De zaak betreft een hoger beroep tegen de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen [verzoekster] en Centric Netherlands B.V. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding, waarbij de kantonrechter oordeelde dat geen opzegverbod tijdens ziekte van toepassing was. [verzoekster] betoogde dat zij op 19 september 2017 nog arbeidsongeschikt was en dat het ontbindingsverzoek daarmee in strijd was met het opzegverbod.
Het hof oordeelt dat het opzegverbod ex tunc moet worden getoetst, maar dat het deskundigenoordeel van het UWV dat pas in hoger beroep werd ingebracht, wel in aanmerking kan worden genomen. Desondanks concludeert het hof dat het ontbindingsverzoek hoofdzakelijk verband houdt met de verstoorde arbeidsverhouding en niet met ziekte, zodat het opzegverbod niet aan de ontbinding in de weg staat.
Verder is vastgesteld dat de arbeidsrelatie al kort na indiensttreding ernstig verstoord was, mede door het gedrag en de houding van [verzoekster], en dat Centric geen verwijt treft voor het ontstaan van deze verstoring. Het verzoek tot herstel van de arbeidsovereenkomst en billijke vergoeding wordt afgewezen.
Ten aanzien van het resterende vakantiedagenverzoek oordeelt het hof dat Centric onvoldoende heeft aangetoond dat [verzoekster] in februari 2018 arbeidsgeschikt was om vakantiedagen op te nemen. Daarom wordt Centric veroordeeld tot betaling van € 1.320,72 bruto met wettelijke rente en een wettelijke verhoging van 10%. Proceskosten worden in hoger beroep gecompenseerd.