Conclusie
1.Inleiding
- een EOB van 11 april 2019 met eventuele onderliggende stukken en eventuele aanvullende onderzoeksbevelen van latere datum voor zover die zich bevinden in het dossier waarover de Hoge Raad beschikt;
- alsmede de in de cassatieprocedure opgemaakte en nog op te maken processtukken voor zover dit in strijd zou zijn met de door de Franse autoriteiten verzochte geheimhouding.
2.Procesverloop
De verzoeken betreffende de geheimhouding/verstrekking van (afschriften) van processtukken
4.Juridisch kader
‘’1. De betrokkene bij wie in het kader van uitvoering van een Europees onderzoeksbevel voorwerpen in beslag zijn genomen danwel gegevens zijn gevorderd, of bij wie gegevens zijn vastgelegd tijdens een doorzoeking of onderzoek in een geautomatiseerd werk, aan wie een vordering medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van gegevens is gedaan, of die een vordering heeft ontvangen om gegevens te bewaren en beschikbaar te houden, alsmede de betrokkene bij wie ontoegankelijkmaking van gegevens, aangetroffen in een geautomatiseerd werk, als bedoeld in artikel 125o, heeft plaatsgevonden wordt, indien de geheimhouding van het onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, in kennis gesteld van zijn bevoegdheid om binnen veertien dagen na kennisgeving een klaagschrift ingevolge artikel 552a in te dienen bij de rechtbank.
2. (…)
4. (…)
5. (…)’’
2. Door de raadkamer worden het openbaar ministerie, de verdachte en andere procesdeelnemers gehoord, althans hiertoe opgeroepen, tenzij anders is voorgeschreven. Artikel 22, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De verdachte en andere procesdeelnemers kunnen zich bij de behandeling door de raadkamer door een raadsman of advocaat doen bijstaan.
4. Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt de bijstand van een tolk ingeroepen. Het openbaar ministerie roept de tolk op. Artikel 276, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
5. Het openbaar ministerie legt aan de raadkamer de op de zaak betrekking hebbende stukken over. De verdachte en andere procesdeelnemers zijn, evenals hun raadsman of advocaat, bevoegd van de inhoud van deze stukken kennis te nemen.
6. Het tweede tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing, voor zover het belang van het onderzoek hierdoor ernstig wordt geschaad.’’
in kennis wordt gesteldvan de bevoegdheid een klaagschrift ex art. 552a Sv in te dienen, indien de geheimhouding van het onderzoek daardoor niet in het gedrang komt. Aangenomen wordt dat aan deze voorwaarde wordt voldaan als het gaat om de uitoefening van inbeslagnemingsbevoegdheden [24] waarvan belanghebbenden bij wie deze plaatsvinden per definitie op de hoogte zullen raken. [25]
artikel 19, lid 1(onderstreping AG TS)’’. Dat laat (tevens) de vraag open wat de verhouding is tussen het eerste en tweede lid van art. 19 van Pro de Richtlijn. Ook is het de vraag hoe de verplichting tot geheimhouding strookt met overweging 22 van de preambule en art. 14 van Pro de Richtlijn, dat gelijkwaardige en effectieve rechtsmiddelen voorschrijft. Hoe kan ondanks de verplichting tot een vertrouwelijke behandeling van een EOB effectieve rechtsbescherming worden geboden in de beklagprocedure? [30]
5.Beoordeling verzoeken
.Daarbij is overigens mijn verwachting dat art. 23 lid 6 Sv Pro zich er niet tegen verzet dat in elk geval de door mij nog te nemen (inhoudelijke) conclusie aan de (raadsman van de) klagers wordt verstrekt.