Conclusie
ex tuncof
ex nunc? Gelet op art. 7:683 lid 1 BW Pro staan hoger beroep en cassatie open tegen een beschikking tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op basis van art. 7:671b of art. 7:671c BW, tot vernietiging van de opzegging op basis van art. 7:677 lid 4 of Pro art. 7:681 BW Pro of tot herstel van de arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:682 BW Pro. In de onderhavige zaak heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en [verweersters] BV op grond van art. 7:669 lid 3 onder Pro g BW (verstoorde arbeidsverhouding) ontbonden onder toekenning van een transitievergoeding. [eiser] heeft op de voet van art. 7:683 lid 1 BW Pro hoger beroep ingesteld. Dat heeft hem echter geen baat gebracht, omdat [verweersters] BV op haar beurt incidenteel appel heeft ingesteld en daarbij haar eis heeft gewijzigd naar aanleiding van een feit (computervredebreuk door [eiser] ) dat haar pas na de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter bekend is geworden. Het hof heeft mede op grond hiervan geoordeeld dat de ‘g
-grond’ ‘inmiddels’ aan de orde is en [eiser] veroordeeld tot terugbetaling van de transitievergoeding (ernstig verwijtbaar handelen van [eiser] ) en tot schadevergoeding in verband met door [verweersters] BV gemaakte onderzoekskosten. In cassatie betoogt [eiser] dat het hof hiermee in strijd met het stelsel van de wet een
ex nuncoordeel heeft gegeven. Daarnaast komt [eiser] op tegen het passeren van zijn bewijsaanbod, de veroordeling tot terugbetaling van de transitievergoeding, het oordeel dat herplaatsing niet mogelijk is en het oordeel dat [verweersters] BV niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
1.Feiten
2.Het procesverloop
primair: [verweersters] BV te bevelen om de arbeidsovereenkomst te herstellen op verbeurte van een dwangsom;
subsidiair: aan [eiser] een billijke vergoeding toe te kennen ten laste van [verweersters] BV als bedoeld in art. 7:683 lid 3 BW Pro ten bedrage van € 225.000,-- bruto, althans een vergoeding die het hof redelijk acht;
meer subsidiair: aan [eiser] een billijke vergoeding toe te kennen ten laste van [verweersters] BV als bedoeld in art. 7:683 BW Pro ten bedrage van € 100.000,--, althans een vergoeding die het hof redelijk acht, alsook een billijke vergoeding als bedoeld in art. 7:671b lid 8 aanhef en onder c van € 100.000,--, althans een vergoeding die het hof redelijk acht;
uiterst subsidiair: voor het geval dat het hof de ontbinding in stand laat, een transitievergoeding toe te kennen van € 16.640,--;
Ik krijg het gevoel (het heeft althans de schijn tegen) dat [betrokkene 2] met een bepaald doel wordt voorgesteld. Dit gevoel wordt bovendien versterkt door het feit dat [betrokkene 2] vandaag - ongevraagd en onaangekondigd - heeft proberen te bellen (…) op mijn privé telefoon. (...) Afgezien van het feit dat ik geen toestemming heb gegeven voor het verstrekken van mijn privé telefoonnummer aan een derde (!), is mijn instemming (...) blijkbaar voor jou geen vereiste meer voor de keuze van een mediator”.;
3.Bespreking van het middel
ex tuncbeoordeeld worden (onderdeel 1);
ex tuncbeoordeeld te worden (subonderdelen 3a en 3b);
ex tunctoetsing, heeft het hof niet duidelijk gemaakt op welke manier de gepleegde computervredebreuk in causaal verband kan worden gebracht met de door de kantonrechter uitgesproken ontbinding van de overeenkomst (subonderdeel 3c);
ex tunc?), niet alleen omdat het antwoord ook van betekenis is bij de onderdelen 3 en 5, maar ook omdat dit een voor de praktijk relevante kwestie betreft waarbij de regering bij invoering van de WWZ niet uitdrukkelijk in de wetsgeschiedenis heeft stilgestaan. [7] Om dit onderwerp in het juiste perspectief te plaatsen, sta ik eerst kort stil bij het (rechtsmiddelenverbod van het) oude art. 7:685 BW Pro (randnummers 3.2 tot en met 3.5), bij het daarvan afwijkende regime van de WWZ waarin ook op enkele belangrijke punten wordt afgeweken van het reguliere appelprocesrecht (randnummers 3.6-3.7) en bij het reguliere hoger beroep op hoofdlijnen (functies van het hoger beroep en het toetsingsmoment in hoger beroep) (randnummers 3.8 tot en met 3.15). Na een tussenbalans (randnummer 3.16) ga ik specifiek in op het toetsingsmoment bij de beoordeling op de voet van art. 7:683 BW Pro (randnummers 3.17 tot en met 3.26). Daarop volgt de bespreking van de klachten van onderdeel 1 (randnummers 3.27 e.v.) en ten slotte die van de overige (sub)onderdelen (randnummers 3.34 e.v.).
