Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, meermalen gepleegd”, hierna kortweg: verspreiding van kinderpornografie, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door twintig dagen hechtenis. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. Dit arrest is op 18 november 2014 onherroepelijk geworden door de verwerping van het daartegen ingestelde cassatieberoep. [1]
op grond van een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarin is vastgesteld dat het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden of een protocol bij dit verdrag is geschonden in de procedure die tot de veroordeling of een veroordeling wegens hetzelfde feit heeft geleid, indien herziening noodzakelijk is met het oog op rechtsherstel als bedoeld in artikel 41 van Pro dat verdrag”.
compelling reasonsbestonden. Dat toentertijd in het Nederlandse strafprocesrecht niet was voorzien in een recht op rechtsbijstand tijdens het verhoor van volwassen verdachten is in elk geval niet zo’n
compelling reason, aldus het EHRM.
NJ2009/167 ( […] ), na een conclusie van AG Knigge, waarin het EHRM een schending van artikel 8 EVRM Pro had vastgesteld. Het verzuim betrof een telefoontap door een burger, en dit met ondersteuning van politie, zonder toereikende wettelijke grondslag. De Hoge Raad heeft vanwege dit – onherstelbare – verzuim (dat niet zonder meer hoeft te leiden tot bewijsuitsluiting van het bewijsmateriaal dat hierdoor is verkregen) de zaak zelf afgedaan met vernietiging van uitsluitend de strafoplegging en met vermindering van de door het gerechtshof opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. In de tweede plaats is dat HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:AS8858,
NJ2007/453, na een conclusie van AG Vellinga, waarin het EHRM eveneens een schending van artikel 8 EVRM Pro had vastgesteld, te weten een telefoontap door een burger met ondersteuning van politie, ook hier weer zonder toereikende wettelijke grondslag. Eveneens in deze zaak heeft de Hoge Raad vanwege dit – onherstelbare – verzuim de zaak zelf afgedaan met vernietiging van uitsluitend de strafoplegging en met vermindering van de door het hof opgelegde geldboete.
NJ2019/281 ( […] ), na een conclusie van AG Knigge, waarin het EHRM een schending van artikel 6 EVRM Pro had vastgesteld, te weten een schending van het aanwezigheidsrecht van de veroordeelde. En in de tweede plaats: HR 4 juni 2013, ECLI:NL:HR:CA1782,
NJ2013/333 ( […] ), na een conclusie van AG Machielse, waarin het EHRM een schending van artikel 6 EVRM Pro had vastgesteld die hierin bestond dat de verdediging geen mogelijkheid had gehad tot een behoorlijke en effectieve ondervraging van een getuige wiens verklaring doorslaggevend (
decisive) was voor het bewijs en die zich ter terechtzitting op zijn verschoningsrecht had beroepen. [6]
restitutio in integrum. Een schending van het ondervragingsrecht is dus in een nieuw proces herstelbaar, al is dat verre van zeker. Zo die gelegenheid tot ondervraging in een nieuw proces
nietblijkt te bestaan, bijvoorbeeld doordat de niet-ondervraagde getuige onvindbaar is, inmiddels is overleden of zich (nog steeds) op zijn verschoningsrecht beroept, kan het gerechtshof waarnaar de zaak is verwezen bijvoorbeeld opnieuw de driestappentoets van
Al-Khawaja and Taherydoorlopen, dan wel beoordelen of het overige bewijsmateriaal, met inbegrip van eventueel nieuw bewijsmateriaal een veroordeling rechtvaardigt (of niet). Dat is volgens mij geen taak voor de Hoge Raad. Ook in herzieningszaken past het de Hoge Raad naar mijn inzicht niet om het bewijs geheel opnieuw en volledig te beoordelen, en daartoe zo nodig zelfstandig feitenonderzoek te verrichten. In de hier bedoelde gevallen heeft het EHRM bovendien reeds vastgesteld dat de verklaring van de niet-ondervraagde getuige indien zij al niet
decisivewas, dan toch wel een zeer significante bijdrage aan de bewijsvoering heeft geleverd, zodat – in ieder geval naar het oordeel van het EHRM als ‘feitenrechter’, of dat nu terecht is of niet – de vraag of het bijkomende bewijs een veroordeling toelaat zich sowieso niet eenvoudig laat beantwoorden.
tenzijde veroordeelde in het nieuwe geding een andere procesopstelling inneemt door in aanwezigheid van zijn raadsman (opnieuw) een bekennende verklaring af te leggen. Daarop kan echter niet worden vooruitgelopen.
decisive) was voor het bewijs. Die constatering laat ruimte voor wat in het Amerikaanse procesrecht een ‘
harmless error analysis’ wordt genoemd. Bij zo’n analyse moet de Amerikaanse appelrechter beoordelen of de jury (in eerste aanleg) ook tot een veroordeling zou zijn gekomen ingeval het bewijsmiddel dat met de schending van een grondrecht tot stand is gekomen (bijvoorbeeld een afgedwongen bekentenis) wordt weggedacht. Indien het bijkomende bewijs naar het oordeel van de appelrechter een veroordeling rechtvaardigt, hoeft de appelrechter de door de jury uitgesproken veroordeling niet te vernietigen, aangezien het verzuim een
harmless errorbetreft.
fair hearingin z’n geheel beschouwd mogelijk te vervallen.
zelfkan afdoen, heeft de verwijzing naar een gerechtshof mijn voorkeur. Die voorkeur houdt verband met de selectie en waardering van het bewijsmateriaal, een taak die primair toekomt aan de rechter die in volle omvang over de feiten heeft te oordelen. De selectie en waardering van het bewijs is in deze zaak – buiten de bekentenis (bewijsmiddel 1) die met verzuim van het recht van de veroordeelde op rechtsbijstand tot stand is gekomen – niet volstrekt evident wanneer louter wordt afgegaan op de bewijsmiddelen waarmee het hof het verkorte arrest heeft aangevuld.
ten overvloede”) een beroep wordt gedaan, en waarin ik nog niet zo snel een grond voor herziening kan bespeuren, geen bespreking behoeven.