Conclusie
Nummer18/05063
Het cassatieberoep
De middelen
eerste middelbevat de klacht dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, dan wel dat de motivering van het hof daarvan onbegrijpelijk is.
het hof begrijpt: de verdachte)de [b-straat] doorloopt.
het hof begrijpt: [betrokkene 4]). Ik had met [betrokkene 4] afgesproken bij [betrokkene 6]. Ik had [betrokkene 4] gebeld toen ik bij [betrokkene 6] was; hij had zich verslapen. Hij zei dat hij in zijn oude huis was, bij zijn moeder. Toen gingen we weg, naar de stad. We gingen naar de coffeeshop om een overval te doen. We hadden tassen bij ons, daar moest wiet en geld in. Ik had een neppistool en hij had een echt pistool.
het hof begrijpt: op het pleintje) ook.
het hof begrijpt: 10 mei 2014).
het hof begrijpt: [betrokkene 3]) is ook een vriend van [betrokkene 9]. Ik weet niet zo goed wat [verdachte] vindt van [betrokkene 3]. Hij heeft geen hekel aan hem in ieder geval. Anders had hij nooit aardig gedaan op het feestje en zo. Hij deed gewoon normaal tegen [betrokkene 3] op het feestje. Ik ken [betrokkene 3] sinds het surprisefeestje vorig jaar bij ons thuis.
het hof begrijpt: [betrokkene 2]).
Overwegingen omtrent het bewijs
het hof begrijpt: andere) overvaller nog ergens liep. Ik liep op een gegeven moment op de [f-straat] en keek toen een steegje in en voordat ik het wist stond ik daar oog in oog met de andere overvaller. De overvaller richtte het zilverkleurige pistool op mij en zette het op mijn achterhoofd. Vervolgens kreeg ik een scooterhelm naar mij toe gegooid van de overvaller en zei hij dat ik deze op moest zetten en dat ik hem veilig moest weg brengen. Ik heb de helm opgezet. De overvaller gaf mij toen een sleutel en wees een brommer aan die naast ons stond. Ik moest van de overvaller op de scooter gaan zitten en moest vervolgens de scooter starten, maar dit lukte niet. De overvaller stapte af en rende weg. Ik kan mij alleen nog herinneren dat het een witte scooter was die iets breder is dan een normale.
tweede middelbevat de klacht dat het hof in strijd met art. 6, derde lid, sub b, EVRM niet de inhoudelijke behandeling van de zaak heeft willen aanhouden in afwachting van de resultaten van het meineedonderzoek naar de ontlastende verklaring van de medeverdachte [betrokkene 4].
Verzoek tot aanhouding
het hof begrijpt: het onderzoek ter terechtzitting te heropenen, nu de raadsman heeft verzocht bij arrest te beslissen), teneinde het vonnis in de meineedzaak tegen de medeverdachte [betrokkene 4] af te wachten. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat [betrokkene 4] een ontlastende verklaring heeft afgelegd over de verdachte, waarvan het openbaar ministerie vermoedt dat deze meinedig was. Een verdenking van meineed dient te leiden tot nader onderzoek en zonder het onderzoek naar meineed af te wachten, kan het hof deze verklaring niet waarderen zoals dat zou moeten.
derde middelbevat de klacht dat het hof het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ten aanzien van de gestelde aanwezigheid van de verdachte als bezoeker en de betrouwbaarheid van de ontlastende verklaring van de medeverdachte [betrokkene 4] dat de verdachte onschuldig is, onvoldoende gemotiveerd, althans op onbegrijpelijke wijze, heeft verworpen.
vierde middelkomt op tegen het oordeel van het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat verschillende, vrijwel haakse bochten, moeten worden afgeslagen om van de [b-straat] naar de [f-straat] te gaan, zodat de verdachte geen zicht kan hebben gehad op de witte scooter.
NJ2001/116, m.nt. Mevis, aangevoerd dat de (on)mogelijkheid van zicht op locatie A (de witte scooter in de [f-straat]) vanuit locatie B (de coffeeshop in de [b-straat]) niet is aan te merken als een voor alle rechtstreeks bij het proces betrokkenen gegeven dat men moet worden geacht te kennen dan wel dat zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen zou zijn te achterhalen. Volgens de steller van het middel kan niet, zonder nader onderzoek ter plaatse, als feit (van algemene bekendheid) worden aangenomen, dat van de ene locatie geen zicht mogelijk was op de andere locatie, aangezien ‘bij een dergelijke twee dimensionale schematische weergave van een locatie niet zichtbaar [is] of ‘doorkijkjes’ in de zien van ramen, poortjes, etc. bestaan’. Ook is volgens hem onduidelijk wat de waarde is van de door het hof gebezigde kaartjes.
NJ2018/344, m.nt. Reijntjes, volgt dat hieronder ook zijn te scharen gegevens over de plaatselijke gesteldheid die uit de algemeen toegankelijke bron Google maps zijn te achterhalen.
vijfde middelbevat de klacht dat art. 6 EVRM Pro is geschonden ‘doordat de redelijke termijn in tweede maar ook derde instantie in cassatie, is overschreden’.
zesde middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte noch bij het opleggen van de vrijheidsstraf noch bij de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling de tijd die de verdachte tussen 13 november en 18 december 2017 gedetineerd is geweest in mindering heeft gebracht.
hierna: VI) in hoger beroep opnieuw aan de orde is met betrekking tot 640 dagen.
Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling
BESLISSING