ECLI:NL:PHR:2020:1040

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 november 2020
Publicatiedatum
9 november 2020
Zaaknummer
19/01856
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 365a SvArt. 415 SvArt. 48 SrArt. 157 Sr
Verwijzingen
22 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest chaletmoord wegens onjuiste rechtsopvatting over bewijsgebruik verklaringen medeverdachten

De zaak betreft de chaletmoord te Ermelo waarbij het slachtoffer door geweld om het leven is gebracht en de woning in brand is gestoken. De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens medeplichtigheid aan brandstichting en poging tot het verbranden van een lijk, waarbij hij zijn auto en een jerrycan benzine ter beschikking zou hebben gesteld.

De verdediging voerde aan dat verdachte geen medewerking heeft verleend en dat verklaringen van medeverdachten, die niet door de verdediging konden worden ondervraagd, onbetrouwbaar en onrechtmatig als bewijs zijn gebruikt. Het hof achtte de verklaringen van twee medeverdachten betrouwbaar en bruikbaar, mede omdat deze elkaar en andere bewijsmiddelen zouden ondersteunen.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door te veronderstellen dat twee elkaar ondersteunende verklaringen van niet-ondervraagde getuigen automatisch steunbewijs vormen. De motivering van het hof over het steunbewijs is onvoldoende en onduidelijk, waardoor het arrest niet in stand kan blijven.

De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling. Tevens is de overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld, maar dit wordt bij de hernieuwde behandeling meegenomen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting wegens onjuiste rechtsopvatting over bewijsgebruik.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/01856

Zitting10 november 2020
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.

Het cassatieberoep

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 24 januari 2019 [1] wegens (de eendaadse samenloop van) 1. “medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is” en 2. “medeplichtigheid aan medeplegen van poging tot een lijk verbranden met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Het hof heeft verder de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding.
2. De zaak hangt samen met de zaken met de nummers 19/00515 ( [medeverdachte 3] ) en 19/00919 ( [medeverdachte 2] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

De zaak

4. De zaak, die landelijke bekendheid heeft gekregen als de ‘chaletmoord’, gaat over het volgende. Op 14 maart 2014 omstreeks 21.30 uur krijgt de brandweer een melding om naar bungalowpark [A] in Ermelo te gaan waar een bungalow (‘chalet’) in brand zou staan. De brandweer treft in de bungalow het stoffelijk overschot aan van, naar later zal blijken, [slachtoffer] , die al eerder door zijn familie als vermist was opgegeven. Onderzoek wijst uit dat hij door geweld om het leven is gekomen en dat de bungalow in brand is gestoken. [medeverdachte 3] , de zus van de verdachte, is onder meer veroordeeld wegens het van het leven beroven van [slachtoffer] . [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] zijn veroordeeld in verband met het in brand steken van het chalet en de poging tot het verbranden van een lijk met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen. De verdachte is veroordeeld wegens medeplichtigheid aan de door [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] begane feiten. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zijn auto ter beschikking heeft gesteld om [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] in de gelegenheid te stellen zich te verplaatsen naar/van de bungalow en dat hij aan hen een jerrycan gevuld met benzine beschikbaar heeft gesteld.

De middelen

5. Het
eerste middelklaagt over het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van de getuigen [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] , terwijl de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest deze getuigen te ondervragen, de betrokkenheid van de verdachte bij het hem ten laste gelegde feit niet in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en de verdachte niet voldoende is gecompenseerd voor de beperkingen van het ondervragingsrecht.
6. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:
“1 subsidiair
[medeverdachte 2] en [betrokkene 1] in de periode van 13 maart 2014 tot en met 14 maart 2014 in de gemeente Ermelo althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand hebben gesticht, hierin bestaande dat die [medeverdachte 2] en die [betrokkene 1] en een ander opzettelijk brand hebben gesticht in een woning (te weten een chalet A23, gelegen op chaletpark/bungalowpark [A] ), in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine(damp), in elk geval met (een) brandbare stof), ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die woning aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was, tot het plegen van welk feit verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest door opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, immers heeft hij, verdachte, zijn auto ter beschikking gesteld om die [medeverdachte 2] en die [betrokkene 1] in de gelegenheid te stellen zich te verplaatsen naar/van voornoemde woning en heeft hij, verdachte, een jerrycan gevuld met benzine, beschikbaar gesteld aan die [medeverdachte 2] en die [betrokkene 1] ;
2 subsidiair:
[medeverdachte 2] en [betrokkene 1] in of omstreeks de periode van 13 maart 2014 tot en met 14 maart 2014 in de gemeente Ermelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door die [medeverdachte 2] en die [betrokkene 1] en hun mededader voorgenomen misdrijf om een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , te verbranden of weg te maken, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, een brandbare stof (te weten benzine) in de omgeving van het stoffelijk overschot hebben gesprenkeld en (vervolgens) die benzine/brandbare stof hebben aangestoken danwel tot ontbranding hebben gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, tot het plegen van welk feit verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest door opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, immers heeft hij, verdachte, zijn auto ter beschikking gesteld om die [medeverdachte 2] en die [betrokkene 1] in de gelegenheid te stellen zich te verplaatsen naar/van de plaats waar het stoffelijk overschot van [slachtoffer] zich bevond (te weten in een chalet A23, gelegen op chaletpark/bungalowpark [A] ), en heeft hij, verdachte, een jerrycan gevuld met benzine, beschikbaar gesteld aan die [medeverdachte 2] en die [betrokkene 1] .” [2]
7. De bewezenverklaring steunt op de volgende, in de aanvulling op het verkort arrest als bedoeld in art. 365a juncto art. 415, eerste lid, Sv opgenomen, bewijsmiddelen:
“1. een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] , opgemaakt door (…), respectievelijk medewerker opsporing en hoofdagent van politie Oost-Nederland, gesloten op 29 september 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (…):
V: Wat was de reden dat jullie naar [verdachte] gingen? De broer van [medeverdachte 3] (hof: [medeverdachte 3] )?
A: Waarom we daar heen gingen? Zij wilde denk ik vragen... wacht.. ik was nog aan het vertellen, ze wilde van hem weten wat ze moest doen en of hij haar wilde helpen. Zijn idee was, om te vertellen dat er ruzie was en dat er dan eentje dood was, heeft ze verteld ja. Toen bood hij zijn auto aan. Om die man uit het chalet te halen.
V: Oké.
