Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
variant a).
variant b): er is stilzwijgend, zonder nadere afspraken (en dus ook niet dat is omgezet in een vast dienstverband) voortgezet na 30 april 2012 (of zelfs: er is toen mondeling afgesproken dat is voortgezet voor bepaalde tijd) en opnieuw (nu wel stilzwijgend) na 30 april 2013, telkens voor een bepaalde tijd van een jaar. Maar dan overschrijd je op 21 april 2014 de 36 maandstermijn uit art. 7:668a lid 1 onder a BW en geldt de laatste voortgezette overeenkomst krachtens die bepaling als aangegaan voor onbepaalde tijd. Dus ook dan is er per 21 april 2014 sprake van een vast dienstverband.
nadathet arbeidsgeschil al was ontstaan) is afgedrukt en daarom geen originele strook kan zijn. Ook de beëindigingsbevestiging van werkgever wijst in de ogen van het hof niet op verlenging tot 21 april 2014, omdat de aanvullende vergoeding voor de periode 21 april 2014 tot 1 mei 2014 volgens het hof lijkt te zijn geschreven om toepassing van de ketenregeling te voorkomen.
het derde scenariois de redenering: er was sprake van een eerste, voorafgaande, arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 21 april 2011 tot en met 30 april 2011 krachtens nadere mondelinge overeenkomst (dat is ook de insteek van werknemer geweest bij inleidende dagvaarding onder 1), vervolgens een opvolgende tweede dienstverband voor bepaalde tijd conform het schriftelijke contract, stilzwijgend (of zonder tegenspraak) verlengd na een jaar met ingang van 1 mei 2012 (derde opvolgende arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd) en met ingang van 1 mei 2013 (vierde opvolgende overeenkomst), zodat krachtens art. 7:668a lid 1 sub b BW (meer dan 3 elkaar opvolgende voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten) dan geldt dat vanaf 1 mei 2013 sprake is van een dienstverband voor onbepaalde tijd.
primairwas: omgezet in vast dienstverband per 1 mei 2012 (tweede scenario variant a uit 2.5),
subsidiair: er was sprake van vier opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, zodat de vierde van rechtswege voor onbepaalde tijd heeft te gelden (scenario drie uit 2.6).
primairwas sprake van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd per 1 mei 2012 (MvG 6) en
subsidiairvan vier opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, waardoor de vierde heeft te gelden als voor onbepaalde tijd gesloten, dus per 1 mei 2013 (MvG 7), maar daar wordt – kennelijk
meer subsidiairof in de sleutel van: hetzij het een (4 opvolgende overeenkomsten), dan wel het ander (overschrijding 36 maandstermijn) – in appel dit aan toegevoegd (MvG 8):
volledigin de sleutel van de
vermeend miskende partijbedoeling, zoals we hierna nog zullen zien. Er wordt zodoende daar niet geklaagd over de verwerping van het primaire verweer van werkgever tegen die nieuwe grondslag van overschrijding van de 36 maandstermijn.
2.1.1met de vooropstelling dat de stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen, bij werknemer liggen. Daarnaast is volgens dit onderdeel van belang dat werkgever zich als volgt heeft verweerd tegen de stelling dat een vast dienstverband is ontstaan:
onderdelen 2.1.3 en 2.1.4worden in wezen de klachten herhaald die in 2.1.1 onder a), b) en c) naar voren zijn gebracht, onder referte naar de verweren uit 2.1.1 onder a) (geen arbeidsovereenkomst van 21 mei 2011 tot 1 mei 2011), b) (gewerkte dagen in april 2011 behoren tot de overeenkomst die per 1 mei 2011 begint) en c) (er is onvoldoende rekenschap gegeven van de partijbedoeling).
separatevoorafgaande eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van tien dagen. Het kan ook zo begrepen worden dat volgens het hof in die periode sprake was van een (toen begonnen) feitelijk arbeidsrechtelijk dienstverband (dat aanvankelijk was beoogd ook feitelijk in te gaan op 1 mei 2011).
