Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
4.Wetgeving, parlementaire geschiedenis en literatuur
Stcrt.2008, 122) luidde in 2013 en heden:
[toevoeging A-G: heden artikel 49]bepaalt dat aansprakelijkstelling geschiedt door de ontvanger. Om te voorkomen dat de aansprakelijkstelling zou plaatsvinden voordat vaststaat of degene in eerste instantie de betaling van de desbetreffende belastingaanslag verschuldigd is, bepaalt het eerste lid voorts dat de aansprakelijkstelling niet plaatsvindt voor het tijdstip waarop de belastingschuldige zelf in gebreke is.
BNB 2010/72en 73,
FED 2010/90en 91 indien de belastingschuldige een inmiddels niet meer bestaande rechtspersoon is. Bekendmaking aan een niet meer bestaande rechtspersoon heeft volgens de Hoge Raad immers geen zin. Op die uitzondering is echter weer een uitzondering aanvaard in dezelfde arresten indien de niet meer bestaande rechtspersoon nog een ‘bate’ heeft waarmee door herleving van die rechtspersoon aan de ontvanger van de Belastingdienst betaald zou kunnen worden.
5.Beoordeling van de middelen
in gebreke ismet de betaling van zijn belastingschuld. Uit artikel 9, lid 2, van de IW volgt dat een navorderingsaanslag
invorderbaaris één maand na dagtekening van het aanslagbiljet. In casu is de navorderingaanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2008 gedagtekend op 18 mei 2013. Dat betekent dat de aan [A] BV opgelegde navorderingsaanslag pas vanaf 18 juni 2013 kon worden ingevorderd. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat zij daarom niet eerder aansprakelijk kon worden gesteld dan per 18 juni 2013. De aansprakelijkstelling bij beschikking van 6 juni 2013 acht belanghebbende prematuur en daarmee nietig, althans in rechte vernietigbaar.