Uitspraak
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
18 december 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een vordering van [X] tegen het ING Pensioenfonds over de toepassing van een kortingsregeling in het pensioenreglement die een nabestaandenpensioen vermindert als de partner meer dan tien jaar jonger is dan de deelnemer. De Commissie Gelijke Behandeling oordeelde dat deze regeling een verboden indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen inhoudt.
De rechtbank en het hof Amsterdam verwierpen de vordering van [X], stellende dat de regeling een legitiem doel dient, namelijk het beperken van solidariteit binnen het pensioenfonds, en dat de regeling geschikt en noodzakelijk is om dit doel te bereiken. Het hof wees daarbij op de arbeidsvoorwaardenoverleg tussen cao-partijen en de terughoudendheid van de rechter bij het toetsen van dergelijke regelingen.
De Procureur-Generaal stelde cassatie in het belang der wet in, stellende dat het hof ten onrechte de rechter beperkte in zijn toetsing en dat het pensioenfonds onvoldoende bewijs had geleverd dat de regeling proportioneel en subsidiariteit voldoet. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof, benadrukt het fundamentele belang van gelijke behandeling en dat de rechter zelfstandig alle relevante omstandigheden moet betrekken bij de toetsing. Het pensioenfonds moet aantonen dat de regeling objectief gerechtvaardigd is met concrete gegevens over de kosten en effecten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onvoldoende bewijs van proportionaliteit en subsidiariteit van de kortingsregeling.