Conclusie
Nummer19/02528
Oplichting van de ING Bank Nederland N.V. (feit 1)
eerste middelkomt met twee klachten op tegen de bewijsvoering van de onder 1 primair bewezenverklaarde oplichting door de verdachte van ING Bank Nederland N.V (hierna: ING Bank).
- zich voorgedaan als vertegenwoordiger/gerechtigde van [A] B.V. en (in die hoedanigheid) als bonafide incasseerder en
De verklaring van de verdachte.De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 10 april 2018 verklaard - zakelijk weergegeven -:
Nu de rekening waarvan geïncasseerd werd de rekening van de verdachte betrof, hij eveneens de beschikking had over de rekening waarop het geïncasseerde bedrag werd gestort en hij ook beschikte over de rekening waarnaar het overgrote deel van het geïncasseerde bedrag vervolgens werd overgemaakt, is het hof van oordeel dat het de verdachte moet zijn geweest die - wetende dat zijn rekening voor het totaal te incasseren bedrag onvoldoende saldo bevatte - de voormelde incasso-opdracht namens [A] B.V. aan de ING Bank heeft gegeven, met het oogmerk om - middels onttrekking van het overgrote deel van het geïncasseerde bedrag aan de rekening van [A] B.V. - zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen.
Oplichting van Centraal Boekhuis en Noordhoff Uitgevers (feit 2)
tweede,
derdeen
vierde middelkomen op tegen de bewijsvoering van de onder 2 bewezenverklaarde oplichting door de verdachte van Centraal Boekhuis en Noordhoff Uitgevers.
a) Centraal Boekhuis en
tweede middelbevat de klacht dat feiten en omstandigheden die het hof redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring, niet uit de bewijsmiddelen blijken en het hof niet heeft aangegeven waaraan het die feiten en omstandigheden (dan wel) heeft ontleend. Het gaat ten eerste om de bewijsoverweging dat de verdachte de naam “ [naam 1] ” heeft gebruikt terwijl dat niet uit de bewijsmiddelen zou blijken. Ten tweede zou in geen van de bewijsmiddelen staan dat “particuliere klanten vooraf moesten betalen” zoals het hof heeft vastgesteld in de nadere bewijsoverweging.
De verklaring van de verdachte.De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 10 april 2018 verklaard - zakelijk weergegeven -:
derde middelklaagt dat de bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig is en daardoor onbegrijpelijk doordat het hof enerzijds een bewijsmiddel gebruikt “waarin staat dat de verstrekte gegevens bij controle onjuist en niet te achterhalen bleken te zijn, terwijl er tevens bewijsmiddelen zijn gebruikt die erop wijzen dat die gegevens wel degelijk correct zijn”.
vierde middelklaagt dat het bewezenverklaarde gebruik van een valse naam en valse hoedanigheid blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans niet begrijpelijk is gemotiveerd. Met betrekking tot de bewezenverklaring dat de verdachte een valse naam, te weten “ [naam 1] ”, heeft gebruikt worden drie deelklachten aangevoerd genummerd 1a, 1b en 1c. Met betrekking tot het gebruik van een valse hoedanigheid worden drie deelklachten aangevoerd genummerd 2, 3 en 4.
Het adres [a-straat 1] is een kantoorverzamelgebouw. Ik hield daar archiefruimte. Ik heb daar ook wel eens mensen ontvangen.”
24x Marketingcommunicatiestrategie
[e-mailadres 2]een activeringsmail gestuurd.
De verklaring van de verdachte.De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 10 april 2018 verklaard - zakelijk weergegeven -:
Naam [betrokkene 7]
Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft willen gegeven voor de geconstateerde samenloop van omstandigheden.
ook bij deze transactie is het adres [a-straat 1] in Capelle aan den IJssel gebruikt. [12]
vijfde middelklaagt dat feiten en omstandigheden die het hof redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring, niet uit de bewijsmiddelen blijken en het hof niet heeft aangegeven waaraan het die feiten en omstandigheden (dan wel) heeft ontleend. Het gaat om het “vaker” gebruik maken van de naam “ [naam 2] ” door de verdachte, zoals het hof dat als volgt in zijn bewijsoverweging heeft vastgesteld:
[…]
In de ten laste gelegde periode heeft de verdachte vaker gebruik gemaakt van de naam [naam 2] ”.
zesde middelklaagt dat de bewezenverklaring van feit 3 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans niet kan volgen uit de bewijsvoering althans niet begrijpelijk is gemotiveerd. Het middel heeft betrekking op de businesscards die op naam van [B B.V.] zijn besteld. Bij de bespreking van het achtste middel zal blijken dat de hier aangevoerde klachten op onderdelen overeenkomen met wat daar wordt aangevoerd met betrekking tot de businesscards die op naam van [C] B.V. zijn besteld.
zevende middelklaagt dat feiten en omstandigheden die het hof redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring, niet uit de bewijsmiddelen blijken terwijl het hof niet heeft aangegeven waaraan het die feiten en omstandigheden (dan wel) heeft ontleend. Het gaat om het door de verdachte “vaker” gebruik maken van de naam “[naam 3]” zoals het hof dat in zijn bewijsoverweging heeft vastgesteld. Ik citeer de vaststelling door het hof waarop het middel betrekking heeft, en de context waarin het hof deze vaststelling heeft gedaan in de nadere bewijsoverwegingen:
In de ten laste gelegde periode heeft de verdachte vaker gebruik gemaakt van de naam [naam 3]”.
Aangifte [betrokkene 14]
achtste middelklaagt dat de bewezenverklaring van feit 3 niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid althans niet begrijpelijk is gemotiveerd. Het middel heeft betrekking op de businesscards die op naam van [C] B.V. zijn besteld. De inhoud van het middel komt op belangrijke onderdelen overeen met het zesde middel dat betrekking heeft op de businesscards die op naam van [B B.V.] zijn besteld. Hier wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het de verdachte “is geweest die NS Reizigers B.V. heeft bewogen tot afgifte [van] businesscards op naam van [C] B.V. en ook niet dat daarbij een valse naam/hoedanigheid zou zijn gebruikt.” Uit de bewijsmiddelen zou bovendien niet blijken op welke wijze de businesscards zijn besteld, welke naam de verdachte zou hebben gebruikt en welke (valse) hoedanigheid hij zou hebben aangenomen. In het bijzonder zou de feitelijke gang van zaken bij de bestelling van de businesscards onduidelijk zijn gebleven en dus ook niet duidelijk zijn welke naam bij de bestelling is gebruikt.
negende middelklaagt dat de bewezenverklaring van feit 3 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans niet kan worden afgeleid uit de bewijsmiddelen althans niet begrijpelijk is gemotiveerd. Aangevoerd wordt dat uit de bewezenverklaring in het bijzonder niet kan blijken “dat bij de bestelling van de businesscards voor [A] B.V. gebruik zou zijn gemaakt van een valse naam en hoedanigheid.” De rechtsklacht is niet nader onderbouwd zodat deze verder niet besproken hoeft te worden.
tiende middelklaagt dat de bewezenverklaring van feit 3 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans niet begrijpelijk is gemotiveerd omdat NS Reizigers B.V. niet door de verdachte zou zijn bewogen tot afgifte van de businesscards omdat NS Reizigers B.V. “haar plicht tot enige oplettendheid grovelijk heeft geschonden” door maar businesscards te blijven verstrekken aan een klant die de kosten daarvoor niet betaalt zodat NS Reizigers B.V. “de onjuiste voorstelling van zaken dan ook wel degelijk [had] moeten kunnen doorzien.”