Belanghebbende, een Amerikaans beleggingsfonds, verzocht om teruggaaf van in Nederland ingehouden dividendbelasting over de jaren 2007 tot en met 2011. De inspecteur wees deze verzoeken af wegens niet-tijdigheid en inhoudelijke gronden. Belanghebbende beriep zich op het EU-recht en stelde dat zij vergelijkbaar is met een Nederlandse fiscale beleggingsinstelling (fbi) die recht heeft op teruggaaf.
De rechtbank oordeelde dat verzoeken om teruggaaf tijdig waren ingediend voor zover binnen drie jaar na afloop van het boekjaar, en dat het EU-recht in deze zaak vooral de vrijheid van kapitaalverkeer betreft, die ondergeschikt is aan de vrijheid van dienstenverkeer. De rechtbank stelde vast dat de Nederlandse teruggave- en afdrachtverminderingsregelingen onder de standstill-bepaling vallen, waardoor een beroep op het EU-recht niet leidt tot recht op teruggaaf.
Verder wees de rechtbank het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af, mede vanwege de complexiteit van de zaak en de invloed van belanghebbende op de duur van de procedure. De beroepen werden ongegrond verklaard en proceskosten werden niet toegewezen.