Conclusie
middelklaagt over de bewezenverklaring die om twee redenen niet uit de bewijsvoering zou kunnen volgen. Als eerste deelklacht wordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte was aangehouden “op verdenking van het overtreden van art. 311 lid 5 jo Pro. 310 van het Wetboek van Strafrecht”. Als tweede deelklacht wordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering niet (zonder meer) kan volgen dat de betrokken verbalisant werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening toen hij tot aanhouding van de verdachte overging. Met het oog op de rechtmatigheid van de uitoefening van de bediening van de betrokken verbalisant, wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof dat was voldaan aan de subsidiariteitseis onjuist is, althans onvoldoende gemotiveerd nu de verbalisant bij de aanhouding van de verdachte “hoewel aanstonds mogelijk – zich er niet van vergewist heeft dat door hem de juiste persoon werd aangehouden.”