Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat de bewezenverklaring van het opzet onvoldoende met redenen is omkleed.
tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat de door het hof gestelde bijzondere voorwaarde dat de verdachte “zich onder behandeling zal stellen van de GGZE De Omslag of een soortgelijke zorginstelling, op tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven” onverenigbaar is met art. 14c, tweede lid, Sr, nu niet tevens is bepaald dat deze behandeling een ambulant karakter heeft.
evangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) maanden.
6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een
proeftijdvan
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
bijzondere voorwaardendat veroordeelde:
opdrachtaan de
Reclassering Nederlandtot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.”
intramurale opnemingin een zorginstelling in de zin van art. 14c, tweede lid onder 10°, Sr opgelegd. De beslissing van het hof laat in dit verband geen andere lezing toe dan dat het met toepassing van art. 14c, tweede lid onder 11°, Sr de verdachte heeft verplicht tot het zich (ambulant) onder behandeling stellen van een zorginstelling zonder (dus) dat hij daartoe in een inrichting wordt opgenomen. Gezien de kernstukken was een klinische behandeling niet aan de orde en ook helemaal niet geïndiceerd. [2]
NJ1985/139 en HR 2 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2806. Weliswaar ging het in deze arresten om art. 14c, tweede lid, (oud) Sr, zoals dat tot 1 april 2012 luidde. [5] Kort gezegd oordeelde de Hoge Raad toen dat “in het recht geen steun [is] te vinden voor de opvatting dat de rechter het niet aan een reclasseringsvereniging mag overlaten om onder goedkeuring van de reclasseringsraad te bepalen of en gedurende welke periode – tijdens de door de rechter vastgestelde proeftijd – de veroordeelde zich onder psychiatrische behandeling buiten een inrichting zal stellen”. Bij arrest van 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5449,
NJ2013/132 heeft de Hoge Raad overwogen dat de rechtspraak ten aanzien van art. 14c (oud) Sr ook van toepassing is op het nieuwe art. 14c Sr.
derde middelklaagt dat de inzendingstermijn in cassatie is overschreden.