te volgen is (r.o. 4.15), maar dat leidt niet tot cassatie: juistheid van interpretatie (a) maakt de vraag naar de (on)juistheid van interpretatie (b) irrelevant, en zoals boven bleek, is mijns inziens interpretatie (a) correct. Deze uitleg van de term ‘schriftelijk’ (bewijslastverdeler) verzoent de tekst van art. 2.3(2) Besluit Wfsv met doel en strekking van art. 28 Wsfv Pro, waardoor de vraag naar de (on)verbindendheid van art. 2.3(2) Besluit Wfsv niet meer aan de orde komt: bij deze uitleg is de Besluitgever duidelijk binnen zijn gedelegeerde bevoegdheden gebleven. Van onverbindendheid is geen sprake door verzoenende uitleg van een term in de gedelegeerde wetgeving in overeenstemming met doel en strekking van de lage sectorpremie, met name in overeenstemming met het beoogde toepassingsbereik ervan.