nooitzou worden omgezet naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en dat om die reden de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2012 voor bepaalde tijd is verlengd zo lang als kon zonder dat er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou ontstaan (dus tot 21 april 2014). Dat lijkt mij in rov. 6.10 door het hof verworpen in de passage dat het uit MvA 14 afleidt dat werkgever zelf aangeeft dat partijen bij verlenging in mei 2012 niet hebben gesproken over de termijn van verlenging. Het kennelijke oordeel is hier dan: werknemer heeft de mededelingen van werkgever zo kunnen begrijpen dat de arbeidsovereenkomst na het eerste jaar met de duur van een jaar verlengd zou worden, omdat het functioneren van werknemer nog niet voldoende was voor omzetting in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, maar er wel de optie bestond dat – als zij beter ging functioneren – zij na het tweede jaar alsnog een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou krijgen. Dit brengt het hof op niet onbegrijpelijke wijze tot de slotsom dat de verlengde overeenkomst op grond van art. 7:668 lid 1 BW Pro geacht moet worden te zijn aangegaan voor dezelfde tijd als de vorige arbeidsovereenkomst (van ten hoogste een jaar), waarna vervolgens nog een keer stilzwijgend is verlengd per mei 2013. Daar stuit deze klacht op af.
onderdeel 2.1.3uitgewerkte klachten met betrekking tot de verweren a) en b) uit onderdeel 2.1.1 zijn hiervoor besproken in 2.14 en kunnen niet tot cassatie leiden.
onderdeel 2.1.3wordt voortgebouwd op de punten a) – d) uit onderdeel 2.1.2 met de klacht dat het hof in rov. 6.7 heeft miskend dat op grond van het arrest
Groen/Schroevers [15] aan de kwalificatie van de elementen van art. 7:610 BW Pro een op Haviltex gebaseerde toets vooraf gaat, zodat moet worden nagegaan wat partijen precies hebben beoogd en waarover zij wilsovereenstemming hebben bereikt en ook moet worden gekeken naar de wijze waarop partijen feitelijk uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst, waaruit zou volgen dat partijen die iets afspreken over het op bepaalde dagen werken zonder dat daar loon tegenover staat om vervolgens, wanneer een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is ingegaan, betaald verlof op te kunnen nemen, kunnen afspreken dat die eerste periode niet als arbeidsovereenkomst wordt aangemerkt, brengt dat geen andere uitkomst dan besproken bij het vorige onderdeel mee. Uit
Groen/Schoeversis niet af te leiden dat partijen kunnen afspreken dat in een bepaalde periode geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, als wel is voldaan aan de essentialia daarvan. Dat verhoudt zich niet met het dwingendrechtelijke karakter van art. 7:610 lid 1 BW Pro. De aangedragen elementen a) – d) uit het vorige onderdeel maken dat niet anders (evenmin als de elementen a) – d) uit onderdeel 2.1.1, vgl. hiervoor in 2.14 en 2.17). Ook deze klacht kan dus niet tot cassatie leiden.
onderdeel 2.1.4lijkt mij een herhaling van zetten uit onderdeel 2.1.1 onder c) waar onder verwijzing naar dat verweer wordt geklaagd dat het hof zich in rov. 6.7 en rov. 6.9-6.11 onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de in de MvA 10, 12-14 gestelde
partijbedoeling, te weten dat werkgever op voor werknemer kenbare wijze heeft aangegeven niet de bedoeling te hebben gehad een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te laten ontstaan, zodat de verlenging daarop is afgestemd. Werknemer heeft dit volgens de klacht ook zo begrepen en geaccepteerd (MvA 13). Het hof heeft hiermee het in onderdeel 2.1.1 onder (c) genoemde verweer volgens de klacht onvolledig besproken. Ik besprak in 2.14 dat daarvan geen sprake is, zodat dit niet tot cassatie kan leiden.