A: Daar heeft [betrokkene 1] ook bij gezeten. En toen zei ze van, die kan niet in mijn Twingo, toen heeft hij zijn auto aangeboden. En ik had zoiets, ik ga niks meer zeggen. En toen zei ze, dan rijd jij met die bus met hem erin, en rijd ik met de Twingo er achteraan. Ik zei: dat denk ik niet. En daar kregen we woorden over. Die broer had bedacht Duitsland in en daar in het water dumpen.
V: En dan?
A: Weggegaan, richting McDonalds gereden, [medeverdachte 3] had honger. Ik had absoluut geen honger, en ik sla een stuk over. De politie heeft gebeld en toen is ze in paniek geschoten. Toen zijn we teruggereden en toen is besloten dat de brand erin moest. Dat hebben [medeverdachte 3] en die broer besloten. Hij heeft gezegd, dingen kan er niet bij zijn. Met jouw auto.
V: [medeverdachte 3] kan er zelf niet bij zijn?
A: Nee want jouw auto valt teveel op. Wij moesten dat met zijn auto doen. En je ziet een jerrycan had hij in die schuur staan, met benzine.
V: Maar jullie moesten in ieder geval terug naar [verdachte] ?
A: Zij kon niet bij die woning gezien worden en mij kenden ze toch niet. En in de schuur bij [verdachte] , bij de oprit zit er een poortdeurtje, daar zit een schuurtje met een werkbank, daar stond een jerrycan met benzine onder. Alles stond open en [medeverdachte 3] vertelde ons dat we dat moesten pakken.
V: Waar was [verdachte] toen?
A: Bij de voetbalwei.
V: Je bedoelt [medeverdachte 3] ?
A: Ja, dat er absoluut geen politie bij mocht komen. Toen hebben we gewacht tot een bepaalde tijd, zij had contact met haar broer. Hij is naar buiten gekomen bij de voetbalwei en autosleutel gegeven, met een tientje om te tanken. Contant. De auto moeten pakken. En we zijn weggereden, [betrokkene 1] wist hoe we naar het chalet moesten rijden.
V: Maar al
sje die auto hebt, heb je nog niet de benzine. Die jerrycan stond in het schuurtje.
A: We hebben zijn auto gepakt met tien euro om te tanken. Toen zijn we naar zijn huis gereden en hebben we die jerrycan gepakt. Zij had een tas bij, [betrokkene 1] , daar hebben we dat in gedaan.
V: Jij bent in de auto gestapt van [verdachte] , met [betrokkene 1] .
A: Toen zijn [betrokkene 1] en ik, die jerrycan gehaald en heldhaftig drie kwartier rondgereden omdat we allebei niet durfden. Drie keer over het park heen gelopen volgens mij. Die jerrycan zat in haar tas. Toen zijn we naar binnen toegegaan.
V: Wie had de sleutel?
A: Volgens mij zij. Zij had de sleutel volgens mij. En ik had nog gezegd dat ze uit moest kijken dat daar die meneer dan lag.
V: Hoe reageerde ze erop?
A: Zij verstijfde ook en schrok heel erg. Ze bleef ook stilstaan.
A: De jerrycan hebben we zo in de woonkamer gegooid. En ze stond zenuwachtig zo dat het niet lukte met aansteken.
V: Tot waar is [betrokkene 1] binnen geweest in de woning. Ze had de jerrycan in de handen, wat deed ze precies en waar was dat?
A: In het woonkamer gedeelte en slaapkamerstukje daar zo...
V: Toen heb jij..? Je zei toen heb ik het van haar afgepakt.
A: Ik heb die jerrycan afgepakt, ik moet hier zo snel mogelijk weg in paniek.
V: Wie heeft het aangestoken?
A: We zaten met 2 man op de grond. En toen we allebei omdraaiden, klapten we samen tegen de deur aan.
V: Hoe is het aangestoken?
A: Met een aansteker. We hadden allebei een aansteker vast. Een andere.
V: Wat kan je vertellen over het matras in de gang?
A: dat lag volgens mij op hem, over hem heen.
V: Lag over hem heen?
A: Hebben we nog een stukje daarheen getrokken. [betrokkene 1] en ik.
V: Waar heb je dat matras vandaan gehaald?
A: In de woonkamer, alles stond in de woonkamer. We zeiden nog, er is hier niks wat kan branden.
V: Waar is allemaal benzine gegooid besprenkeld.
A: Was maar een heel klein kannetje.
V: Waar heb je dat neergegooid? Gesprenkeld?
A: In de woonkamer zo en terug de hal in.
V: Nog op andere kamers?
A: [betrokkene 1] had volgens mij de andere kamer gedaan, in de hoek.
V: En die matras die jullie versleept hebben richting slachtoffer? Wat is daarmee gedaan?
A: Die hebben we eerst versleept en benzine overheen gegooid. Dat was dichter bij de ingang, matras aansteken en dan naar buiten rennen.
V: Waar zijn jullie naar toe gereden?
A: Naar de pomp, ik heb gereden.
V: En toen?
A: We hebben de auto getankt.
V: Hoe lang was het rijden?
A: Was snelweg op en snelweg weer af. Langs een soort carpooldeel waar we hebben gestaan en [medeverdachte 3] is daar heen gekomen. [betrokkene 1] moest bij haar instappen en ik moest terug, ze had me het adres gegeven van de voetbal, ik moest naar [verdachte] rijden, de auto terugbrengen.
V: Hoe wist je je dat je daarheen moest dan?
A: Ze had het ingesteld op mijn telefoon, en toen heb ik ook mijn telefoon teruggekregen. Toen ben ik naar [verdachte] gereden op de voetbal. Die stond al buiten. Is in zijn auto gesprongen. En hij zei, wat ga je doen? Ik moet hier wachten op [medeverdachte 3] zei ik. En hij is weggereden.
V: Dan zit je te wachten tot [medeverdachte 3] terug zou komen?
A: Die broer is weggereden. En toen heb ik hem nog terug voorbij zien komen en weer terug voorbij en toen kwam hij weer terug. Toen zag hij me nog staan. Wat doe je hier nog steeds? Ik moest wachten op [medeverdachte 3] . Hij zei stap maar in.
2. een proces-verbaal van verhoor van verdachte [betrokkene 1] , opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden hoofdagent van politie Oost- Nederland, gesloten op 7 mei 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (…):
Toen zijn we verder gereden richting Ermelo. Naar haar broer [verdachte] zijn we nog even geweest.
