Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
9 januari 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens het opzettelijk aanwezig hebben van 2678,93 gram heroïne. Het hof legde tevens een verbeurdverklaring op van een geldbedrag van €1.832,- dat naar het oordeel van het hof geheel of grotendeels met het bewezenverklaarde verband hield.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, met name gericht op de onvoldoende gemotiveerde verbeurdverklaring van het geldbedrag. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de strafoplegging en terugwijzing voor hernieuwde berechting.
De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof over de herkomst van het geldbedrag zonder nadere motivering niet begrijpelijk is, mede omdat het bewezenverklaarde feit slechts het aanwezig hebben van verdovende middelen betreft. Daarom voldoet het arrest niet aan de eis van deugdelijk gemotiveerde uitspraak.
De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor zover het de strafoplegging betreft en wees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting, terwijl het cassatieberoep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor wat betreft de strafoplegging en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.