Conclusie
eerste middelklaag in de kern over het oordeel van het hof dat voor de toepasselijkheid van art. 76 lid 1 Wp Pro 2000 niet van belang is of al dan niet daadwerkelijk is betaald voor het vervoer, zo lang het opzet van de vervoerder van tevoren was gericht op het tegen betaling verrichten van personenvervoer.
de opzet[AEH: bedoeld zal zijn het opzet] van de vervoerder van tevoren was gericht op het tegen betaling verrichten van personenvervoer, niet zijnde het openbaar vervoer terwijl hij hier geen vergunning voor had. De vraag of al dan niet daadwerkelijk is betaald voor het vervoer is bij de beoordeling of artikel 76 Wet Pro personenvervoer 2000 is overtreden niet relevant. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 28 mei 2015 blijkt dat de verdachte door het afgeven van duidelijke signalen het initiatief heeft genomen om verbalisanten tegen betaling met zijn auto te vervoeren. Dat de verbalisanten niet op het betalingsvoorstel van de verdachte zijn ingegaan, laat onverlet dat het oogmerk van de verdachte was gericht op het verkrijgen van vijf euro voor de verrichte rit.”
taxivervoer:personenvervoer per auto tegen betaling, niet zijnde openbaar vervoer;”
tweede middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte, onjuist, onbegrijpelijk dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat het opzet van de verdachte van tevoren was gericht op het tegen betaling verrichten van personenvervoer, niet zijnde het openbaar vervoer, terwijl hij hiervoor geen vergunning had. Daarnaast zou de bewezenverklaring onvoldoende gedragen worden door de bewijsmiddelen.
psporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (pagina’s 9-10 van het digitaal dossier)
derde middelklaagt dat de verwerping door het hof van het verweer dat de uitzonderingsbepaling van art. 2 lid 5 Wp Pro 2000 van toepassing is onjuist dan wel onbegrijpelijk, althans niet voldoende gemotiveerd is.