V: Waarom?
A: [medeverdachte 3] zat met een probleem, met een dooie man in haar huis. Haar broer vertelde ze iets anders iets over een drugsdeal en dat er daardoor een dooie in haar huis lag en dat zij niks had gedaan.
3. een proces-verbaal van verhoor van verdachte [betrokkene 1] , opgemaakt door (…), beiden hoofdagent van politie Oost- Nederland, gesloten op 15 mei 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (...):
V : Hoe zit het nou met het bezoek aan [verdachte] ?
A: [medeverdachte 3] zei zoiets van: [verdachte] er is wat gebeurd. Hij zei: Ja wat dan? Ze zei dat er wat in haar huis was gebeurd betreffende een drugsdeal en dat daar nu iemand lag en dat zij een grotere auto nodig had, dus eventueel die van [verdachte] en het liefst of [verdachte] mee kwam, want zij kon hem met [medeverdachte 2] niet tillen.
[verdachte] ging eten bestellen die zegt: Nee, want ik moet nog klussen, ik moet nog weg.
V: Wat zei [verdachte] ?
A: Die begon te schelden van godverdomme, wat is dit nou weer. [medeverdachte 3] zei: die moet daar wel weg natuurlijk uit het huisje.
V: Zei ze daar een naam bij?
A: Nee. Toen zei [verdachte] volgens mij: [medeverdachte 3] loop eens mee. Toen gingen ze samen naar boven.
Toen kwamen [verdachte] en [medeverdachte 3] weer beneden en [verdachte] ging niet mee en toen was het van: wat nu? En toen ging het over de brand, want [verdachte] moest echt gewoon werken.
V: Wie kwam daarmee, met de brand?
A: [medeverdachte 3] . Ik probeer even terug te halen hoe dat ging. Volgens mij was [verdachte] het er toen mee eens.
V: Waar maakte je dat uit op, dat [verdachte] het er mee eens was?
A: Jezus, dat is een goeie. Ik durf niet meer te zegen of er toen is gesproken over het bloed en schoonmaken daarvan. Volgens mij wel, volgens mij heb ik dat de eerste keer ook verklaard.
V : [verdachte] verklaart daar zelf ook over.
A: [verdachte] , [medeverdachte 3] en een beetje [medeverdachte 2] kwamen toen tot de oplossing dat als het te veel schoonmaken zou zijn, dat het niet weg zou gaan dan moest er brand.
V: En jouw rol daarin?
A : Ik zat erbij en hoorde alles aan. Toen zat ik al in mijn hoofd zo van: wat doe ik hier. Ik dacht zal ik ze me terug naar huis laten brengen. Toen dacht ik van: Nee, want ze zitten nog met dat en er moet wat gebeuren.
V: Er is een probleem en jullie zitten daar, wat wordt er afgesproken?
A: Dat [verdachte] benzine in zijn schuur heeft staan en dat dat opgehaald kan worden en verder waar hij aan het werk zou zijn en dat eventueel die auto daar ook opgehaald kan worden.
V : Zei [verdachte] dit?
A: Ja, ik weet niet of [medeverdachte 3] daar ook naar gevraagd heeft.
In mijn geheugen werd het echt even serieus business toen zij gebeld werd door die politie en toen moest er wat gebeuren. Toen heb ik besloten om er actief aan mee te werken. Dan moet het gaan gebeuren natuurlijk.
4. een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door (…), respectievelijk inspecteur en aspirant van politie Oost-Nederland, gesloten op 15 maart 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (...):
Op vrijdag 14 maart 2014, omstreeks 21:30 uur, kreeg de Noodhulpeenheid van team Veluwe-West de opdracht om te gaan naar bungalowpark [A] , [a-straat 1] te Ermelo. Aldaar zou brand zijn in een vakantiebungalow. Wij arriveerden daar ter plaatse omstreeks 21:32 uur direct voor aankomst van de brandweer. Wij verbalisanten roken ter plaatse een brandlucht bij bungalow [a-straat 1] en ik verbalisant (…) voelde aan het glas van de voordeur dat deze warm was. Tevens zag ik aan de binnenzijde van de ruitjes roetaanslag.
Direct aansluitend werd de woning door de brandweer betreden via de toegangsdeur aan de voorzijde van de woning en zagen wij dat er een grote hoeveelheid donkere rook door de opening van de voordeur naar buiten kwam. Onmiddellijk na het betreden van de woning, kwam de bevelvoerder van de brandweer (…) uit de woning, dit was omstreeks 21:35 uur, die mij (…) zei: “er ligt een smeulend matras in de gang, direct in de kamer links ligt naar mijn mening het stoffelijk overschot van een persoon en het lijkt mij een zelfdoding”.
5. een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door (…), respectievelijk inspecteur en aspirant van politie Oost-Nederland, gesloten op 15 maart 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (...):
Op vrijdag 14 maart 2014, omstreeks 21:30 uur, kreeg de Noodhulpeenheid van team Veluwe-West de opdracht te gaan naar bungalowpark [A] , [a-straat 1] te Ermelo. Wij verbalisanten bevonden ons op dat moment in de onmiddellijke nabijheid van het park en begaven ons eveneens ter plaatse. Wij arriveerden daar ter plaatse omstreeks 21:32 uur.
Wij verbalisanten zijn de woning in gegaan. Direct na de toegangsdeur zag ik in een kamer links van deze deur een dichtgeslagen zeil op de vloer liggen. Ik zag dat er vanonder dit zeil twee onderbenen vandaan staken en ik zag dat de huid van deze benen, voor zover waarneembaar sterk rood gekleurd was, kennelijk ten gevolge van warmte/hitte. Ik verzocht de bevelvoerder van de brandweer een klein stuk van het zeil op te tillen. Ik zag vervolgens het gelaat van een man, geheel besmeurd met grotendeels ingedroogd bloed. Ik zag ook, dat de nek van de man in het geel was omwikkeld met donkerkleurig tape, voor mijn gevoel zogenaamd “duck-tape”.
6. een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door (…), respectievelijk hoofdagent en rechercheur van politie Oost-Nederland, gesloten op 18 maart 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (…):
Op maandag 17 maart 2014 omstreeks 21:00 uur confronteerden wij, verbalisanten, de volgende personen:
[benadeelde 2] , e.v. [slachtoffer] en [benadeelde 1] , oudste zoon van [slachtoffer] voornoemd, met het stoffelijk overschot van een mannelijk persoon.