enerzijdshet belang van de werknemer en de werkgever om snel duidelijkheid te krijgen over het al of niet beëindigen van de arbeidsovereenkomst en
anderzijdshun belang om een rechtsmiddel in te stellen als zij zich onrechtvaardig behandeld voelen. Die afweging heeft geleid tot enkele bijzondere regels in art. 7:683 BW Pro die afwijken van bepalingen van regulier appelprocesrecht, waaronder de regel in het zojuist geciteerde lid 1 van art. 7:683 BW Pro (randnummer 3.4) dat het instellen van rechtsmiddelen
geen schorsende werkingheeft, waarmee wordt afgeweken van art. 350 en Pro art. 360 Rv Pro. [13]
niet vernietigen, [15] terwijl dat in appel wel gebruikelijk is. [16] In plaats daarvan wordt in art. 7:683 leden Pro 3, 5 en 6 BW concreet aangeduid welke beslissingen de appelrechter in de verschillende mogelijke situaties kan nemen. Zo is in art. 7:683 lid 3 BW Pro neergelegd dat indien de appelrechter beslist dat de kantonrechter ten onrechte het ontbindingsverzoek heeft toegewezen of ten onrechte het verzoek tot vernietiging van de opzegging of tot herstel van de arbeidsovereenkomst heeft afgewezen, de appelrechter zal moeten kiezen tussen herstel van de arbeidsovereenkomst en toekenning van een billijke vergoeding aan werknemer. [17] Kiest hij voor herstel van de arbeidsovereenkomst [18] dan kan, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis, de appelrechter overigens niet alleen een hersteldatum in de toekomst bepalen, maar kan hij ook kiezen voor een hersteldatum
in het verleden. [19] Gaat het om art. 7:683 lid 5 of Pro lid 6 BW dan mag de appelrechter die van oordeel is dat de kantonrechter het ontbindingsverzoek ten onrechte heeft afgewezen (lid 5) of het verzoek tot vernietiging van de opzegging ten onrechte heeft toegewezen (lid 6) alleen een tijdstip bepalen waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, waarbij de einddatum echter niet in het verleden mag liggen. [20] Beëindiging van de arbeidsovereenkomst mag dus niet tegen een tijdstip in het verleden, herstel van de arbeidsovereenkomst wél. Voordat ik nader op art. 7:683 BW Pro inga, maak ik eerst een enkele opmerking over het reguliere appelprocesrecht en de wijze van toetsing in hoger beroep, [21] om uiteindelijk uit te komen bij de vraag of art. 7:683 BW Pro ook op het punt van de wijze van toetsing (het toetsingsmoment) afwijkt van het reguliere appelprocesrecht.
ex nunc-beoordeling. [34] De appelrechter hoeft niet te beslissen of de eerste rechter het destijds bij het rechte eind had, al kan dat wel uit zijn motivering blijken. [35] Uw Raad heeft dit in het arrest
Qin Yun Yp/PTTals volgt weergegeven:
ex tuncaan de orde is, [43] vindt beoordeling plaats naar de toestand zoals die zich ten tijde van de beslissing van de rechter in eerste aanleg voordeed. Een dergelijke toetsing
ex tuncin hoger beroep laat evenwel onverlet dat feiten en omstandigheden die zich ten tijde van de beslissing in eerste aanleg reeds hadden voorgedaan maar die bij de rechter toen niet bekend waren (omdat deze door de partijen niet waren ingebracht), in hoger beroep alsnog aan de orde kunnen worden gesteld. [44] Ook bij toetsing
ex tuncmoet de appelrechter de herkansingsfunctie van het hoger beroep immers in acht nemen.
