Conclusie
middelklaagt dat het hof onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft begaan in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
Strafbaarheid van de verdachte
NJ2016/316, m.nt. Rozemond heeft de Hoge Raad aan de hand van zijn eerdere rechtspraak een samenvattend overzicht gegeven van mogelijke aandachtspunten bij de beoordeling van een beroep op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer. Alvorens in dit overzichtsarrest de diverse (juridische) materieelrechtelijke aspecten van deze excepties voor het voetlicht te brengen, benadrukt de Hoge Raad dat “bij de beoordeling van het beroep [...] nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang [kunnen] zijn, waarbij de rechter de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen.” Mede met het oog op de toetsing in cassatie eist de Hoge Raad tevens dat de rechter in zijn beslissing op zo een beroep een scherp onderscheid maakt tussen de feitelijke grondslag en de juridische implicaties daarvan. [3] Dit een en ander is vaste rechtspraak en heeft de rechter overigens ook in acht te nemen bij de beoordeling van een beroep op andere strafuitsluitingsgronden.
in dubio pro reo-beginsel ook geldt bij de beoordeling van een beroep op een strafuitsluitingsgrond zijn de meningen in de vakliteratuur verdeeld [5] en de Hoge Raad heeft zich daarover, voor zover ik heb kunnen nagaan, nog niet (expliciet) uitgesproken. [6]
enkelde begrijpelijkheid in het vizier van de overweging dat de volgorde waarin de geweldshandelingen hebben plaatsgevonden niet kan worden vastgesteld. Daartoe voert de steller van het middel aan dat het – gezien de vaststellingen van het hof dat (i) de verdachte zo op de aangeefster ging zitten dat zij geen kant op kon en de verdachte beide handen om haar nek klemde en (ii) de aangeefster de verdachte in zijn borst heeft gebeten – uiterst onwaarschijnlijk is dat het bijten plaatsvond terwijl of nadat de verdachte op de aangeefster was gaan zitten. Naar het inzicht van de steller van het middel kan het niet anders zijn dan dat de aangeefster de verdachte heeft gebeten vóórdat de verdachte zijn handen om de keel van de aangeefster deed en haar naar de grond werkte. En uitsluitend om díe reden zou de redenering van het hof omtrent het niet kunnen vaststellen van de volgorde van de geweldshandelingen onbegrijpelijk zijn.