[benadeelde 2] herkende het stoffelijk overschot als het lichaam van haar man [slachtoffer] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] -1955.
Ook oudste zoon [benadeelde 1] herkende het getoonde lichaam als het lichaam van zijn vader [slachtoffer] .
7. Het deskundigenrapport, (…) (…), opgemaakt door (…), deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, getekend op 19 mei 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (…):
Datum sectie: 16 maart 2014
Overledene: Vermoedelijk [slachtoffer]
De overledene is dood aangetroffen in het Recreatiepark [A] , [a-straat 1] te Ermelo op 14 maart 2014 omstreeks 21:40 uur.
Bij sectie werden letsels vastgesteld die bij leven waren opgeleverd door inwerking van uitwendig mechanisch perforerend en snijdend geweld.
Enkele huidperforaties gingen gepaard met perforatie van vitale organen.
Het overlijden wordt verklaard door algehele weefselschade ten gevolge van substantieel bloedverlies en opgetreden longfunctiestoornissen door uitwendig mechanisch perforerend en snijdend geweld.
De afwezigheid van roet in de luchtwegen, de lage koolstofmonoxidedeconcentratie en de afwezigheid van cyanide sub C1 duiden er op dat (vermoedelijk) [slachtoffer] niet in leven was ten tijde van de brand.
8. het proces-verbaal brandonderzoek forensische opsporing, opgemaakt door (…), respectievelijk brigadier en BOA domein generieke opsporing van politie Oost-Nederland, gesloten op 25 maart 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (…):
Op 15 maart 2014 werd door ons, forensisch technisch onderzoekers, brandonderzoekers, een brandonderzoek ingesteld naar aanleiding van een te [a-straat 1-2] , Ermelo op vrijdag 14 maart 2014 te 21:21 uur plaatsgehad hebbende brand.
Wij zagen dat er een matras aan de linkerzijde op de oprit lag. Deze matras was door de brandweer ten tijde van de brandbestrijding uit de woning gehaald en voor de woning gelegd. Deze matras werd door forensisch onderzoekers aan de zijkant van de woning gelegd op het grind van de oprit links van de woning.
Wij verbalisanten kregen van de CPDU aanvullende informatie te weten: dat de aanvalsploeg van de brandweer in de hal een brandende matras had aan getroffen.
Door ons werd onderzoek gedaan aan een matras, welke door verbalisanten op de oprit, in het grind was neergelegd. Bij het onderzoek aan deze matras, met behulp van de PID meter, werd door ons een verhoogde concentratie gemeten van de aanwezigheid van vluchtige organische stoffen.
In de hal zagen wij resten van onverbrand en verbrand materiaal liggen. Ter hoogte van de sluitzijde van deurpost van slaapkamer 1, zagen wij een ophoping van onverbrand en verbrand materiaal liggen. Met behulp van de PID meter werd door ons een verhoogde concentratie gemeten van de aanwezigheid van vluchtige organische stoffen.
Veiliggestelde sporen:
Spooromschrijving: Brandrest
Plaats veiligstellen: Matras links van de woning
Resultaat NFI: Er zijn vluchtige stoffen aangetoond afkomstig van motorbenzine.
Spooromschrijving: Brandrest
Plaats veiligstellen: Vloer hal nabij kozijn deur slaapkamer 1 sluitzijde
Resultaat NFI: Er zijn vluchtige stoffen aangetoond afkomstig van motorbenzine.
9. een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] d.d. 9 januari 2015, opgemaakt door de rechter-commissaris in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (...):
A: Dan is het van: “de fik erin” of iets dergelijks. “Zet het in de fik”.
RC: Wie zei dat?
A: Het zou goed kunnen dat ik dat ben geweest. Ik heb ook gezegd dat ik het niet ging doen.
V: Oké. En hoe moest die fik erin dan?
A: Eerst mijn broers auto ophalen.
V: Wat doen jullie dan?
A: Naar het voetbalveld.
V: Waarom naar het voetbalveld?
A: Daar stond de auto van mijn broer.”
8. Het hof heeft in het bestreden arrest ten aanzien van het bewijs het volgende overwogen:
“Inleiding
Bij arrest van heden is [medeverdachte 3] veroordeeld voor de doodslag op [slachtoffer] .
Aan verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij als medepleger of medeplichtige verantwoordelijk is voor de brandstichting in het chalet waar het slachtoffer lag (feit 1), om te proberen het stoffelijk overschot van [slachtoffer] te verbranden (feit 2).
(…)
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte verklaard heeft dat hij geweigerd heeft te helpen met het in brand steken van het chalet. Zijn auto en de jerrycan zijn zonder zijn medeweten door de medeverdachte(n) meegenomen. Dit alternatieve scenario is niet onaannemelijk en wordt niet door de overige bewijsmiddelen weerlegd. De verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] zijn wisselend en tegenstrijdig. Bovendien is gebruik van deze verklaringen in strijd met de Vidgen-jurisprudentie. Ook indien de verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] betrouwbaar worden geacht sluiten deze verklaringen de verklaring van verdachte niet uit.
Het oordeel van het hof
(…)
Het hof is van oordeel dat het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde, de medeplichtigheid, wel wettig en overtuigend bewezen is. Het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 subsidiaire en 2 subsidiair tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daartoe het volgende.
Kern van het verweer van de verdediging is dat de medeverdachten de auto en de jerrycan van verdachte zonder zijn medeweten en medewerking hebben meegenomen.
Ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde verklaren [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] echter belastend voor verdachte. Het hof acht deze verklaringen, zoals hierna nog zal worden overwogen, zowel betrouwbaar als bruikbaar voor het bewijs. De stelling van de verdediging dat de verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] de verklaring van verdachte niet uitsluiten is naar het oordeel van het hof onjuist, zoals blijkt uit de volgende weergave.
[medeverdachte 2] verklaart dat verdachte zijn auto heeft aangeboden voor de brandstichting, dat hij [medeverdachte 2] bij het voetbalveld de sleutel van de auto en een tientje om te tanken heeft gegeven, en dat [medeverdachte 3] , die contact had met haar broer, vertelde waar in de schuur van verdachte een jerrycan met benzine stond. [betrokkene 1] verklaart dat bij verdachte thuis is besproken dat er iemand in het chalet van [medeverdachte 3] lag, en dat verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met de oplossing kwamen dat de brand er in moest. Verdachte had benzine in zijn schuur staan en die kon meegenomen worden, en de auto kon worden opgehaald bij het werk van verdachte.
