Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primairde coniferenhaag binnen 14 dagen te verwijderen, op straffe van een dwangsom althans
subsidiairte gehengen en te gedogen dat [verweerder] de coniferenhaag zelf verwijdert op kosten van [eisers] ;
primairde kadastrale grens,
subsidiair(in geval van verkrijgende verjaring) de door verjaring ontstane nieuwe erfgrens onder de coniferenhaag. [4]
primairde coniferenhaag van de juridische erfgrens te verwijderen, althans deze terug te plaatsen tot op een afstand van minimaal 2 meter van die erfgrens, op straffe van een dwangsom, althans
subsidiairte gehengen en te gedogen dat [verweerder] de coniferenhaag zelf verwijdert voor rekening van [eisers] ;
’s-Hertogenbosch het vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [eisers] – voor zover in cassatie van belang – veroordeeld:
2.Bespreking van het cassatiemiddel
tweeafzonderlijke vorderingen ingesteld (tot (I) verwijdering van de coniferenhaag en (II) het oprichten van een scheidsmuur), die hij óók voor het geval van verkrijgende verjaring – waarin de coniferenhaag
opde erfgrens blijkt te staan – elk heeft gebaseerd op een
eigengrondslag: art. 5:42 BW Pro (onrechtmatige aanwezigheid van de haag op de erfgrens) [11] respectievelijk art. 5:49 BW Pro (verplichting tot meewerken aan het oprichten van een scheidsmuur) [12] . Nadat de rechtbank elk van deze grondslagen had verworpen en elk van de vorderingen had afgewezen (zie hiervoor onder 1.5), heeft [verweerder] in hoger beroep genoemde twee afzonderlijke vorderingen en de eerder daartoe aangevoerde afzonderlijke grondslagen gehandhaafd. [13]
zowelde vordering sub (I) tot verwijdering van de coniferenhaag
alsde vordering sub (II) tot oprichting van de scheidsmuur toegewezen op grond van
art. 5:49 BW Pro(rov. 3.12). Dat het hof daarbij de (toewijzing van de vordering tot) verwijdering van de coniferenhaag kennelijk ziet als een noodzakelijk
sequeelvan de (toewijzing van de vordering tot) oprichting van een scheidsmuur vindt steun in de beslissing dat ook de kosten van het verwijderen van de coniferenhaag voor gezamenlijke rekening komen (rov. 3.17). Het hof heeft de vraag of de aanwezigheid van de coniferenhaag op de erfgrens onrechtmatig is op grond van art. 5:42 BW Pro als niet relevant bestempeld (rov. 3.15). [verweerder] heeft daartegen geen (voorwaardelijk) incidenteel cassatiemiddel geformuleerd.
De eigenaar van een erf is bevoegd dit af te sluiten.”
Ieder der eigenaars van aangrenzende erven in een aaneengebouwd gedeelte van een gemeente kan te allen tijde vorderen dat de andere eigenaar ertoe meewerkt, dat op de grens van de erven een scheidsmuur van twee meter hoogte wordt opgericht, voor zover een verordening of een plaatselijke gewoonte de wijze of de hoogte der afscheiding niet anders regelt. De eigenaars dragen in de kosten van de afscheiding voor gelijke delen bij.”
op de erfgrensen op
gezamenlijke kosten, waarbij de verlangde erfscheiding – behoudens andersluidende verordening of plaatselijke gewoonte – kan bestaan in een
scheidsmuur van twee meter hoogte. [20]
beideeigenaren, met name de behoefte aan
privacyen het voorkomen van inbraak. [23] Betoogd wordt dat in gevallen van twijfel omtrent de vraag of sprake is van een ‘aaneengebouwd gedeelte’ van gewicht zal zijn of het belang van privacybescherming onder de gegeven omstandigheden toepassing van het artikel vordert. [24] Soms wordt de aanleiding voor de aparte regeling van art. 5:49 BW Pro voor eigenaren in een aaneengebouwd gedeelte van de gemeente gezocht in het voorkomen van verspilling van grond. [25]
-1 Een ieder kan in de steden en aaneengebouwde voorsteden en dorpen zijnen nabuur noodzaken om bij te dragen tot het maken of herstellen [29] van afsluiting, dienende tot afscheiding van hunne huizen, opene plaatsen en tuinen.
