Conclusie
BASF) backserviceverplichtingen heeft jegens eiser tot cassatie (hierna:
[eiser]) over een voorafgaand dienstverband. Het verwijzingshof is van oordeel dat dit niet het geval is omdat van instemming van (de rechtsvoorgangster van) BASF met een dergelijke backserviceverplichting niet is gebleken. [eiser] klaagt dat het verwijzingshof Den Bosch de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing heeft miskend (art. 424 Rv Pro).
1.Feiten
[betrokkene 1]) en [betrokkene 2] , ieder voor een derde, tot 31 mei 2001 aandeelhouder van Beheer- en beleggingsmaatschappij Grapofex B.V. (hierna:
Grapofex). [eiser] en [betrokkene 1] waren daarnaast bestuurder/directeur en zelfstandig bevoegd Grapofex te vertegenwoordigen. [2]
Efka). [eiser] en [betrokkene 1] waren ook van deze vennootschap bestuurder/directeur en zelfstandig bevoegd om Efka te vertegenwoordigen. [3] [eiser] had sinds 1984 een arbeidsovereenkomst met Efka.
de koopovereenkomst) hebben de drie aandeelhouders hun aandelen Grapofex verkocht aan CIBA Speciality Chemical Maastricht B.V. (hierna:
Ciba). [4] De koopovereenkomst is mede ondertekend namens Grapofex. De aandelen zijn op 31 mei 2001 geleverd.
de arbeidsovereenkomst). [5] Daarin is bepaald dat [eiser] voor drie jaar, ingaande met terugwerkende kracht op 1 januari 2001, in dienst treedt van Grapofex. Verder is daarin bepaald dat Grapofex de dienstjaren van [eiser] bij Efka – vanaf de oprichting – en de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen zal eerbiedigen en dat Grapofex de pensioentoezegging van Efka aan [eiser] zal voortzetten.
de aanvullende arbeidsovereenkomst). Daarin is onder meer bepaald dat [eiser] aanspraak kan maken op een ouderdomspensioen op basis van een jaarlijkse opbouw van 2,33% van het op de pensioendatum geldende salaris over de jaren tussen de aanvangsdatum van zijn dienstbetrekking en de pensioendatum.
Ausschüttung’) van NLG 900.000,--, dus NLG 300.000,-- per aandeelhouder, ten laste van Grapofex of van Efka, zulks naar hun keuze. [8]
2.Procesverloop
de rechtbank) heeft bij eindvonnis van 8 februari 2006 de vorderingen toegewezen voor zover deze betrekking hebben op het pensioen gedurende het dienstverband bij Grapofex (vanaf 1 januari 2001). Grapofex heeft bij wijze van extra premieafdracht een bedrag € 222.269,-- aan Aegon moeten storten. [9] De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen voor zover deze betrekking hadden op de backserviceverplichtingen over de periode 1984-2000. De gronden voor die afwijzing staan in het tussenvonnis van 22 juni 2005 (hierna:
het tussenvonnis). Daarin overweegt de rechtbank onder meer dat bij de uitleg van de verschillende op 18 april 2001 getekende overeenkomsten het grootste gewicht toegekend dient te worden aan de koopovereenkomst en dat uit art. 7.4 van de koopovereenkomst volgt dat Grapofex en haar dochterondernemingen door afstorting van de in Efka opgebouwde pensioenvoorziening bevrijd zullen zijn van verdere pensioenaanspraken (rov. 4.1).
het hof Leeuwarden) de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd (hierna:
het arrest van het hof Leeuwarden).
het hof Arnhem-Leeuwarden) heeft in zijn tussenarrest van 19 augustus 2014 als voorlopig oordeel gegeven dat het hof Leeuwarden de gevorderde backserviceverplichtingen over de periode 1984-2000 op een zelfstandig dragende grond heeft afgewezen – te weten dat Grapofex zich ter afwering van deze vordering kan beroepen op de in art. 7.4 van de koopovereenkomst opgenomen vrijwaring – en dat het zichzelf gebonden ziet aan deze beslissing, nu dit oordeel in het eerste cassatieberoep niet is bestreden:
het hof) heeft bij arrest van 13 februari 2018 [14] (hierna:
het bestreden arrest) de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd en [eiser] veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
[betrokkene 3]), Legal Counsel van Ciba, als bevoegd vertegenwoordiger
van Grapofex:
.”
3.Enkele opmerkingen over het geschil
wanneer een andere A-G, met een waarlijk frisse blik, naar de zaak had gekeken.” [15] In deze derde ronde valt mij de eer te beurt te concluderen. Als nieuwkomer in deze zaak is mij het volgende opgevallen.
