Conclusie
3.Het eerste middel
i)de bedoeling had om de situatie ter plaatse goed op te nemen en zijn schuilplaats te controleren,
ii)een vooropgezet plan had om vermomd met een bivakmuts geweld te plegen jegens het slachtoffer en minutenlang in de brandgang op het slachtoffer heeft gewacht, en
iii)niet is teruggekomen op het eerder genomen besluit, althans dat eerst- en laatstgenoemde oordeel onvoldoende met redenen is omkleed. In de tweede plaats klaagt het middel dat het hof “ten onrechte” heeft overwogen dat geen contra-indicaties voor voorbedachte raad zijn aangevoerd, nu uit de pleitaantekeningen blijkt dat de onder 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde bedreiging met een mes als een “sterke contra-indicatie” voor de onder 1 ten laste gelegde voorbedachte raad is aangevoerd, omdat dit mes bij het jegens het slachtoffer van het onderhavige feit uitgeoefende geweld niet is gebruikt. Nu het hof aan dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt stilzwijgend voorbij is gegaan, is zijn oordeel niet naar de eis der wet met redenen omkleed, mede niet nu in de strafmotivering door het hof is vastgesteld dat er geen relatie tussen de verdachte en het slachtoffer bestaat.
NJ1980/204. [7] De dader had om 18.50u zijn auto bij de woning van het slachtoffer tot stilstand gebracht, was vandaar, voorzien van met sokken omwikkelde schoenen naar het achtererf van deze woning gelopen, had zich aldaar met een pistool opgehouden en om 22.05u het thuiskomende slachtoffer doodgeschoten. De Hoge Raad oordeelde dat het hof daaruit heeft kunnen afleiden dat de verdachte niet in een opwelling heeft gehandeld maar “na in kalm beraad en rustig overleg het voornemen te hebben opgevat en het besluit te hebben genomen het slachtoffer te doden”. [8]