Elk der naburen mag te zijnen koste in de plaats van eene gemeene heining eene gemeenen muur zetten, maar geenszins eene heining in plaats van eenen muur.”
verbeteren, maar niet eenzijdig de soliditeit ervan mag verminderen. [35] Ook in dit verband werd het redelijk geacht dat de andere buur, al behoeft hij niet te betalen, bij de vervanging van bijvoorbeeld een schutting door een muur mag meepraten over de wijze waarop de vervanging zal geschieden. [36]
murengegeven regels ook golden voor houten afsluitingen tevens dienende tot afscheiding. [37] Te denken valt aan bepalingen zoals betreffende reparatie, gebruik e.d.
Onder muur wordt in deze en de volgende titel verstaan iedere van steen, hout of andere daartoe geschikte stof vervaardigde, ondoorzichtige afsluiting.”
ondoorzichtigmoet zijn en of een muur van open sierbeton-stenen geen muur is in de zin van dit artikel [41] antwoordde de minister:
geoorloofd is, zal in de eerste plaats afhangen van de plaatselijke gewoonte. (…) Wat achtertuinen betreft, ook hier kan uit de plaatselijke gewoonte voortvloeien dat een doorzichtige muur toelaatbaar is. Ook kan dit volgen uit een gemeenteverordening. Maar artikel 5.4.11[thans art. 5:49, A-G]
gaat ervan uit dat bij gebreke van een dergelijk aanknopingspunt de eigenaar van een perceel binnen de bebouwde kom niet moet kunnen worden gedwongen mee te werken aan en in de kosten bij te dragen van een muur die hem niet de privacy geeft die hij verlangt, en dat hij vrij moet zijn door zijn buurman bekostigde doorzichtige muur aan zijn eigen zijde ondoorzichtig te maken." [42]
Er is de aandacht op gevestigd, dat moderne stedebouwkundige opvattingen steeds meer waarde gaan hechten aan een open aspect van de bij de bebouwing horende terreinen. (…) In de nieuwe wijken worden erfscheidingen van twee meter hoogte systematisch geweerd, terwijl (…) ook in de binnensteden wordt gestreefd naar minder benauwdheid en beslotenheid. Het is dan ook de vraag, of men met het ontworpen artikel 11 wel Pro op de goede weg is. Er is trouwens een toenemend gebruik van hagen in stede van muren; in ieder geval zouden dus scheidingshagen moeten worden vermeld. Een muur van twee meter hoogte is ook in financieel opzicht een niet geringe eis, die lang niet iedere eigenaar zal conveniëren. Te overwegen valt, in het eerste lid in stede van een twee meter hoge muur voor te schrijven “een erfscheiding, welke voldoet aan de plaatselijke verordeningen of gebruiken en welke in geen geval hoger is dan twee meter”.
Artikel 11 verplicht Pro naburige eigenaren tot het medewerken aan en bijdragen tot het oprichten van een scheidsmuur. Een muur kan echter (volgens artikel 5.4.5[thans art. 5:43, A-G]
) vervaardigd zijn uit steen, hout of een andere ondoorzichtig materiaal. Er kan nu twist ontstaan tussen de eigenaren van aangrenzende erven, hoe de muur zal worden uitgevoerd. Hoe moet nu zulk een geschil worden beslecht? In het systeem van artikel 690 B.W. is een uitweg gegeven uit deze moeilijkheid, doordien, volgens het tweede lid, de wijze der afsluiting wordt geregeld “volgens de bijzondere verordeningen en plaatselijke gebruiken.” [46]
) bevoegd is zijn erf af te sluiten. Deze bevoegdheid kan hem niet worden ontnomen door een verordening van de lagere wetgever (...). Dit sluit echter niet in dat de lagere wetgever niet de bevoegdheid van de eigenaren tot afsluiting zou kunnen beperken b.v. door voorschriften omtrent de hoogte van de afscheiding en omtrent het materiaal waarvan deze vervaardigd moet zijn. Aan deze beperkingen stellen de voormelde artikelen geen andere limiet dan dat hetgeen de verordening nog aan afscheidingsmogelijkheden toelaat, als een redelijkerwijs uitvoerbare en dienstige “afsluiting” kan worden aangemerkt.