ex nunc(dus naar de situatie ten tijde van zijn beslissing) toetst (randnummer 3.14) wél zonder meer geldt voor de beoordeling op de voet van art. 7:683 BW Pro. [eiser] betoogt in dit verband (in onderdeel 1) dat dit niet het geval is in de situatie als bedoeld in lid 3 van art. 7:683 BW Pro, omdat dan toetsing
ex tunc(dat wil zeggen naar de situatie ten tijde van de beslissing van de kantonrechter) zou moeten plaatsvinden.
afgewezen? (lid 5)
toegewezen? (lid 6)
ex nunctoetst, ook waar het de herplaatsingsmogelijkheid en eventuele opzegverboden betreft. [47] Over art. 7:683 lid 5 en Pro lid 6 BW zal ik nu echter niet verder uitweiden, omdat de situatie in de onderhavige zaak niet door (één van) deze artikelleden wordt bepaald.
werknemerdie de appelrechter één van de volgende twee vragen voorlegt:
toegewezen?
vernietigingvan de opzegging of tot herstel van de arbeidsovereenkomst terecht
afgewezen?
geenarbeidsovereenkomst meer is. [48] De werknemer bestrijdt de daaraan ten grondslag liggende beslissing van de kantonrechter en stuurt in dit verband aan op herstel van de arbeidsovereenkomst of op een billijke vergoeding. Het ligt dan in de rede dat de appelrechter de aan deze situatie (er is geen arbeidsovereenkomst meer) ten grondslag liggende beslissing van de kantonrechter (uiteraard met inachtneming van de herkansingfunctie) (randnummers 3.11 en 3.15)
ex tuncbeoordeelt: was die beslissing
destijdsterecht? [49] Voor zover daarbij de beoordeling door de kantonrechter van de verschillende vereisten voor opzegging door de werkgever c.q. ontbinding door de werkgever aan de kaak wordt gesteld (redelijke grond, herplaatsing is niet mogelijk of ligt niet in de rede en van een opzegverbod is geen sprake [50] ), houdt zij dus ook een
ex tuncoordeel in. [51]
ex tuncgeboden is, wordt door de meeste auteurs [52] aangenomen. Daarbij wordt ook rechtszekerheid als argument aangevoerd. Als de werkgever en de werknemer steeds rekening zouden moeten houden met toekomstige omstandigheden die tijdens de procedure in eerste aanleg niet bestonden (en dat is in principe het geval bij toetsing
ex nunc), is inderdaad de rechtszekerheid in het geding. [53] Rechtsonzekerheid ligt weliswaar in zekere zin besloten in het openstellen van hoger beroep en cassatie (art. 7:683 lid 1 BW Pro, randnummers 3.4 en 3.5), maar de wetgever heeft dat geprobeerd te ondervangen door op een aantal punten af te wijken van het reguliere appelprocesrecht (zie daarvoor nader randnummers 3.6 en 3.7). Met toetsing
ex tuncin hoger beroep wordt de rechtszekerheid mijns inziens voldoende gewaarborgd, nu bij deze toetsing feiten en omstandigheden die zich ná de beschikking van de kantonrechter hebben voorgedaan (
nova) niet worden betrokken.