Het hof acht als gezegd deze verklaringen betrouwbaar. [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] hebben ook zichzelf, in veel grotere mate dan verdachte, belast. In dat licht is er voor hen geen reden om de rol van verdachte groter te maken dan die in werkelijkheid was. Hun verklaringen ondersteunen elkaar en ze worden bovendien op meerdere punten ondersteund. Zo volgt uit de verklaring van [medeverdachte 3] dat er inderdaad gezegd is dat “de fik erin moest” en dat het zou kunnen dat zij dit gezegd heeft. Verdachte heeft, hoewel hij dat later heeft tegengesproken, verklaard dat hij wist dat er een dode man in het chalet lag.
Uit het dossier blijkt ook dat er zoals door [medeverdachte 2] is verklaard voor een klein bedrag is getankt met de auto van verdachte. Voor dat tanken is weliswaar betaald met een pinpas, maar het gepinde bedrag komt ongeveer overeen met het bedrag dat hij volgens [medeverdachte 2] van verdachte heeft gekregen om te tanken.
Vidgen
Zoals hiervoor is vastgesteld, acht het hof de verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] over de rol van verdachte bij het tenlastegelegde betrouwbaar. Het hof dient thans te beoordelen of de verklaringen, zoals de raadsman heeft betoogd, op grond van de Vidgen-problematiek, moeten worden uitgesloten van het bewijs. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is. Het overweegt daartoe als volgt.
Het hof overweegt dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat op grond van artikel 6 van Pro het EVRM de verdediging aanspraak heeft op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel – indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd – het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.
Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van – kort gezegd – een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuigenis van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.
Het hof stelt vast dat de verdediging ten aanzien van de getuigen [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om hen te ondervragen. De vraag waar het hof zich vervolgens voor gesteld ziet, is of een bewezenverklaring in beslissende mate zou steunen op de verklaring van een getuige die de verdediging niet heeft kunnen ondervragen. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is.
Bijzonder in deze zaak is dat het gaat om de belastende verklaringen van twee medeverdachten, die zich bij de ondervraging door de verdediging op hun verschoningsrecht hebben beroepen. Naar het oordeel van het hof verzet de Vidgen-jurisprudentie zich niet tegen het gebruik van de verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] . Het betreft immers niet één, maar twee zelfstandige, belastende verklaringen, die elkaar over en weer ondersteunen en die, zoals hiervoor uiteengezet is, op meerdere punten worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. De betrokkenheid van verdachte wordt daarnaast ondersteund door de verkeersgegevens, waaruit blijkt dat er op de bewuste dag veelvuldig telefonisch contact is tussen verdachte en [medeverdachte 3] , waaronder 14 keer tussen 19:30 uur en 21:41 uur, ook wanneer verdachte aan het werk is op de voetbalclub en de auto wordt opgehaald. Uit het dossier volgt ook dat [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] met de auto van verdachte naar het chalet van [medeverdachte 3] zijn gereden, en de brand hebben gesticht met behulp van de jerrycan die zij uit het schuurtje van verdachte hebben gehaald. De auto is vervolgens weer teruggebracht.
Conclusie
Het hof stelt vast dat verdachte wist dat er een dode man in het chalet van [medeverdachte 3] lag, dat hij betrokken was bij het maken van het plan om brand te stichten en dat hij daarvoor zijn auto en een jerrycan met brandbare vloeistof ter beschikking heeft gesteld. Het hof acht de bijdrage van verdachte van onvoldoende gewicht om te kunnen spreken van medeplegen en zal verdachte daarom als gezegd vrijspreken van het primair ten laste gelegde. Met zijn handelen heeft verdachte zich naar het oordeel van het hof schuldig gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde, te weten de medeplichtigheid aan de brandstichting en aan de poging tot het wegmaken van het lijk.
Ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde brandstichting is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat niet vast is komen te staan dat door de brandstichting levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan. Het hof zal verdachte daarom in zoverre vrijspreken.”
9. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 december 2018 blijkt dat de verdachte daar (samengevat) onder meer het volgende heeft verklaard. De zus van de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] zijn bij hem thuis geweest. Zijn zus zei dat ze de auto van de verdachte nodig had. Er was een conflict over drugs, er was een vechtpartij geweest en ze moest de spullen (bloed) opruimen. De verdachte heeft gezegd dat hij er niets mee te maken wilde hebben. Hij wilde niet in het verhaal betrokken worden en heeft de auto niet uitgeleend. Hij is toen naar de patatzaak gegaan, heeft bij zijn schoonouders gegeten en is naar de voetbalclub gegaan. De verdachte heeft [medeverdachte 2] , anders dan deze verklaart, geen autosleutels en tien euro gegeven. De zus van de verdachte maakte bij hem schoon, een keer per week en al een paar jaar. Daarom had ze de sleutels en wist ze alles te liggen. Ze is alleen naar boven en naar beneden gegaan, dus ze heeft de sleutels kunnen pakken. De sleutel moet bij de reservesleutels hebben gelegen, in een la. De verdachte heeft geen brandvloeistof aan de medeverdachten ter beschikking gesteld, aldus de verdachte.
10. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 december 2018 houdt voorts in dat de raadsman van de verdachte overeenkomstig zijn pleitnota het woord tot verdediging heeft gevoerd. De raadsman voert een bewijsverweer, dat in de kern inhoudt dat de verdachte geen enkele medewerking heeft verleend en zich heeft gedistantieerd van de plannen van zijn zus. De desbetreffende pleitnota houdt onder meer de volgende, samengevatte lezing van de feiten in:
“(…)
Op 14 maart 2014 is er meerdere malen contact tussen cliënt en zijn zus [medeverdachte 3] . Zij wilde hem spreken. Cliënt was aan het werk en kon haar op dat moment niet te woord staan. Dat meldt hij haar telefonisch maar ook als zij hem opzoekt op zijn werk. Als hij klaar is met zijn werk vindt er weer telefonisch contact plaats en rijdt hij naar de [j-straat] , waar [betrokkene 1] op dat moment in de nabijheid woont. Zijn zus is op dat moment bij [betrokkene 1] . Na enig op en neer bellen rijdt cliënt naar huis. Tijdens zijn rit naar huis wordt er wederom gebeld en wordt afgesproken dat zijn zus naar zijn huis komt. Zij komt samen met [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] naar zijn woning. Bij hem thuis wordt gezegd dat er een drugsruzie is geweest in een chalet. Er zou bloed zijn en dat moet worden opgeruimd. Zijn zus vraagt of hij wil helpen met het opruimen en of zijn zus zijn auto mag lenen. Cliënt weigert dit. Ook nadat [medeverdachte 3] hierop aandringt, als zij met cliënt mee naar boven gaat, weigert cliënt zijn auto uit te lenen. Hij wil geen betrokkenheid. Hij wil er niets mee te maken hebben. Hij weigert medewerking.
