Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 2.1, richt zich tegen rechtsoverwegingen 3.4.2.2, 3.4.3.2, 3.4.4.1, 3.4.5.2, 3.4.6, 3.4.7 en 3.5 van het arrest van het hof, waar – kort gezegd – het hof oordeelt dat de rechtbank het beroep van [verweerders] op dwaling terecht heeft gehonoreerd. Dat oordeel berust op twee pijlers: [verweerders] zouden de beëindigingsovereenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden hebben gesloten (a) indien zij hadden geweten dat het saldo van de kapitaalrekening helemaal niet negatief was en (b) evenmin indien zij hadden geweten dat de twee ondernemingen waarin zij aandelen zouden ontvangen een Chapter 11-procedure hadden doorlopen. De klachten van het onderdeel richten zich tegen beide.
“een (willens en wetens) voorgestelde gang van zaken die niet strookt met de werkelijkheid”aan het beroep op dwaling niet in de weg staat dat partijen in de beëindigingsovereenkomst (artikel 5, lid 4) afstand hebben gedaan van de mogelijkheid de overeenkomst te laten vernietigen.
willens en wetensniet strookte met de werkelijkheid (rechtsoverweging 3.4.5; het hof formuleert het impliciet, maar de bedoeling lijkt me onmiskenbaar), (iv) het oordeel van het hof dat [verweerders] de beëindigingsovereenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden zouden hebben gesloten indien zij bekend zouden zijn geweest met de omstandigheid dat de kapitaalrekening niet negatief was, wat voor Vrebamelkvee c.s. kenbaar was (rechtsoverweging 3.4.6) en (v) dat Vrebamelkvee c.s. hebben nagelaten [verweerders] te informeren over de doorlopen Chapter 11-procedure. Een en ander dient in cassatie dus tot uitgangspunt.
onder 2.1.2dat het hof ambtshalve toepassing had moeten geven aan art. 6:140 lid 3 BW Pro faalt. De stellingen waarnaar de klacht verwijst zijn betrokken in het kader van het beroep van Vrebamelkvee c.s. op de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging wegens dwaling (art. 3:52 lid 1 aanhef Pro en onder d BW) en komen erop neer dat [verweerders] de dwaling meer dan drie jaar voorafgaande aan de inleidende dagvaarding hadden kunnen ontdekken. [12] Het hof behoefde in deze stellingen niet te lezen dat Vrebamelkvee c.s. zich erop beriepen dat [verweerders] niet binnen redelijke tijd tegen het aan hen meegedeelde saldo van de kapitaalrekening hadden geprotesteerd, in de zin van art. 6:140 lid 3 BW Pro. Sterker, indien het hof dit wel in de stellingen van Vrebamelkvee c.s. zou hebben gelezen, zou het hof zich schuldig hebben gemaakt aan een verboden aanvulling van feitelijke gronden (art. 24 Rv Pro). Intussen valt te betwijfelen of Vrebamelkvee c.s. bij hun klacht enig belang kunnen hebben, reeds omdat niet voor de hand ligt dat Vrebamelkvee c.s. aan [verweerders] zouden kunnen tegenwerpen dat zij niet binnen redelijke tijd tegen het saldo van de kapitaalrekening hebben geprotesteerd, waar het ontbreken van een eerder protest klaarblijkelijk op de door rechtbank en hof vaststelde dwaling berust, welke dwaling is veroorzaakt door de verzwijging door Vrebamelkvee c.s. Zelfs al zou het saldo als vastgesteld kunnen gelden in de zin van art. 6:140 lid 3 BW Pro, dan betekent dit nog niet dat een beroep op dwaling niet meer mogelijk was. Ook een vaststelling kan immers op grond van dwaling worden vernietigd, in het bijzonder ook in het geval van schending van een mededelingsplicht. [13]
onder 2.1.5dat het hof miskend heeft dat [verweerders] de cijfers ook door de door henzelf ingeschakelde accountant Knoben hebben laten controleren en dat dit geen onregelmatigheden aan het licht heeft gebracht, ziet eraan voorbij dat deze stelling door [verweerders] uitdrukkelijk en gemotiveerd is betwist. [14] Met stukken onderbouwd hebben zij aangevoerd dat deze accountant door de [eisers 2 t/m 7] Groep is ingeschakeld en dat er door hen nooit een rapportage is ontvangen. [15] Zou al juist zijn dat het onderzoek van Knoben geen onregelmatigheden aan het licht heeft gebracht, dan laat dit bovendien onverlet dat rechtbank en hof wel onregelmatigheden hebben geconstateerd en hebben geoordeeld dat deze onregelmatigheden ten tijde van de ondertekening van de beëindigingsovereenkomst niet bij [verweerders] bekend waren, dat [verweerders] hier zelf niet nader onderzoek naar behoefden te doen, dat zij de beëindigingsovereenkomst niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden zouden hebben gesloten als zij daarmee wel bekend waren geweest en dat dit voor Vrebamelkvee c.s. kenbaar was. Ik vermeld ten slotte nog dat uit door [verweerders] overgelegde producties lijkt te volgen dat de opdracht aan Knoben in 2013 is verstrekt, dus ná de totstandkoming van de beëindigingsovereenkomst op 27 november 2012. [16]
onder 2.1.4-Idat het hof onbesproken zou hebben gelaten het verweer van Vrebamelkvee c.s. dat de ondernemingen de procedure al hádden doorlopen, mist feitelijke grondslag. Het hof heeft bij zijn oordeel namelijk tot uitgangspunt genomen dat de ondernemingen de procedure bleken ‘te doorlopen of
hebben doorlopen’ (rechtsoverweging 3.4.6, tweede alinea, derde volzin, cursivering toegevoegd)
.