Mandelige zaken moeten op kosten van alle mede-eigenaars worden onderhouden, gereinigd en, indien nodig, vernieuwd.”
verweeraan dat de stelling van [eisers] – die hij samenvat als de stelling dat indien op de erfgrens reeds een mandelige afscheiding staat die niet als scheidsmuur kwalificeert, de bevoegdheid van art. 5:49 BW Pro afhankelijk is van een (volle) belangenafweging – berust op een
ontoelaatbaar novumin cassatie (s.t. onder 3.3-3.7 i.v.m. 1.1). Daartoe wordt aangevoerd dat in feitelijke instanties het verweer van [eisers] juist steeds is geweest dat de coniferenhaag
welals scheidsmuur kwalificeert, dat de vordering van [verweerder] dus moet worden aangemerkt als een vordering tot vernieuwing, in welk verband [verweerder] een bijzondere noodzaak moest stellen en bewijzen, hetgeen hij heeft nagelaten.
tevensop het standpunt gesteld dat de coniferenhaag mandelig is en [verweerder] een belang moet hebben om de meer dan 20 jaar onderhouden en in zeer goede staat verkerende haag nu opeens te verwijderen, welk belang [eisers] ontgaat, terwijl (ook) [eisers] belang heeft bij het handhaven van de niet doorzichtige en robuuste coniferenhaag [62] , dat [eisers] de langjarig aanwezige coniferenhaag wil handhaven en dat deze als een adequate scheidsmuur fungeert [63] , respectievelijk dat de huidige coniferenhaag de functie van scheidsmuur heeft en de belangen van beide kaveleigenaren waarborgt. [64] Bovendien heeft [verweerder] zich in appel op het standpunt gesteld dat blijkens de parlementaire geschiedenis men geen bijzonder belang hoeft te hebben om aanspraak te kunnen maken op een gemeenschappelijke scheidsmuur en dat de rechtbank de vordering ex art. 5:49 BW Pro zonder meer had moeten toewijzen [65] , hetgeen [eisers] vervolgens heeft bestreden met de stelling dat art. 5:49 BW Pro alleen van toepassing is indien er (nog) geen scheidsmuur aanwezig is. [66]
beperkingvan de bevoegdheid ex art 5:49 BW Pro is beoogd in het geval van beplanting die geruime tijd dienst heeft gedaan als erfscheiding, al of niet in verband met het
mandeligekarakter daarvan (rov. 3.10) en of art. 5:49 BW Pro een bepaald bijzonder
belangvereist (rov. 3.11). [verweerder] heeft op dit punt ook geen (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld.
klachtenvalt naar mijn mening, anders dan in het middel (p.i. onder 8) en in de s.t. (onder 4 e.v.) wordt betoogd, noch uit (de omzetting van) het oude recht (art. 690 en Pro 691 BW (oud) [67] ) noch uit het systeem van de huidige wet (het standpunt van de wetgever over een muur van open stenen [68] ; de implicaties voor bevrijdende verjaring van de vordering ex art. 5:42 BW Pro) af te leiden dat de eigenaar van een erf bij de uitoefening van zijn bevoegdheid ex art. 5:49 BW Pro rekening moet houden met de omstandigheid dat op de erfgrens reeds een afscheiding staat.