In zijn woning oppert zijn zus dat alles in de fik moet. Maar zoals gezegd: cliënt weigert, hij wil er niets mee te maken hebben. Hij distantieert zich van het hele gebeuren. Hij gaat naar boven om te douchen. Vervolgens gaat cliënt naar zijn schoonouders om te eten en iets later naar de voetbalclub in Hulshorst. Hij staat daar achter de bar. Cliënt neemt zijn auto mee. Hij weet niet of hij zijn auto, waarvan de achterdeur niet dicht kan, heeft afgesloten. Terwijl hij aan het werk is neemt zijn zus wederom telefonisch contact met hem op. Uit de analyse blijkt dat dit om 19.33 uur is.
Ten tijde van zijn voorgeleiding bij de RC verklaart cliënt over dit contact om 19.33 uur: Zijn zus belt en vraagt nogmaals om zijn auto. Cliënt weigert wederom. Hierna, zoals ook blijkt uit de analyse historische verkeersgegevens, probeert zijn zus diverse malen met cliënt telefonisch in contact te komen door hem te bellen. Er vindt echter géén contact tussen beiden plaats. Na de herhaalde weigering van cliënt krijgt zijn zus hem kennelijk niet meer te pakken. Ze blijft echter bellen.
In dit kader merk ik alvast op dat de overweging van de rechtbank inhoudende dat cliënt geen afdoende verklaring heeft gegeven met betrekking tot de 14 contacten tussen de telefoon van cliënt en die van zijn zus tussen 19.30 uur en 21.41 uur, onbegrijpelijk is. Uit deze registraties blijkt dat er géén contact is geweest, maar dat [medeverdachte 3] probeert om cliënt te bereiken. Welke verklaring zou cliënt dan over deze 14 contacten moeten geven? Dat kan hij toch niet. Het lijkt erop dat zijn zus het er kennelijk niet mee eens is dat zij zijn auto niet mag gebruiken. Ik kom er nog op terug.
Pas om 21.41 uur is er telefonisch contact tussen cliënt en zijn zus. De reden van dit gesprek weet cliënt niet meer. Hij kan het gesprek niet meer heugen zo verklaart hij bij de politie. Cliënt staat nog steeds achter de bar bij de voetbalclub en hij wordt gebeld door zijn voormalige vriendin, [betrokkene 10] , die hem vertelt dat er brand is geweest in het chalet van [medeverdachte 3] . Hij komt er achter dat zijn auto is meegenomen en hij trekt dan uiteraard de conclusie dat [medeverdachte 3] dit moet hebben gedaan. Hij is kwaad en belt zijn zus. Hij eist zijn auto terug.
(…)
Niet zonder redelijke twijfel is uit te sluiten dat cliënt geen medewerking en geen betrokkenheid heeft gehad bij de brandstichting en de poging tot het wegmaken van het lichaam. Zijn alternatieve lezing is niet bij voorbaat niet-aannemelijk en wordt niet voldoende weersproken door de bewijsmiddelen in het dossier.(…)”
11. In aanvulling op zijn pleitnota heeft de raadsman onder meer nog het volgende aangevoerd:
“Verdachte heeft zich onder meer op het zwijgrecht beroepen omdat ik in het buitenland zat.
De contacten op het werk van verdachte zijn heel kort. Er wordt steeds geprobeerd contact te maken, maar dat komt niet tot stand.
Ik heb verzocht om [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] over hun verklaringen te bevragen. De bewezenverklaring van de rechtbank is in grote, zo niet beslissende mate, gebaseerd op die verklaringen. Daarom wenst de verdediging hen te bevragen. Op zitting is dat geprobeerd, maar ze hebben gebruik gemaakt van hun verschoningsrecht. Er is geen sprake van een effectief ondervragingsrecht. (…) cliënt heeft zelf verklaard dat hij wist dat er iets is gebeurd. Hij heeft nooit verklaard dat hij wist dat er een dode man lag. Concluderend stel ik dat de veroordeling van cliënt in beslissende mate steunt op de verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] .
In aanvulling op pagina zeven van mijn pleitnota: uit het dossier blijkt dat er is getankt met een pinpas, dus waarom zou cliënt dan een briefje van € 10,- aan [medeverdachte 2] geven?”
12. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Op grond van art. 6, derde lid, aanhef en onder d, EVRM heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om een getuige in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. In arresten van 4 juli 2017 heeft de Hoge Raad, mede tegen de achtergrond van de uitspraak van de Grote Kamer van het EHRM in de zaak
Schatschaschwili tegen Duitsland,het kader uiteengezet op grond waarvan de strafrechter dient te beoordelen of het gebruik voor het bewijs van getuigenverklaringen in dit opzicht verenigbaar is met art. 6 EVRM Pro. [3] Uitgangspunt is dat de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid niet eraan in de weg staat dat een door de niet-ondervraagde getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk strafproces. Aan die eisen kan in het bijzonder zijn voldaan doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd, dan wel – indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd – doordat het ontbreken van een mogelijkheid tot ondervraging van die getuige in voldoende mate wordt gecompenseerd. [4]
13. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] opzettelijk behulpzaam is geweest bij de brandstichting en de poging het stoffelijk overschot te verbranden door zijn auto ter beschikking te stellen om [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] in de gelegenheid te stellen zich te verplaatsen naar/van het chalet waar het stoffelijk overschot van [slachtoffer] lag, en dat hij een jerrycan gevuld met benzine aan [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] beschikbaar heeft gesteld, zodat zij het chalet in brand konden steken waar het stoffelijk overschot zich bevond. De bewezenverklaring steunt onder meer op de verklaringen van [medeverdachte 2] (bewijsmiddel 1) en [betrokkene 1] (bewijsmiddelen 2 en 3).