ex tuncbij de beoordeling op grond van art. 7:683 lid 3 BW Pro steeds het uitgangspunt. [54] Illustratief is in dit kader de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 29 maart 2018 waarin het hof geen acht slaat op het vertrek van de leidinggevende als nieuw feit in hoger beroep: [55]
ex tunc-beoordeling niet doorstaat, dan staat hij vervolgens voor de vraag of herstel van de arbeidsovereenkomst dan wel een billijke vergoeding op haar plaats is (randnummer 3.7). [56] In dit verband wordt in de literatuur en de feitenrechtspraak als uitgangspunt genomen dat de appelrechter de vraag welke van deze twee beslissingen hij moet nemen als hij meent dat de arbeidsovereenkomst ten onrechte is ontbonden
ex nunc, dat wil zeggen naar de situatie ten tijde van zijn beslissing, beoordeelt. [57]
ex tuncmoet plaatsvinden. [58] Daarbij speelt een rol dat ingevolge art. 7:683 lid 1 BW Pro het hoger beroep geen schorsende werking heeft, zodat er in de situatie van art. 7:683 lid 3 BW Pro geen arbeidsovereenkomst meer is en de juistheid van de daaraan ten grondslag liggende beslissing van de kantonrechter in hoger beroep voorligt. Ook de rechtszekerheid wordt met toetsing
ex tuncin het kader van art. 7:683 lid 3 BW Pro gediend, omdat deze toetsing weliswaar de herkansingsfunctie van het hoger beroep onverlet laat (randnummer 3.15), maar het aanvoeren van
novaverbiedt (randnummer 3.23). Bij een
ex nunctoetsing zou een ontslag dat ten tijde van de beoordeling door de kantonrechter terecht was, in hoger beroep onterecht kunnen worden bevonden vanwege feiten en omstandigheden die zich pas na die beslissing hebben voorgedaan. Dat is geen wenkend perspectief, omdat zo elk ontslag op losse schroeven blijft staan, totdat een definitieve rechterlijke beslissing is genomen. [59] Komt de appelrechter tot de conclusie dat de beslissing van de kantonrechter een
ex tunctoetsing niet doorstaat, dan staat hij vervolgens voor de vraag of hij zal overgaan tot (veroordeling van de werkgever tot) herstel van de arbeidsovereenkomst of tot toekenning van een billijke vergoeding aan de werknemer. Dit constitutieve oordeel vergt een beoordeling naar de omstandigheden ten tijde van zijn beslissing: een
ex nuncoordeel derhalve.
ex nunctoetsing. Het hof heeft immers een feit dat [verweersters] BV pas in hoger beroep heeft aangevoerd (namelijk de computervredebreuk) bij zijn overwegingen betrokken. Daarmee heeft het hof, aldus nog steeds [eiser] , miskend dat de beslissing van de kantonrechter op het ontbindingsverzoek in het onderhavige geval
ex tuncbeoordeeld had moeten worden en niet
ex nunc.Volgens [eiser] past bij een
ex tuncbenadering niet dat feiten die bekend worden na de beschikking door de kantonrechter in de beoordeling van het ontbindingsverzoek worden betrokken, althans dat dat rechtens onjuist is, omdat dit strijdig is met het stelsel van de wet. Dit licht [eiser] vervolgens toe in randnummers 2.6 tot en met 2.10 van zijn verzoekschrift tot cassatie. [eiser] sluit dit onderdeel daarbij af met een veegklacht in randnummer 2.10.
ex tuncdient aan te leggen, is juist. Zie hiervoor nader randnummers 3.17 tot en met 3.26. Desalniettemin faalt de rechtsklacht. Ik licht dat toe.
ex nuncheeft getoetst door de door [eiser] gepleegde computervredebreuk bij zijn oordeel te betrekken. Daarmee neemt [eiser] tot uitgangspunt dat toetsing
ex nunconder meer inhoudt dat de appelrechter feiten bij zijn oordeel betrekt die voor het eerst in hoger beroep door een partij worden aangevoerd omdat die feiten pas na de beslissing in eerste aanleg bekend werden (hoewel deze toen al hadden plaatsgevonden). Dit uitgangspunt is onjuist. Zoals hiervoor in randnummer 3.15 is toegelicht, kunnen dergelijke feiten vanwege de herkansingsfunctie van het hoger beroep ook in het kader van een
ex tunctoetsing worden meegenomen. Als de computervredebreuk door [eiser] pas na de beschikking van de kantonrechter was gepleegd en het hof dat nieuwe feit bij zijn oordeel zou betrekken, zouden de kaarten anders liggen, omdat dan sprake zou zijn van toetsing
ex nunc(zie daarover randnummers 3.12 tot en met 3.14). Nu de gepleegde computervredebreuk in eerste aanleg al een feit was, maar nog niet bekend was bij [verweersters] BV en de kantonrechter, heeft [verweersters] BV dit feit, gegeven de herkansingsfunctie van het hoger beroep, voor het eerst in hoger beroep aan de orde gesteld en ook mogen stellen (randnummers 3.11 en 3.15). Ten onrechte veronderstelt [eiser] in dit onderdeel dat het hof een toetsing
ex nuncheeft toegepast door dit nieuwe feit bij zijn oordeel te betrekken
,omdat dat bij een toetsing
ex tuncniet mogelijk zou zijn. In het verlengde hiervan mist dit onderdeel ook feitelijke grondslag. Dit licht ik toe.
