Conclusie
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
klacht onder 1 en 1.1is het oordeel dat Arkelhof de stelling van ING onvoldoende heeft betwist onbegrijpelijk gezien de onder (a) tot en met (d) van de klacht genoemde feiten en omstandigheden, het door ING zelf uiteengezette
zero costkarakter en de
knock-in floorvan de ZCKIC’s, en de betwisting daarvan door Arkelhof mede aan de hand van het rapport van ICC. Gelet op het
zero cost-karakter en de
knock-in floorvan de ZCKIC’s ligt niet voor de hand dat men voor het afsluiten ervan destijds een premie verschuldigd zou zijn geweest van circa € 300.000. Arkelhof heeft in elk geval met het rapport van ICC onderbouwd aangevoerd dat het niet zo kan zijn geweest dat voor het afsluiten van de ZCKIC’s van Citechma destijds een premie van bijna € 470.000 verschuldigd was, ING niet duidelijk heeft gemaakt hoe de positieve waarde van de beëindigde renteswap in de premies voor de ZCKIC’s versleuteld zou worden, en die positieve waarde in werkelijkheid ook niet is meegenomen in de ZCKIC’s maar dat ING deze zonder tegenprestatie in eigen zak heeft gestoken.
out of pocketpremiebetaling (het
zero cost-element) wordt gedaan. Het samenspel van onder andere de afwikkelingswaarde van de renteswap, de gewenste hoogte van de floor en de cap, de inschatting van de marktontwikkeling op dat moment, en de kredietwaardigheid van Citechma, heeft ertoe geleid dat ING de ZCKIC’s tegen de onderhavige voorwaarden heeft aangeboden en dat deze door Citechma zijn aanvaard. Als de afwikkelingswaarde niet was verdisconteerd in de ZCKIC’s en Citechma bijvoorbeeld had gestaan op contante uitbetaling daarvan, dan was de floor waarschijnlijk niet op 3,8% maar op een hoger niveau overeengekomen, had ING van Citechma gevergd vooraf een premiebedrag te betalen of een hogere penalty [3] bepaald. ING heeft zich ook beroepen op e-mail van 17 juni 2008 en de beëindigingsovereenkomst van 20 juni 2008.
klacht onder 1.2bestrijdt de in 3.3.2 bedoelde overwegingen over de wetenschap van [betrokkene 2] . Volgens de klacht kan, uitgaande van de vaststaande feiten en omstandigheden en de stellingen van Arkelhof, waaronder het
zero cost-karakter van de ZCKIC’s, redelijkerwijs alleen worden geconcludeerd dat [betrokkene 2] niet heeft begrepen dat ING voor deze transactie werd beloond met een bedrag van tussen de circa € 300.000 en ruim € 450.000. Weliswaar kan er van worden uitgegaan dat [betrokkene 2] heeft geweten van de positieve waarde, maar daarmee is niet gezegd dat hij begreep hoe groot die beloning met de gewraakte transactie voor ING uitpakte. Redelijkerwijs valt niet in te zien dat [betrokkene 2] met de transactie ingestemd zou hebben indien hij had begrepen dat de positieve waarde van de renteswap geheel of grotendeels zonder tegenprestatie van enige betekenis aan ING zou toevallen. Daarom zijn onjuist en/of onbegrijpelijk de vaststellingen in rov. 3.10 [5] en 3.5 dat ING Citechma de benodigde informatie heeft verstrekt en dat niet valt in te zien dat [betrokkene 2] wetende van de positieve waarde van de swap ermee akkoord zou zijn gegaan dat bij het aangaan van de ZCKIC’s geen rekening met die positieve waarde zou zijn gehouden zonder dat hij aanspraak gemaakt zou hebben op die waarde.
klacht onder 1.3had het hof, zo nodig met toepassing van art. 25 Rv Pro, moeten oordelen dat, althans moeten onderzoeken of, ING Citechma (minst genomen) had moeten mededelen hoe de positieve waarde van de renteswap precies zou worden versleuteld bij de premies voor de ZCKIC’s, alsmede dat/of ING door dat niet te doen handelde in strijd met haar (bijzondere) zorgplicht jegens Citechma. Door dit niet te doen heeft het hof met zijn arrest blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en/of heeft het hof zijn arrest niet (voldoende) gemotiveerd, aldus de klacht.