14. De zaak tegen de verdachte is in hoger beroep op 4 december 2018 gelijktijdig - maar niet gevoegd - behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 3] , [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] . Het hof heeft het onderzoek ter terechtzitting in de zaken tegen [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] onderbroken, waarna zij als getuigen zijn gehoord in de zaak tegen de verdachte. Beide getuigen hebben zich bij elke vraag die aan hen werd gesteld op hun verschoningsrecht beroepen. De raadsman van de verdachte heeft vervolgens ten aanzien van beide getuigen te kennen gegeven dat hij, gezien hun proceshouding, geen verdere vragen heeft, maar dat hij geen afstand doet van de getuigen.
15. In de situatie dat de getuige zich van het geven van een getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen verschoont op grond van een daartoe door de wet gegeven bevoegdheid en de getuige dientengevolge weigert antwoord te geven op de vragen die de verdediging hem stelt of doet stellen, ontbreekt een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging. [5] Het hof heeft dat niet miskend. Het hof heeft vastgesteld dat de verdediging ten aanzien van de getuigen [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om hen te ondervragen. Het hof heeft zich vervolgens de vraag gesteld of een bewezenverklaring in beslissende mate zou steunen op de verklaring van een getuige die de verdediging niet heeft kunnen ondervragen. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is.
16. Het middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de getuigenverklaringen van (medeverdachten) [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] toch voor het bewijs kunnen worden gebruikt omdat deze steun vinden in elkaar, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. De schending van het ondervragingsrecht wordt daardoor immers niet opgeheven, aldus de stellers van het middel. Beide getuigen konden immers niet ondervraagd worden.
17. De stellers van het middel leggen hier de vinger op de zere plek. Mijn ambtgenoot Aben merkt in dit verband op dat de
sole or decisive rulevan toepassing is op “de
untested evidencein zijn totaliteit”. [6] Ook mijn voormalig ambtgenoot Knigge stelt dat volgens het EHRM
untested evidenceniet meetelt als steunbewijs. [7] Voor die opvatting is steun te vinden in de rechtspraak van het EHRM. Ik noem drie arresten. In de eerste plaats is het arrest van het EHRM in de zaak
Hümmer tegen Duitslandillustratief. [8] In die zaak hadden familieleden van de verdachte belastende verklaringen afgelegd, die voor het bewijs werden gebruikt. De familieleden beriepen zich vervolgens op hun verschoningsrecht. Het EHRM paste in deze zaak de
sole or decisive ruletoe op de
untested evidenceals geheel en niet op de verklaringen van iedere afzonderlijke getuige. Dit arrest staat niet op zichzelf. Ook in de zaak
Schatschaschwili tegen Duitslandwas sprake van belastende verklaringen van twee getuigen, die niet door de verdediging konden worden ondervraagd. [9] De verklaringen ondersteunden elkaar over en weer, maar de Grote Kamer van het EHRM betrok die omstandigheid niet in de beoordeling of sprake was van steunbewijs. Daarin ligt eveneens besloten dat voor het EHRM
untested evidenceniet meetelt als steunbewijs. Dat was voor het EHRM kennelijk zo vanzelfsprekend, dat daaraan geen specifieke overwegingen werden gewijd. Ten slotte wijs ik op het arrest van het EHRM in de zaak
Oddone en Pecci tegen San Marino. [10] In die zaak waren twee belastende verklaringen van medeverdachten tot het bewijs gebezigd, zonder dat deze als getuigen door de verdediging waren ondervraagd. De nationale rechter had zijn oordeel over het beschikbare steunbewijs gemotiveerd. Het EHRM oordeelde “that since L. and G. were the only eyewitnesses to the offence in question, their testimony could be considered decisive”. Ook uit deze overweging blijkt dat het EHRM niet beoordeelt of de twee verklaringen elkaar over en weer ondersteunen, maar of er
naastbeide verklaringen voldoende steunbewijs is.
18. Het hof heeft het voorafgaande miskend en in zoverre blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft immers bij de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op een verklaring van een getuige die niet kon worden ondervraagd betrokken dat het “niet één, maar twee zelfstandige, belastende verklaringen (betreft), die elkaar over en weer ondersteunen”.
19. Het hof heeft echter ook overwogen dat de verklaringen “op meerdere punten worden ondersteund door andere bewijsmiddelen”. Indien dit oordeel de begrijpelijkheidstoets kan doorstaan en daaruit kan worden afgeleid dat de bewezenverklaring niet in beslissende mate steunt op
untested evidenceals geheel, zou cassatie achterwege kunnen blijven. In dat verband wijs ik op het volgende.
20. Het hof verwijst in het kader van de beoordeling van het steunbewijs naar zijn overwegingen (“zoals hiervoor uiteengezet”) die betrekking hebben op het oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de medeverdachten [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] . Volgens vaste rechtspraak geldt echter in het algemeen dat voor de beoordeling of voldoende steunbewijs aanwezig is niet kan worden volstaan met een op de betrouwbaarheid van de verklaring van de desbetreffende getuige toegesneden overweging. [11] Voorts roep ik in herinnering dat het steunbewijs betrekking zal moeten hebben op die onderdelen van de verklaringen van de getuige(n) die de verdachte betwist.
21. Tegen die achtergrond schiet de motivering van het hof tekort. Het hof verwijst naar de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 3] , voor zover inhoudende dat er inderdaad is gezegd dat “de fik erin moest” en dat het zou kunnen dat zij dat heeft gezegd (bewijsmiddel 9). Die verklaring biedt echter geen steun aan de door de verdachte
betwisteonderdelen van de verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] . De raadsman heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat ook in de lezing van de verdachte zijn zus heeft geopperd dat “alles in de fik moet”. Kern van het betoog van de verdediging is dat de verdachte daarbij niet opzettelijk behulpzaam is geweest. In de weergave van het standpunt van de verdediging in het bestreden arrest wordt in deze lijn gewezen op de lezing van de verdachte, inhoudende dat hij heeft geweigerd te helpen met het in brand steken van het chalet. Bestreden wordt dat de verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij het in brand steken van het chalet door een auto en een jerrycan met benzine aan de medeverdachten [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] ter beschikking te stellen. In dit opzicht levert de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 3] , voor zover inhoudende “dat er inderdaad is gezegd dat “de fik erin moest” en dat het zou kunnen dat zij dat heeft gezegd” (bewijsmiddel 9), geen steunbewijs op.