bestaandepensioentoezegging van Efka wordt geacht weer te geven. De aanvullende arbeidsovereenkomst bepaalt dat zij geldt “
met ingang van 25-01-2001”. Waar díe datum vandaan komt blijft in het ongewisse. De datum van 25 januari 2001 ligt bovendien na de datum waarop het dienstverband met Efka met terugwerkende kracht zou aflopen (1 januari 2001), terwijl de aanvullende arbeidsovereenkomst,
if anything, een overeenkomst is tussen
Efkaen [eiser] (en [betrokkene 1] ). Gelet op deze vaagheden valt te billijken dat het hof van oordeel is dat niet is gebleken dat dit document van toepassing is op de rechtsverhouding tussen Grapofex en [eiser] . [20]
de inhoudvan de aanvullende arbeidsovereenkomst: volgt daar uit wat [eiser] daarin leest? Dat staat niet vast. Uit het document blijkt dat het ouderdomspensioen bij Efka drie elementen bevatte: (i) eindloon als grondslag, (ii) jaarlijkse opbouw van 2,33% en (iii) backservice vanaf “
de aanvang van zijn dienstbetrekking”. [eiser] zou bij Grapofex net zo’n pensioenregeling krijgen, dus met dezelfde drie elementen. [eiser] stelt zich op het standpunt dat voor de backservice de aanvang van zijn dienstverband met Efka moet worden aangehouden (1984). Men kan dat ook anders zien en uitgaan van de aanvang van het dienstverband bij Grapofex (2001). De pensioenvoorziening is dan gebaseerd op eindloon, 2,33 % opbouw en backservice over de jaren dat [eiser] bij Grapofex in dienst is. Dit komt mij redelijk voor. Het strookt ook met het oordeel van de rechtbank dat aan de aanvullende arbeidsovereenkomst wel betekenis toekomt, maar alleen voor de periode 2001-2004. [21]
daar bovenopeen backservice over de Efka-jaren
op basis van zijn ca. 40% hogere loon bij Grapofex. Ik vind dat eerlijk gezegd niet een erg voor de hand liggend standpunt. Met een (extra) backservice over zestien jaar zou een zodanig substantieel bedrag zijn gemoeid, [22] dat redelijkerwijs niet is te verwachten dat Ciba (als koper) en Grapofex (als werkgever) daarmee ooit akkoord konden gaan. Ten overvloede: ook als aan de aanvullende arbeidsovereenkomst tussen partijen wél dwingende bewijskracht zou toekomen, zou het nog steeds de vraag zijn wát dat document inhoudt en met name of het bewijs bevat voor [eiser] ’ standpunt over de lengte van de backservice.
is geconfronteerd met cassatietechnische bezwaren” tegen zijn klachten en met andere “
creatieve spitsvondigheden” (schriftelijke repliek, punt 2) bestond er m.i. aanleiding in te gaan op de inhoud van de zaak, dit mede ter voorlichting van uw Raad.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
in de eerste plaatsop dat in de eerste cassatieprocedure niet is bestreden het oordeel van de rechtbank, zoals overgenomen door het hof Leeuwarden, dat Grapofex zelf partij is bij de koopovereenkomst en deze heeft meeondertekend. Volgens het subonderdeel is evenmin bestreden de feitelijke vaststelling dat de aanvullende arbeidsovereenkomst onderdeel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst van [eiser] , die als bijlage 5 bij de koopovereenkomst hoort. Deze beide beslissingen laten zich volgens het subonderdeel
“niet anders (…) verstaan dan aldus dat die stukken ook namens Grapofex zijn geparafeerd.”Het hof had na verwijzing dan ook niet meer de vrijheid om te beslissen dat de parafering van de aanvullende arbeidsovereenkomst niet namens Grapofex geschiedde.
arbeidsovereenkomst(…) en
de aanvullende overeenkomst met Annex(…) tot het moment van de koopovereenkomst nog slechts concepten (…).
Deze documentenzijn op 18 april 2001 (…) geparafeerd door [betrokkene 2] (namens [eiser] ) en door [betrokkene 3] . Volgens [eiser] zijn
deze overeenkomstentoen definitief geworden. (…).
de akten die als bijlagen 5 en 6 bij de koopovereenkomst tussen [eiser] en Ciba waren gevoegd, geen dwingende bewijskracht hebben, (…).”
namensGrapofex is geparafeerd en het hof dus niet anders meer had mogen oordelen.
“namens”Grapofex’ [36] de klacht kennelijk niet bestrijdt dat een uitsluitend namens Ciba gezette paraaf op de aanvullende arbeidsovereenkomst niet volstaat om aan te nemen dat aan dit document bindende bewijskracht toekomt in de rechtsverhouding tussen Grapofex en [eiser] .
in de tweede plaatsop de volgende overweging uit het arrest van de Hoge Raad van 23 december 2016:
nietmeer had te onderzoeken of de arbeidsovereenkomst en de aanvullende arbeidsovereenkomst namens Grapofex waren ondertekend.
afsprakenzijn gemaakt die Grapofex
in afwijking van artikel 7.4 van de koopovereenkomstverplichtten tot een backservice over de jaren 1984-2000.” [41]
in de onderhandelingen tussen enerzijds [eiser] en anderzijds Ciba/Grapofex is betrokken” los te zien van de beslissing van de Hoge Raad dat met een paraaf aan het vereiste van ondertekening als bedoeld in art. 156 Rv Pro kan worden voldaan. De geciteerde overweging wordt dan zo gelezen dat zij betrekking heeft op de vraag of partijen in de aanvullende arbeidsovereenkomst een backserviceverplichting zoals door [eiser] bedoeld zijn overeengekomen. Ook bij deze lezing kan het kennelijke betoog van [eiser] dat blijkens de ‘slash’ tussen Ciba en Grapofex deze rechtspersonen op één lijn zijn te stellen en daarom met beide wilsovereenstemming bestond over de aanvullende arbeidsovereenkomst, m.i. niet slagen.
dan welGrapofex. Dat Grapofex met Ciba wordt genoemd, komt omdat [eiser] zijn vorderingen tegen Grapofex baseert op een door Ciba beweerdelijk namens Grapofex gegeven akkoord.