ECLI:NL:HR:2020:1740

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 november 2020
Publicatiedatum
5 november 2020
Zaaknummer
19/02528
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SrArt. 321 SrArt. 420ter SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6:4:20 Sv
Verwijzingen
8 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging hofuitspraak inzake vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregel

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor meervoudige oplichting, gewoontewitwassen en verduistering. Het hof had de verdachte verplicht tot betaling van schadevergoedingen aan slachtoffers, met de mogelijkheid van vervangende hechtenis bij niet-betaling.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het deel van het arrest dat de vervangende hechtenis oplegt, en stelde dat in plaats daarvan gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast op grond van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De Hoge Raad volgde dit advies en vernietigde ambtshalve het deel van het arrest dat vervangende hechtenis bevatte.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep voor het overige en motiveerde niet uitvoerig vanwege het ontbreken van belang voor de rechtsontwikkeling. Hiermee is bevestigd dat bij schadevergoedingsmaatregelen gijzeling als dwangmiddel kan worden toegepast in plaats van vervangende hechtenis.

De uitspraak verduidelijkt de toepassing van dwangmiddelen bij niet-nakoming van schadevergoedingsmaatregelen en sluit aan bij eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad, met name het arrest ECLI:NL:HR:2020:914.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt ambtshalve het deel van het hofarrest dat vervangende hechtenis oplegt en bepaalt dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/02528
Datum10 november 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 9 mei 2019, nummer 22/001879-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover daarbij aan de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is verbonden, tot bepaling dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de slachtoffers met toepassing van art. 6:4:20 Sv Pro gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

3.1
Het hof heeft de verdachte de verplichtingen opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest telkens genoemde aantal dagen hechtenis.
3.2
De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen voor zover daarbij telkens vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers telkens vervangende hechtenis is toegepast;
- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 november 2020.