ECLI:NL:HR:2009:BJ2795
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid opsporingsambtenaar bij aanhouding buiten heterdaad ondanks mogelijk onrechtmatig bevel
In deze zaak stond centraal of een opsporingsambtenaar werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening bij de aanhouding van verdachte op 5 december 2005 te Utrecht. Verdachte verzette zich met geweld tegen de agent die hem aanhield op basis van een bevel tot aanhouding buiten heterdaad, gegeven door de Officier van Justitie.
De verdediging stelde dat het bevel niet rechtmatig was omdat er geen redelijk vermoeden van schuld bestond, waardoor de agenten niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening zouden hebben gehandeld en vrijspraak zou moeten volgen. Het hof verwierp dit verweer met de overweging dat het enkel van belang is dat het bevel door de bevoegde Officier van Justitie is gegeven, ongeacht de gronden daarvan.
De Hoge Raad bevestigde deze rechtsopvatting en stelde als uitgangspunt dat een ambtenaar die uitvoering geeft aan een opdracht van een bevoegde meerdere, werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening zoals bedoeld in art. 180 Sr Pro. Dit geldt ook als achteraf blijkt dat het bevel mogelijk onrechtmatig was. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en oordeelde dat het verweer faalt.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn, maar vond gelet op de opgelegde werkstraf en de mate van overschrijding geen aanleiding om hieraan rechtsgevolgen te verbinden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de veroordeling voor wederspannigheid blijft gehandhaafd.