22. Het hof overweegt dat de betrokkenheid van de verdachte wordt ondersteund door de verkeersgegevens, waaruit blijkt dat er op de bewuste dag veelvuldig telefonisch contact is geweest tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 3] , waaronder veertien keer tussen 19.30 uur en 21.41 uur. De stellers van het middel merken terecht op uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt dat sprake is geweest van ‘veelvuldig telefonisch contact’, omdat de bewijsmiddelen ter zake niets inhouden. Bestudering van het dossier leert dat de overweging van het hof kennelijk is gebaseerd op het proces-verbaal van bevindingen analyse historische verkeersgegevens ten aanzien van het telefoonnummer [0007] in gebruik bij verdachte [verdachte] . [12] Uit (hierboven niet geciteerde passages uit) de pleitnota van de raadsman van de verdachte volgt evenwel dat hij heeft aangevoerd dat uit de daarin vermelde registraties juist blijkt dat er in dit tijdvak geen telefonisch contact is geweest, maar dat de zus van de verdachte hem een aantal keren heeft trachten te bereiken, terwijl er pas om 21.41 uur daadwerkelijk telefonisch contact tussen beiden is. Het hof heeft op dit betoog niet gereageerd, terwijl de bewijsmiddelen ter zake niets inhouden en voor een verdere duiding van de niet in de bewijsmiddelen opgenomen passages uit het dossier in cassatie geen plaats is.
23. Het hof overweegt ten slotte dat “uit het dossier” volgt dat [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] met de auto van de verdachte naar het chalet van [medeverdachte 3] zijn gereden en de brand hebben gesticht met behulp van de jerrycan die zij uit het schuurtje van de verdachte hebben gehaald. [13] De algemene verwijzing naar “het dossier” biedt geen voldoende nauwkeurige omschrijving van het steunbewijs het hof in dit verband op het oog heeft. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen bieden ter zake evenmin duidelijkheid. Zelfs als wel duidelijk zou zijn waarop het hof doelt, gaat het in dit opzicht evenmin om onderdelen van de verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] die de verdachte betwist. Zoals het hof zelf samenvat, is de kern van het verweer immers dat de medeverdachten de auto en de jerrycan van de verdachte zonder zijn medeweten en medewerking hebben meegenomen. Ook de overweging dat uit “het dossier” blijkt dat voor een klein bedrag is getankt met de auto van de verdachte en dat voor dat tanken met een pinpas is betaald, maar dat dit bedrag ongeveer overeenkomt met het bedrag dat [medeverdachte 2] volgens hem – contant - van de verdachte heeft gekregen om te tanken, vindt geen steun in de door het hof in de aanvulling gebezigde bewijsmiddelen en kan het oordeel van het hof dat de bewezenverklaring niet in beslissende mate steunt op de verklaringen van [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] niet dragen. [14]
24. Op grond van het voorafgaande kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven. Het hof heeft bij de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op een verklaring van een getuige die niet kon worden ondervraagd, betrokken dat het “niet één, maar twee zelfstandige, belastende verklaringen (betreft), die elkaar over en weer ondersteunen” en heeft in zoverre blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Overigens acht ik het oordeel van het hof dat de bewezenverklaring niet in beslissende mate steunt op de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] niet begrijpelijk. Het hof heeft door middel van algemene verwijzingen naar “het dossier” verzuimd voldoende nauwkeurig aan te geven welk steunbewijs het op het oog heeft, terwijl zulks evenmin uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt. Het steunbewijs dat het hof kennelijk op het oog heeft, heeft voorts onvoldoende betrekking op de onderdelen van de verklaringen van [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] die de verdachte betwist.
25. Het middel slaagt.
26. Het
tweede middelhoudt de klacht in dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
27. Op 5 februari 2019 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. De stukken zijn op 22 januari 2020 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden en dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. De Hoge Raad kan het middel evenwel onbesproken laten, omdat het eerste middel slaagt en de zaak zal moeten worden teruggewezen. Bij die gelegenheid kan de overschrijding van de redelijke termijn aan de orde worden gesteld.

Slotsom

28. Beide middelen slagen.
29. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
30. Deze conclusie strekt tot vernietiging de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

2.Het hof overweegt in het bestreden arrest dat het heeft geconstateerd dat in de tenlastelegging “van zowel feit 1 als feit 2 de pleegdatum en de pleegplaats van de tenlastegelegde medeplichtigheidshandelingen ontbreken. Nu uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting duidelijk blijkt dat de medeplichtigheidshandelingen in dezelfde periode (13-14 maart 2014) in Nederland zijn gepleegd als de brandstichting, zal het hof hieraan geen consequenties verbinden. Het hof betrekt in zijn overwegingen hiertoe dat op geen enkel moment, niet in eerste aanleg en niet in hoger beroep, hier door de verdediging een punt van gemaakt is, terwijl het gaat om een gebrek dat bij een eventuele nieuwe behandeling van de zaak eenvoudig hersteld zou kunnen worden.”
3.HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016,
4.Vgl. ook HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:123,
5.HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1017,
6.Vgl. zijn conclusie voorafgaand aan HR 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:227,
7.Conclusie voorafgaand aan HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016 (ECLI:NL:PHR:2017:573), onder 5.7. Zie in deze zin ook B. de Wilde,
8.EHRM 19 juli 2012, nr. 26171/07.
9.EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10,
10.EHRM 17 oktober 2019, nrs. 26581/17 en 31024/17, NJ 2020/186, m.nt. Vellinga (
11.Vgl. bijvoorbeeld HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016,
12.Proces-verbaal van bevindingen analyse historische verkeersgegevens van 14 maart 2014 m.b.t. het telefoonnummer [0007] in gebruik bij [verdachte] (p. 4020 van het dossier).
13.Ook overweegt het hof dat de verdachte “hoewel hij dat later heeft tegengesproken, (heeft) verklaard dat hij wist dat er een dode man in het chalet lag”. Deze overweging vindt geen steun in de in de aanvulling opgenomen bewijsmiddelen, terwijl deze geen betrekking heeft op de door de verdediging bestreden opzettelijke behulpzaamheid aan de feiten door de bewezen verklaarde gedragingen.
14.Ook in dit verband moet ver achter de papieren muur worden gekeken. Op p. 1211 van het dossier staat vermeld dat “uit de bankgegevens van [betrokkene 1] blijkt dat er (op vrijdag 14 maart 2014) inderdaad voor 15,01 euro is getankt in Scherpenzeel-Hulshorst”. Daarbij gaat het aldus om een