ex nunctoegepast door de gepleegde computervredebreuk bij zijn oordeel mede te betrekken, maar heeft het toepassing gegeven aan de herkansingsfunctie van het hoger beroep. Daarnaast blijkt uit rov. 3.5.1. tot en met 3.5.3. duidelijk dat het hof een toetsing
ex tuncheeft gehanteerd. In rov. 3.5.1. heeft het hof namelijk gekeken naar de e-mails van 15 en 20 maart 2015 en heeft het daaruit geconcludeerd dat de verstandhouding tussen partijen sinds die e-mailwisseling snel is verslechterd (randnummer 2.14). In rov. 3.5.2. heeft het hof ook voor wat betreft de slechte persoonlijke verstandhouding tussen [eiser] en [betrokkene 1] , verwezen naar de (toonzetting van de) e-mails van [eiser] aan [betrokkene 1] van 2 juni 2016 en van 27 januari 2017, waaruit het hof ook deels heeft geciteerd (randnummer 2.15). In rov. 3.5.3. heeft het hof vervolgens de door [eiser] in de periode van 11 januari 2017 tot 29 juni 2018 meermalen gepleegde computervredebreuk die [verweersters] BV in hoger beroep voor het eerst heeft aangevoerd, besproken (randnummer 2.16). Het hof heeft in dat kader, kort gezegd, geoordeeld dat het [eiser] eigenlijk al in september 2015 (toen hij zijn laptop moest inleveren bij [verweersters] BV) overduidelijk was of had moeten zijn dat hij geen toestemming meer had van [betrokkene 1] om in zijn mailaccount in te loggen en dat dat ook geldt voor het beluisteren van digitaal opgenomen telefoongesprekken van medewerkers van [verweersters] BV. In rov. 3.6. heeft het hof uit dit alles geconcludeerd dat de g-grond aan de orde is (randnummer 2.17). Vervolgens heeft het hof in rov. 3.7. deze conclusie – in het kader van het verweer van [eiser] dat sprake is van een oneigenlijke of onvoldragen g-grond – nog nader toegelicht. Ook daaruit volgt dat het hof aan de omstandigheden in het verleden (rov. 3.5.1. en 3.5.2.) betekenis heeft toegekend in die zin dat het heeft gemeend dat de verstandhouding als gevolg daarvan toen al was verslechterd en dat met de gepleegde computervredebreuk die pas na de beschikking van de kantonrechter gebleken is, inmiddels sprake is van een voldragen g-grond (randnummer 2.18).
ex tuncis uitgegaan en dat het daarbij ook de herkansingsfunctie van het hoger beroep in acht heeft genomen. Op grond van het voorgaande faalt dit onderdeel dat uitgaat van een
ex nunctoetsing door het hof, dus ook wegens gemis aan feitelijke grondslag.
ex nuncheeft getoetst.
onderdeel 1.
onderdeel 2.
ex nunctoets heeft gehanteerd. Dit subonderdeel faalt wegens gemis aan feitelijke grondslag. Dit licht ik toe.
ex tunctoetsing aangelegd en daarbij de herkansingsfunctie van het hoger beroep in acht genomen (hiervoor randnummer 3.15). Van schending van art. 24 Rv Pro door het hof in het licht van de door [verweersters] BV in eerste aanleg aangevoerde stellingen is dan ook geen sprake. Bij zijn
ex tunctoetsing heeft het hof binnen de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep gehandeld door de door [eiser] gepleegde computervredebreuk bij zijn oordeel te betrekken. [65] [verweersters] BV heeft immers in hoger beroep (en die ruimte had zij ook, zie hiervoor randnummer 3.15) de door [eiser] gepleegde computervredebreuk (die haar pas na de beschikking van de kantonrechter bekend was geworden) mede ten grondslag gelegd aan haar beroep op de g-grond. [66] Bovendien heeft [verweersters] BV in haar incidenteel beroep een zelfstandig verzoek tot terugbetaling van de transitievergoeding op de voet van art. 7:673 lid 7 aanhef Pro en onder c BW gedaan. [67] Deze aanvulling van de rechtsstrijd heeft [eiser] ook aanvaard. [68] Nu dit subonderdeel voor het overige verwijst naar onderdeel 1 waarin [eiser] , ten onrechte, tot uitgangspunt heeft genomen dat het hof een
ex nunctoetsing heeft aangelegd, faalt dit subonderdeel ook om de redenen die in randnummers 3.29 tot en met 3.31 zijn uiteengezet.
