Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt over de motivering van de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag.
NJ1997, 92 was door het hof veroordeeld wegens het opzettelijk aanwezig hebben middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II. Het oordeel van het hof dat het inbeslaggenomen geld (een groot aantal, voornamelijk Nederlandse, bankbiljetten met waarden variërend van f 10 tot f 1000) vatbaar was voor verbeurdverklaring liet de Hoge Raad in stand. [1] Met de overweging dat 'dit geld de handel in verdovende middelen betreft' heeft het hof, naar het oordeel van de Hoge Raad, als zijn feitelijke oordeel tot uitdrukking gebracht dat het geld in het bijzonder bestemd was om te dienen als bedrijfskapitaal voor de handel in hashish. In het licht van de verklaringen van de verdachte en de hoeveelheden hashish was dit oordeel ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Het op dit oordeel gegronde oordeel dat de bewezenverklaarde feiten waren begaan met betrekking tot het inbeslaggenomen geld en dat dit geld dan ook vatbaar was voor verbeurdverklaring was niet onbegrijpelijk en gaf niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent het bepaalde in art. 33a, eerste lid aanhef en onder b, Sr, aldus de Hoge Raad.
NJ2007, 630 oordeelde de Hoge Raad dat, in aanmerking genomen dat is bewezenverklaard het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen, het oordeel van het hof dat een geldbedrag (€ 62.600) geheel of grotendeels door middel van die feiten is verkregen dan wel tot het begaan van die feiten is bestemd, zonder nadere, doch ontoereikende motivering niet begrijpelijk was. In de conclusie bij dat arrest wierp mijn ambtgenoot Knigge nog de vraag op of de verbeurdverklaring van geld door een ruime uitleg als in het hierboven genoemde arrest van de Hoge raad van 8 oktober 1996, niet verwordt tot een verkapte manier van voordeelsontneming wegens soortgelijke feiten, maar dan zonder de beperkingen en procedurele waarborgen die de wet aan voordeelsontneming verbindt. Over die – door mijn ambtgenoot in twijfel getrokken – (te) ruime uitleg liet de Hoge Raad zich echter niet uit. Het arrest werd vernietigd vanwege het ook door Knigge gesignaleerde motiveringsgebrek: uit de ‘standaard’overweging van het hof kon de vereiste betrokkenheid van het geld bij het bewezenverklaarde delict niet zonder meer volgen. Zo oordeelde de Hoge Raad ook bij zijn arrest van 11 mei 2010 [2] dat zonder nadere motivering niet begrijpelijk was het oordeel van het hof dat een inbeslaggenomen geldbedrag (ruim € 25.000) geheel of grotendeels is verkregen door middel van het aanwezig hebben van verdovende middelen en het voorhanden hebben van voorwerpen die bestemd waren om een feit als bedoeld in art. 10 lid 4 Opiumwet Pro te plegen. Mijn ambtgenoot Vegter overwoog nog dat het hof de bewijsmiddelen wellicht zo heeft uitgelegd dat de verdachte in opdracht van (een) andere(n) werkte en (onder meer) voor het in zijn woning aanwezig/voorhanden hebben van de drugs, voorwerpen en stoffen betaald heeft gekregen. Andere mogelijkheden waren volgens hem dat het hof meende dat de verdachte het geld heeft verkregen door de verkoop van verdovende middelen of dat het hof meende dat het ging om bedrijfskapitaal ten behoeve van de handel. De vragen of dat inderdaad de gedachte van het hof is geweest en of het hof heeft willen zeggen dat de feiten met betrekking tot het geld zijn begaan en of een dergelijk – verbeterd gelezen – oordeel door de beugel zou kunnen, konden volgens mijn ambtgenoot onbeantwoord blijven omdat een gemotiveerde vaststelling dat het om handelsgeld ging in het arrest ontbrak. Ook werd vernietigd en verwezen in een geval waarbij het hof de verdachte had veroordeeld wegens het opzettelijk vervoeren van verdovende middelen en een inbeslaggenomen bedrag ad € 368,03 verbeurd had verklaard. [3] Zie in dit kader ook HR 9 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:17, waar het ging om een veroordeling ter zake van het aanwezig hebben van verdovende middelen en verbeurdverklaring van een bedrag van € 1.832. Het middel dat daarover klaagde slaagde, omdat het oordeel van het hof dat het geldbedrag geheel of grotendeels door middel van het bewezenverklaarde was verkregen zonder nadere motivering, die ontbrak, niet begrijpelijk was.
tweede middelbehelst de klacht dat het door het hof bevestigde vonnis niet aan de eisen der wet voldoet, doordat de tenlastelegging en/of bewezenverklaring of enige verwijzing daarnaar ontbreekt.
Stcrt.1996, 197). Het hof is op grond van art. 423 lid 1 Sv Pro bevoegd een in eerste aanleg gewezen vonnis te bevestigen, ook als dat een mondeling vonnis betreft dat in het proces-verbaal van de terechtzitting is aangetekend op de wijze als in de Regeling bepaald. [6]