Conclusie
werknemers/NXP [1] gaat het om een sociaal plan dat een zogenoemde ‘aftoppingsregeling’ bevat, op grond waarvan de ontslagvergoeding van boventallig verklaarde werknemers wordt beperkt tot het bedrag aan inkomensderving tot aan hun ‘individuele pensioenleeftijd’. Heeft de werknemer op het moment van zijn ontslag die leeftijd al bereikt, dan wordt zijn ontslagvergoeding ‘afgetopt’ tot nihil. Deze zaak heeft tevens raakvlakken met zaak 18/04082 (
NPB en VBM/ABP), waarin ik eveneens vandaag mijn conclusie neem.
1.Feiten
[verweerder]), geboren op [geboortedatum] 1952, is op 1 juli 1981 bij eiseres tot cassatie (hierna:
ABN AMRO) in dienst getreden. Hij was laatstelijk werkzaam in de [functie] tegen een salaris van € 5.163,68 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.
het sociaal plan). [4] Het sociaal plan is overeengekomen tussen ABN AMRO enerzijds en de vakbonden FNV Finance, De Unie en CNV Dienstenbond anderzijds.
Salaris(…) tot de datum waarop de
Medewerkerop grond van de Pensioenregeling 2006 een pensioenuitkering krijgt die gelijk is aan de pensioenuitkering, berekend volgens de Pensioenregeling 2000, die hem zou zijn uitbetaald als hij onder de Pensioenregeling 2000 op 62 jaar met pensioen zou zijn gegaan. (…).”
de aftoppingsregeling’.
de individuele pensioenleeftijd’. Dit is de leeftijd waarop een werknemer een volledig pensioen heeft opgebouwd op basis van de eerder geldende pensioenregeling. De individuele pensioenleeftijd moet worden onderscheiden van de reguliere pensioenleeftijd, die overeenkomt met de AOW-leeftijd.
2.Procesverloop
de kantonrechter). [verweerder] heeft de kantonrechter verzocht om ABN AMRO te veroordelen tot betaling van:
primaireen ontslagvergoeding van € 230.775,-- bruto (zijnde 75% van de stimuleringspremie);
subsidiaireen transitievergoeding van € 87.588,-- bruto;
meer subsidiaireen bedrag van € 62.227,61 bruto wegens inkomstenderving tot aan zijn AOW-leeftijd; en
uiterst subsidiaireen bedrag van € 34.000,-- bruto ter zake van gemiste pensioenopbouw.
WGBLA). [9] ABN AMRO heeft betwist dat hier sprake is van een verboden leeftijdsonderscheid en aangevoerd dat de aftoppingsregeling een legitiem doel dient en een passend en noodzakelijk middel vormt om dat doel te bereiken.
ongeoorloofdonderscheid naar leeftijd maakt of dat er voor het gemaakte onderscheid een objectieve rechtvaardiging bestaat.
het hof). Zij heeft het hof verzocht die beschikkingen te vernietigen en de verzoeken van [verweerder] alsnog (integraal) af te wijzen. [verweerder] heeft geen incidenteel appel ingesteld.
€5.132,-- bruto per maand. Het inkomensverschil tussen zijn laatstgenoten salaris en een WW-uitkering zou over die periode € 59.563,63 hebben bedragen en zijn totale pensioenschade ten gevolge van het feit dat hij dat op 1 september 2016 heeft laten ingaan in plaats van op 1 november 2017 bedraagt € 31.085,88 (…).”
3.Juridisch kader
werknemers/NXP. [16] Hieronder volsta ik met een samenvatting.
de Richtlijn) beoogt een algemeen kader te scheppen om voor eenieder gelijke behandeling in arbeid en beroep te waarborgen door effectieve bescherming te bieden tegen discriminatie op een van de in art. 1 van Pro de Richtlijn genoemde gronden, waaronder leeftijd. De Richtlijn is in Nederland wat betreft leeftijdsonderscheid geïmplementeerd met de WGBLA.
objectief en redelijk worden gerechtvaardigd” door een legitiem doel, “
met inbegrip van legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding”. Naast de eis van het legitieme doel geldt de dubbele voorwaarde dat de ingezette middelen voor het bereiken van dat doel passend én noodzakelijk zijn.
Hof van Justitie,afgekort
HvJEU).
niet kennelijk ongeschiktis. [20] Het middel moet concreet en specifiek zijn: eenvoudige, algemene verklaringen dat een bepaalde maatregel geschikt is om het beoogde doel te bereiken, volstaan niet. [21]
verder gaat dan noodzakelijkis voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel en niet op
excessieve wijze afbreuk doetaan de belangen van de personen die op grond van de maatregel anders worden behandeld. Daarbij dient rekening te worden gehouden zowel met het
nadeeldat daaraan kleeft voor de betrokken personen als met het
voordeeldaarvan voor de samenleving in het algemeen en voor de individuen waaruit zij bestaat. [22] Er dient dus een belangenafweging te worden gemaakt.