onderdeel 2.1.4klaagt dat het hof niet ongemotiveerd aan het door werkgever gedane bewijsaanbod (MvA 19) voorbij had mogen gaan [16] , maar haar in de gelegenheid had moeten stellen tegenbewijs te leveren tegen de schriftelijke overeenkomst die dwingende bewijskracht oplevert. Dit bewijsaanbod zag volgens de klacht op een afwijkende partijbedoeling, namelijk “het ter wille zijn van [werkneemster] ten aanzien van haar vrije dagen door middel van een praktische oplossing, met instandhouding van de bedoeling om en arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan te gaan en te houden. In het bijzonder had het hof er dan niet zonder meer, dus zonder nadere bewijslevering vanuit mogen gaan, zoals het in rov. 6.10 doet, dat na ommekomst van het expireren van deze schriftelijke overeenkomst er (telkens) sprake is van een stilzwijgende verlening”, zo luidt de klacht.
onderdeel 2.1.1 onder a: rechtens onjuist en onbegrijpelijk is het oordeel in rov. 6.7 dat het verschuldigde loon voor de gewerkte dagen in april 2011 is betaald door verrekening met onbetaalde verlofdagen in mei 2011. Partijen hebben een praktische oplossing gezocht voor het verzoek van werknemer en door eerder te beginnen heeft werknemer nu juist wel betaald verlof gehad in mei 2011 (onder verwijzing naar MvA 10). Het hof miskent bovendien dat het preventief werken in ruil voor latere betaalde vrije dagen niet kwalificeert als loon in de zin van art. 7:610 BW Pro, althans dat het preventief inhalen van vrije dagen op grond van een praktische afspraak geen separate arbeidsovereenkomst oplevert en dus niet meetelt voor de ketenregeling.
onderdeel 2.1.1 sub ate zien, in 2.14 besproken en verworpen: dat in de periode vanaf 21 april 2011 sprake was van een arbeidsrechtelijk dienstverband tussen partijen, heeft het hof volgens mij op juiste wijze beargumenteerd in rov. 6.7, vgl. hiervoor in 2.14. Volgens het hof stond tussen partijen vast dat werknemer in mei 2011 evenveel dagen vrij heeft gehad, als zij in april 2011 heeft gewerkt, zonder dat er door werkgever vakantiedagen in mindering zijn gebracht op het vakantiedagensaldo van werknemer. Op basis hiervan oordeelt het hof dat het verschuldigde loon voor de gewerkte dagen in april 2011 is betaald door verrekening met onbetaalde verlofdagen in mei 2011. Het hof lijkt hier bij nauwkeurige beschouwing inderdaad ten onrechte te spreken over “onbetaalde verlofdagen”, nu [werkneemster] in mei 2011 volledig is betaald en de opgenomen verlofdagen in mei 2011 dus zijn betaald. Het lijkt mij een kennelijke verschrijving van het hof; de gevoerde betooglijn is zonder meer duidelijk: er is sprake van loon in de vorm van verrekening van in mei opgenomen verlofdagen, die niet op werknemers vakantiesaldo zijn gekort, waartegenover, of ter compensatie waarvan, in april is gewerkt alvast, zonder dat daar salaris in geld tegenover heeft gestaan. Dat kon het hof zo beargumenteren; de daartegen gerichte klachten falen.
onderdeel 2.2.3.