ex tunctoetsing, ook niet voldoende begrijpelijk is, omdat [verweersters] BV noch in eerste aanleg noch in haar incidenteel verzoekschrift in hoger beroep heeft gesteld dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg was van ernstig verwijtbaar handelen van [eiser] . Ter toelichting verwijst [eiser] eerst naar het inleidende verzoekschrift en stelt hij dat [verweersters] BV in eerste aanleg de (later bekend geworden) computervredebreuk niet aan de g-grond ten grondslag had gelegd en dat zij toen heeft verzocht om toekenning van de transitievergoeding aan [eiser] . Ook heeft [eiser] aangevoerd dat [verweersters] BV in hoger beroep over de computervredebreuk enkel heeft gesteld dat in verband daarmee ontslag op staande voet zou zijn verleend als het dienstverband nog zou hebben bestaan (verwijzend naar randnummer 38. van haar verweerschrift hoger beroep tevens inhoudende incidenteel beroep).
ex tunctoetsing ook onbegrijpelijk is, omdat [verweersters] BV noch in haar verzoekschrift in eerste aanleg noch in haar incidenteel beroep heeft aangevoerd dat de ontbinding door de kantonrechter
destijdshet gevolg was van ernstig verwijtbaar handelen van [eiser] (namelijk de gepleegde computervredebreuk, die pas na de beschikking van de kantonrechter bekend werd). Dit subonderdeel faalt. Zoals in randnummers 3.29 tot en met 3.31 is toegelicht, heeft het hof juist een
ex tunctoetsing gehanteerd waarbij de herkansingfunctie in hoger beroep in acht is genomen. Bovendien heeft [verweersters] BV, zoals in randnummer 3.39 is uiteengezet, ook daadwerkelijk gebruik gemaakt van de herkansingsfunctie door de gepleegde computervredebreuk uitdrukkelijk mede aan de g-grond ten grondslag te leggen en door tevens in haar incidenteel beroep een zelfstandig verzoek tot terugbetaling van de transitievergoeding op de voet van art. 7:673 lid 7 aanhef Pro en onder c BW te doen. Dit alles maakt dat dit subonderdeel hetzelfde lot deelt als subonderdeel 3a en onderdeel 1.
als gevolg vanernstig verwijtbaar handelen van [eiser] (als bedoeld in art. 7:673 lid 7 aanhef Pro en onder c BW), althans niet zonder een nadere motivering die het hof volgens [eiser] achterwege heeft gelaten. Daarmee bouwt ook dit subonderdeel voort op het onjuiste uitgangspunt in onderdeel 1 dat het hof de gepleegde computervredebreuk niet bij zijn oordeel had mogen betrekken, omdat het daarmee een
ex nunctoetsing zou hebben aangelegd die op grond van het stelsel van de wet niet toegestaan is. Ook dit subonderdeel sneuvelt daarmee om de redenen die hiervoor in randnummers 3.29 tot en met 3.31 zijn uiteengezet. Uitgaande van de door het hof gehanteerde
ex tunctoetsing met inachtneming van de herkansingsfunctie van het hoger beroep, heeft het hof dan ook in rov. 3.12. met juistheid causaal verband aangenomen tussen de gepleegde computervredebreuk door [eiser] , die het hof heeft gekwalificeerd als een ernstig verwijtbare gedraging, [69] en de duurzaam verstoorde arbeidsverhouding.
onderdeel 3faalt.
onderdeel 4.
ex nuncheeft getoetst [70] en verder dat de verwijzing door het hof naar rov. 3.5.1. tot 3.7. onjuist en onbegrijpelijk is.
onderdeel 5.