4.Bespreking van het cassatiemiddel van ABN AMRO
leeftijdvan de werknemer is, maar
diens inkomensdervingtot aan zijn individuele pensioenleeftijd in combinatie met de hoogte van zijn stimuleringspremie. Volgens ABN AMRO betreft dit een (ogenschijnlijk) neutraal criterium, dat personen met een bepaalde leeftijd in vergelijking met andere personen bijzonder treft, zoals bedoeld in art. 1, onder c, WGBLA. Volgens haar is er geen sprake van een direct, maar slechts van een indirect leeftijdsonderscheid. ABN AMRO meent dat het hof ook de ‘lichtere’ rechtvaardigingstoets van art. 2 lid Pro 2, onder b, van de Richtlijn heeft toegepast.
voor vrijwel iedereen ergens tussen de 62 en 63 jaar.” [27] Dit betekent het volgende:
subonderdeel 2.1klaagt ABN AMRO dat deze overweging berust op een onbegrijpelijke lezing van haar stellingen. Volgens ABN AMRO heeft zij betoogd dat de rechter, gelet op de ruime beoordelingsvrijheid die toekomt aan sociale partners, terughoudend dient te toetsen of sprake is van een passend en noodzakelijk middel. Het hof heeft dit betoog op onbegrijpelijke wijze opgevat als een verbod op toetsing door de rechter.
niet kennelijk ongeschiktis voor het bereiken van de legitieme doelen die daarmee worden nagestreefd (zie hiervoor, 3.7). Met betrekking tot het criterium ‘noodzakelijk’ had het hof onder meer moeten beoordelen of de aftoppingsregeling
op excessieve wijze afbreuk doetaan de belangen van de daardoor benadeelden (zie hiervoor, 3.8). De rechter dient de door (de wetgever of door) de sociale partners gemaakte keuzes terughoudend te toetsen. Het Hof van Justitie heeft overwogen (zie ook reeds hiervoor, 3.9): [30]
Ingeniørforeningen i Danmark, EU:C:2010:600, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”
en noodzakelijkmiddel is. In de laatste zin van rov. 3.10 zegt het hof (slechts) dat de regeling
niet passendis en zwijgt het over noodzakelijkheid, terwijl de gegeven motivering juist meer op het criterium ‘noodzakelijk’ ziet. Over de aftopregeling overweegt het hof, samengevat, namelijk het volgende:
Stichting Diakonessenhuis. Daarin overwoog uw Raad dat de wettelijke uitsluiting van een transitievergoeding voor werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt: [33]
subonderdeel 2.3dat het hof in rov. 3.10 de aftoppingsregeling geïsoleerd heeft beoordeeld en daarmee heeft miskend dat (de geoorloofdheid van) de aftoppingsregeling had moeten worden beoordeeld in de bredere regelingscontext van (i) het sociaal plan als geheel en (ii) de door ABN AMRO getroffen en bekostigde pensioenmaatregelen. Indien het hof deze bredere regelingscontext niet heeft miskend, is het oordeel van het hof volgens ABN AMRO onvoldoende gemotiveerd. De overwegingen van het hof dat oudere werknemers met een lang dienstverband door de aftoppingsregeling “
onevenredig hard” worden getroffen en “
in feite niets” krijgen, zijn volgens ABN AMRO onbegrijpelijk.
onevenredig hard” worden getroffen en “
in feite niets” krijgen, niet goed te plaatsen. [41]
subonderdeel 2.4, voor zover die niet ook in subonderdeel 2.3 aan de orde werden gesteld, falen. Het hof heeft in rov. 3.10 overwogen dat de extra pensioenstorting ten behoeve van “
alle werknemers” niet het aftoppen van de stimuleringspremie van “
enkele werknemers” rechtvaardigt. Anders dan ABN AMRO betoogt, meen ik dat deze overweging in het licht van de gedingstukken niet ontoereikend is gemotiveerd. ABN AMRO heeft in hoger beroep betoogd dat de pensioenstorting is gebruikt om (i)
alleopgebouwde pensioenaanspraken met drie jaar te vervroegen en (ii) voor
allewerknemers tijdelijk ouderdomspensioen (‘TOP’) aan te kopen. [42] Gelet op die stellingen is het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft overwogen dat – in verhouding tot
allewerknemers van ABN AMRO [43] – slechts “
enkele werknemers” [44] (a) in de reorganisatie boventallig zijn verklaard en (b) in dat kader te maken hebben gekregen met aftopping van de stimuleringspremie.
relatief klein” is. [45]
allewerknemers is gedaan en de pensioenstorting daarom niet als rechtvaardiging voor het leeftijdsonderscheid van een beperkte groep oudere werknemers kan gelden.
subonderdeel 2.5dat het hof in rov. 3.10 heeft miskend dat de passendheid en noodzakelijkheid van de aftoppingsregeling dienen te worden beoordeeld
in het licht vande legitieme doelstellingen die de aftoppingsregeling nastreeft. Het hof heeft in plaats daarvan in algemene zin beoordeeld of de gevolgen van die regeling voor de werknemers van wie de stimuleringspremie wordt afgetopt, redelijk zijn te achten. [47] Indien het hof dit niet heeft miskend, heeft het hof zijn oordeel op dit punt volgens ABN AMRO onvoldoende gemotiveerd.
de aftoppingsregelingzijn (zie rov. 3.6, vierde en vijfde volzin):
het bewerkstelligen van een eerlijke verdeling van de beschikbare middelen onder alle bij het ontslag betrokkenen”, te bereiken. Het hof heeft de passendheid en noodzakelijkheid van de aftoppingsregeling dus getoetst aan de (algemene) doelstelling van het sociaal plan – die woordelijk gelijk is aan de tweede doelstelling van de aftoppingsregeling (zie rov. 3.6, derde volzin) – en niet (ook) aan de eerste en derde doelstelling van die regeling, terwijl ABN AMRO in hoger beroep had aangevoerd dat de aftoppingsregeling juist “
rechtstreeks” voortvloeit uit het als
derdegenoemde doel van de stimuleringspremie, te weten inkomensbescherming voor hen die dat het hardste nodig hebben.
allemet de aftoppingsregeling beoogde legitieme doelen te toetsen heeft het hof miskend dat de aftoppingsregeling een passend en noodzakelijk middel kan vormen voor het bereiken van (een deel van) de als legitiem beoordeelde doelstellingen van de aftoppingsregeling.