Emergis)). Ook hier geldt het Haviltex-criterium. In een geval als dit komt het er op aan of de werknemer op grond van gedragingen van de werkgever heeft mogen aannemen dat de arbeidsovereenkomst na afloop van de tijd waarvoor deze was aangegaan, stilzwijgend voor dezelfde periode werd voortgezet. Werkgever heeft er geen misverstand over laten bestaan dat zij geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wenste, hetgeen zich ook heeft geopenbaard in de omstandigheid dat zij werknemer zekerheidshalve na 20 april 2014 niet meer heeft laten werken. Het verweer van werkgever dat de termijn van verlenging geacht moet worden te hebben gelopen tot drie jaar na de aanvang van de arbeidsrelatie op 21 april 2011 snijdt dus wel degelijk hout, aldus deze klacht.
nooiteen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wenste te laten ontstaan en dat om die reden de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zou worden verlengd tot en met uiterlijk 20 april 2014. Daarbij geeft het hof in rov. 6.10 aan dat werkgever zelf heeft gesteld dat tussen partijen niet is gesproken over de termijn van verlenging. Dat er vervolgens is voortgezet en dat dit past in voortzetting “zonder tegenspraak” voor dezelfde aanvankelijke bepaalde tijd, lijkt mij niet onjuist of onbegrijpelijk. De klacht ziet hier over het hoofd dat het hof dit nader “dichttimmert” met een beroep op onder meer loonstroken waarop werkgever zelf vermeldt dat de betreffende dienstverbanden voor bepaalde tijd eindigen op 30 april van het betreffende loopjaar (en niet 20 april van zo’n jaar), zoals hiervoor in 2.26 al aan de orde is geweest bij de behandeling van onderdeel 2.1.6. Vervolgens is na ommekomst van het tweede contractsjaar andermaal voor een jaar – en nu wel helemaal: stilzwijgend – voortgezet.
Emergis-arrest zie ik mank gaan; dat is gewezen op een ander feitencomplex. In die zaak was werknemer bij werkgever in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar. Werkgever en werknemer hadden, voordat het jaar voorbij was, gesproken over verlenging van de overeenkomst. Werkgever had daarbij aan werknemer een verlenging van twee maanden aangeboden. Dit aanbod is schriftelijk herhaald, maar door werknemer niet ondertekend. Werknemer had vervolgens na het verstrijken van het eerste jaar nog voor werkgever gewerkt. Vervolgens ontstond er discussie over de vraag met welke termijn de arbeidsovereenkomst was verlengd: met twee maanden conform het aanbod van werkgever, of – op basis van art. 7:668 lid 1 BW Pro – met een jaar. In zo’n situatie komt het volgens dit arrest voor de toepassing van art. 7:688 lid 1 BW Pro er op aan of werknemer op grond van gedragingen van werkgever heeft mogen aannemen dat de arbeidsovereenkomst na afloop van de tijd waarvoor deze was aangegaan stilzwijgend werd voortgezet. Nu duidelijk was dat werkgever de arbeidsovereenkomst alleen voor de duur van twee maanden wilde voortzetten, was er geen sprake geweest van een “voortzetting zonder tegenspraak” als bedoeld in art. 7:668 lid 1 BW Pro. In de zaak
Emergishad de werkgever dus uitdrukkelijk kenbaar gemaakt de overeenkomst niet te willen verlengen met een jaar, maar alleen met twee maanden. In onze zaak is van dergelijk uitdrukkelijk kenbaar maken (naar het niet onbegrijpelijke oordeel van het hof) geen sprake. Daar loopt de rest van de klachten uit onderdeel 2.2.3 op stuk.
onderdeel 2.2.4op p. 13 van de procesinleiding in cassatie dat het hof sowieso het bewijsaanbod gedaan uit MvA 19 niet onbesproken had mogen laten, nu zowel ten aanzien van onderdeel 2.1 als ten aanzien van onderdeel 2.2 de bedoeling van partijen uitdrukkelijk aan de orde is gesteld (bijvoorbeeld in MvA 13 en 14), zodat het aanbod voldoende gespecificeerd en ter zake dienend is.
onderdeel 2.3, dat bij het slagen van een cassatieklacht uit het middel ook rov. 6.11 t/m 6.18 en het dictum niet in stand kunnen blijven, geldt hetzelfde.