onder 2.1.4-IIdat het hof onbesproken heeft gelaten dat Vrebamelkvee c.s. hebben aangevoerd dat deze omstandigheid niet relevant was, omdat de ondernemingen inmiddels weer behoorlijke resultaten boekten. [18] Het is juist dat het hof deze stelling niet met zoveel woorden bespreekt en de motivering van het hof was in ieder geval meer volledig geweest als het hof dit wel had gedaan. Waar vaststaat dat de ondernemingen zodanig in financiële moeilijkheden hadden verkeerd dat ze een Chapter 11-procedure hadden doorlopen en die procedure ook volgens het eigen standpunt van Vrebamelkvee c.s. nog maar drie maanden achter de rug was, verdient de stelling mijns inziens echter niet het predicaat ‘essentieel’. Naar het kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van het hof konden drie maanden groene cijfers de mededelingsplicht van Vrebamelkvee c.s. met betrekking tot de eerdere financiële problemen niet wegnemen.
onder 2.1.6deelt in het lot van de overige klachten van het onderdeel.
onderdeel 2.2,richt zich tegen het arrest van het hof onder 3.2 sub f, 3.3, 3.6 en 3.7, waarin een weergave van feiten is opgenomen en de stellingname van Vrebamelkvee c.s. met betrekking tot hun (gewijzigde) vordering in reconventie wordt weergegeven. Daarnaast wordt met het onderdeel opgekomen tegen de rechtsoverwegingen 3.11 en 3.11.1. De bestreden overwegingen houden het volgende in:
onder 2.2.3dat het hof onder 3.6 en 3.7 heeft miskend dat de vordering tot schadevergoeding uit toerekenbare tekortkoming ook is gebaseerd op een gestelde schending van de samenwerkingsovereenkomst. [20] Als het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel volgens Vrebamelkvee c.s. onvoldoende begrijpelijk.
afrekening(memorie van grieven onder 7:23), niet over schadevergoeding.
onder 2.2.4inhoudt, vragen Vrebamelkvee c.s. in feite om een herbeoordeling van het feitelijke geschilpunt over de inbreng van de economische eigendom van het melkquotum. Daarvoor is in cassatie geen plaats.
Onder 2.2.4-Ikeren Vrebamelkvee c.s. zich tegen het oordeel van het hof dat [verweerders] de stelling dat niet het gehele melkquotum is ingebracht gemotiveerd hebben betwist. Vrebamelkvee c.s. menen dat de stellingen van [verweerders] veeleer hun standpunt bevestigen. [21] Daarom is volgens Vrebamelkvee c.s. ook het oordeel dat in de kapitaalrekening van een verkeerd saldo wordt uitgegaan, onjuist.
onder 2.2.5deelt in het lot van de overige klachten.
onderdeel 2.3, richt zich eveneens tegen de rechtsoverwegingen 3.7, 3.11 en 3.11.1 en daarnaast ook tegen overweging 3.12.2 (waarin het hof overweegt dat [verweerders] geen te verrekenen boete heeft verbeurd) en 3.14 tot en met 3.16 (met betrekking tot buitengerechtelijke kosten en proceskosten), alsook het dictum voor zover het hof daar de vordering in reconventie geheel afwijst. Ook dit onderdeel wordt tevergeefs voorgesteld. Ik licht dit hieronder toe.
onder 2.3.3mist feitelijke grondslag. Het berust op de onjuiste veronderstelling dat het hof heeft aangenomen dat de vordering in reconventie mede strekt tot schadevergoeding op grond van de samenwerkingsovereenkomst. De klacht bouwt bovendien voort op het falende onderdeel 2.2.
onder 2.3.4veronderstelt dat tussen partijen een gemeenschap bestond en houdt in dat het hof, ambtshalve de rechtsgronden aanvullend, had moeten oordelen dat sprake is geweest van een ontbinding van de maatschap en daarom op grond van art. 3:185 lid 1 BW Pro een verdeling van de gemeenschap had moeten bevelen. Mijns inziens kan ook deze klacht geen doel treffen en wel om ten minste twee redenen. In de eerste plaats hebben Vrebamelkvee c.s. bij de klacht geen belang omdat zij onverlet laat dat Vrebamelkvee c.s. de vordering tot afrekening van het samenwerkingsverband uitdrukkelijk hebben beperkt tot het saldo van de kapitaalrekening en dat zij op grond daarvan, na correctie van het onjuist weergegeven melkquotum, niets te vorderen hebben. In de tweede plaats wordt niet toegelicht waaruit volgt dat tussen partijen een gemeenschap bestaat, noch welke goederen die gemeenschap omvat. Dat economische eigendom van melkquotum is ingebracht, betekent niet dat dit quotum is gaan toebehoren aan de maten gezamenlijk. [42]
onder 2.3.6mist zelfstandige betekenis ten opzichte van de voorgaande klachten.
onderdeel 2.4, bevat uitsluitend een voortbouwklacht.