rentederivaat ABN AMRO), [6] rov. 3.7.4, dat “[u]it welke componenten het tarief is opgebouwd, (…) over het algemeen niet of minder van belang [zal] zijn voor de cliënt.” Hierbij zij opgemerkt, mede gezien het betoog namens Arkelhof in de repliek (onder 1-5), dat het hof niet heeft vastgesteld dat de twee ZCKIC’s bij aanschaf een marktwaarde van ieder € 31.944 hadden, zoals het middel stelt op basis van het rapport van ICC (procesinleiding p. 8). Het hof overweegt daarover onder meer dat “
uit de door Zeta en ICC Consultants gehanteerde premies niet kan worden afgeleid dat ING destijds die producten onder dezelfde voorwaarden en tegen die prijsstelling, zonder rekening te houden met de positieve waarde van de renteswap, aan Citechma heeft aangeboden of daartoe bereid was,” (rov. 3.10).
klacht onder 1.4is onjuist en/of onbegrijpelijk het oordeel in rov. 3.5, dat op ING geen bijzondere zorgplicht rustte ertoe strekkend dat zij Citechma diende te beschermen tegen het gevaar van een gebrek aan kunde en inzicht of van eigen lichtvaardigheid, gelet op rov. 3.5.5 van het hiervoor al genoemde arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2019.
Op ING rustte dan ook geen bijzondere zorgplicht ertoe strekkend dat zij Citechma dient te beschermen tegen het gevaar van een gebrek aan kunde en inzicht of van eigen lichtvaardigheid.” Het hof heeft dus geoordeeld dat in dit geval op ING geen, uit de bijzondere zorgplicht voortvloeiende, waarschuwingsplicht rustte. Het hof wijst in dit verband op het bedrijfsmatig handelen van Citechma en acht de enkele omstandigheid dat ZCKIC’s complexe producten zijn onvoldoende. Dit moet worden begrepen in het licht van rov. 3.4. Hierin verwerpt het hof, wijzend op de kennis van [betrokkene 2] , het betoog van Arkelhof dat Citechma niet in staat zou zijn geweest de door ING verschafte informatie over de kenmerken en risico’s van de ZCKIC’s te doorgronden.
wel verplicht is de benodigde informatie te verschaffen opdat Citechma een geïnformeerde beslissing kan nemen over het al dan niet aangaan van rentederivaten” en dat “
er in de gegeven omstandigheden ten aanzien van Citechma geen (veel) verdergaande zorgplicht op ING rust dan uit de Wft voortvloeit.” Het hof oordeelt dat ING de benodigde informatie aan Citechma heeft verschaft. Het wijst erop dat Citechma bedrijfsmatig handelde, gezien haar balanstotaal en eigen vermogen een professionele partij in de zin van de Wft is, en als een financieel deskundige wederpartij mocht worden beschouwd.
klacht 2is het oordeel in onder meer rov. 3.5 onjuist en/of onbegrijpelijk omdat het hof daarin niet uitgaat van het bestaan van een adviesrelatie tussen ING en Citechma. Het hof had bij de behandeling van de grieven moest uitgaan van een adviesrelatie, omdat de rechtbank in rov. 4.3 en 4.9 uitgaat van het bestaan van een adviesrelatie, daartegen geen (incidentele) grieven zijn aangevoerd, en het hof niet toegekomen is aan de devolutieve werking van het appel omdat het alle grieven van Arkelhof heeft verworpen. Hierdoor heeft het hof de grenzen van de rechtsstrijd miskend, althans is het arrest zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
klacht 1, omdat een klant zich in een adviesrelatie in beginsel mag verlaten op de juistheid van hetgeen hem door de adviseur wordt verteld en er in beginsel van uit mag gaan dat de dienstverlener zijn zorgplicht jegens hem naleeft. Hieruit volgt dat de cliënt bij een door de dienstverlener geadviseerde constructie minder snel bedacht hoeft te zijn op, en zich minder snel eigener beweging behoeft te verdiepen in, niet vermelde risico’s dan degene die zich wendt tot een aanbieder van producten als de ZCKIC’s. Daarom is eens te meer onjuist en/of onbegrijpelijk de vaststellingen in rov. 3.10 [8] en 3.5 dat ING Citechma de benodigde informatie heeft verstrekt en dat niet valt in te zien dat [betrokkene 2] , wetende van de positieve waarde van de renteswap, ermee akkoord zou zijn gegaan dat bij het aangaan van de ZCKIC’s geen rekening met die positieve waarde zou zijn gehouden zonder dat dat hij aanspraak zou hebben gemaakt op die positieve waarde.
“schending van de zorgplicht” behandelt het hof in rov. 3.5 de tegen het oordeel in rov. 4.8 van het vonnis gerichte grief. Het hof heeft daarbij geen bijzondere aandacht besteed aan het bestaan van de door de rechtbank bedoelde adviesrelatie. Indien met het middel wordt aangenomen dat het hof met ‘zorgplicht’ niet mede doelde op de zorgplicht van ING als adviseur, dan was het hof kennelijk van oordeel dat de zorgplicht van ING als adviseur in deze zaak niet tot een andere uitkomst zou leiden.