Voetnoten
1.Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
2.Rechtbank Noord-Holland.
4.Hof Amsterdam.
6.De Staatssecretaris van Financiën.
7.Onderdeel 2.1 van de bestreden uitspraak onder punt 8.
8.Onderdeel 2.1 van de bestreden uitspraak onder punt 6.
9.Rechtbank Noord-Holland 5 juni 2018, nr. HAA 17/2621,
10.Wet op het financieel toezicht.
11.Onderdeel 4, punten 15 en 19, van de bestreden uitspraak.
12.Verg. F.H. Lugt, Pensioenbrief 2019/68.
13.Onderdeel 5.2 en volgende van de bestreden uitspraak.
14.Onderdeel 5.1 van de bestreden uitspraak.
16.W.L.P.A. Molengraaff,
17.Zie onderdeel 13 van de uitspraak van het hof, dat de Hoge Raad in het genoemde arrest van 9 december 1959 heeft aangehaald.
18.Wet op het financieel toezicht van 28 september 2006, Staatsblad 475, die per 1 januari 2007 in werking trad en wat dit betreft de opvolger was van de elkaar opvolgende Wet op het levensverzekeringsbedrijf, de Wet toezicht verzekeringsbedrijf en de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993.
20.‘Levensverzekering is de in verband met het leven of de dood gesloten overeenkomst, waarbij de verzekeraar zich tegen het genot van premie jegens de verzekeringnemer tot het doen van een of meer uitkeringen verbindt, waarbij hetzij deze verbintenis hetzij de premiebetaling dan wel beide afhankelijk zijn van een bij het sluiten van de overeenkomst voor partijen onzeker voorval, dat een mens in zijn persoon raakt en waarbij onverschillig is of met het uit te keren bedrag schade wordt vergoed.’
21.Onderdeel 2.2 van de bestreden uitspraak.
22.Zie voorts J.Th.L. Brouwer,
23.Cfm. Asser/Levensverzekering, nr. 645 en 654.
25.R.E.C.M. Niessen,
26.Zie bijvoorbeeld de noot van De Lange in
27.Onderdeel 5.3 van de bestreden uitspraak.
28.Verg. Asser/Levensverzekering, nr. 646.
29.P.J.A. Adriani en J. van Hoorn schreven dat ‘het premievrij maken van een polis met verlaging van het verzekerde bedrag’ impliceert dat ‘de verzekering wordt vervangen door een andere’ Het belastingrecht, deel III, 2e druk, Amsterdam 1955, p. 501.
30.G.G. Brouwer,
31.W.J.M. van Veen, a.w.; en W.M.A. Kalkman,
32.Deze opvatting verdedigde ik ook in
33.Verg. art. 7:977, lid 2, BW.
34.O.a. J.Th.L. Brouwer, a.w., hoofdstuk 11; G.J.B. Dietvorst, “Brede Herwaardering I: onduidelijkheden, onbedoelde gevolgen, onvolkomenheden en wensen”,
35.Rapport van de Werkgroep levensverzekeringen WTV-Wet IB van 4 juni 1993, opgenomen in
36.M.v.T. bij de Invoeringswet IB 2001,
37.Zie het commentaar bij deze bepaling in
38.M.v.T. bij de Invoeringswet IB 2001,
39.Art. 26a, lid 2, Wet IB 1964 (tekst 1993).
40.Zie G.J.B. Dietvorst,
41.Ibidem.
42.Art. 57, lid 1, aanhef en onderdeel c, Wet IB 1964 (tekst 1993), mits 15 jaren premie was voldaan binnen een bandbreedte van 10.
43.Brief minister en staatssecretaris van Financiën,