Conclusie
[eiseres]) en verweerders in cassatie (hierna:
[verweerders]) met betrekking tot erfdienstbaarheden van weg uit 1961 en 1995 die rusten op de [a-straat] in [plaats] ten gunste van percelen van [eiseres] waarop een tuinbouwonderneming wordt gedreven. [verweerders] zijn eigenaar van een woning gelegen op de hoek van de [b-straat] en de [a-straat] (perceel [001] ). Ten behoeve van het op percelen van [eiseres] gevoerde tuinbouwbedrijf wordt met grotere en zwaardere vrachtwagens over de [a-straat] gereden dan volgens de erfdienstbaarheid uit 1961 is toegestaan. Nadat [eiseres] op vordering van [verweerders] in kort geding is veroordeeld de erfdienstbaarheid uit 1961 na te leven, is [eiseres] een procedure begonnen tegen [verweerders] waarin zij diverse vorderingen heeft ingesteld, waaronder een vordering voor recht te verklaren (i) dat [eiseres] aanspraak kan maken op de (ruimere) erfdienstbaarheid uit 1995 en [verweerders] gehouden zijn de bestaande [a-straat] te verbreden tot 5 meter en (ii) dat [eiseres] gerechtigd is gebruik te maken van de [a-straat] met al het voor de tuinderijen noodzakelijke vervoer. Het hof heeft deze vorderingen van [eiseres] grotendeels afgewezen. Ook heeft het hof afgewezen de – voor het eerst in hoger beroep ingestelde – vordering van [eiseres] voor recht te verklaren dat de [a-straat] enkel is gelegen op het perceel [002] en niet op perceel [001] en dat [verweerders] zich niet kunnen beroepen op de akte uit 1961, omdat hun perceel niet geldt als dienend erf. In cassatie wordt met diverse klachten opgekomen tegen de overwegingen die ten grondslag liggen aan de afwijzing van voornoemde vorderingen.
1.Feiten en procesverloop
perceel [001]. [3]
de erfdienstbaarheid).
de erfdienstbaarheid van 1995) luidt - voor zover hier van belang - als volgt [6] :
[betrokkene 1]) en had nummer I [002] (hierna:
perceel [002]). Dit perceel is na het in deze zaak gewezen vonnis van de rechtbank [van 7 december 2016,
toev. A-G] gesplitst en heeft de kadastrale nummers I [014] en I [015] gekregen. Bij notariële akte van 1 februari 2018 [7] is door [betrokkene 1] aan [verweerders] een perceel grond ter grootte van ongeveer 20 centiare geleverd. Dit perceel grond heeft het kadastrale nummer sectie I, [014] (hierna:
perceel [014]) en grenst aan het perceel [001] . De [a-straat] loopt over perceel [014] .
conventie:
reconventiegevorderd:
conventieafgewezen met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding.
reconventieheeft de rechtbank de vorderingen van [verweerders] op de volgende wijze toegewezen:
2.Bespreking van het cassatieberoep
Vooraf
1.Inleiding algemeen’, ‘
2.Feiten’, ‘
3.Middel 1’, ‘
4.Middel 2’, en ‘
5.Middel 3’.
A.Inleiding’, ‘
B.Klacht’ en ‘
C.Toelichting’.
C. Toelichting’ wel een toelichting gegeven op de klachten weergegeven in de paragrafen ‘
B. Klacht’ van de middelen 1, 2 en 3.
midden(‘de lengteas’) van de [a-straat] liep. [20] De vorderingen van [eiseres] in conventie (en die van [verweerders] in reconventie) waren gebaseerd op het uitgangspunt dat de aan [verweerders] toebehorende helft van de [a-straat] had te gelden als
dienend erfin het kader van de erfdienstbaarheden die in 1961 en 1995/6 waren gevestigd (mede) ten behoeve van de verderop aan de [a-straat] gelegen percelen van [eiseres] als heersend erf. In appel stelde [eiseres] zich na memoriewisseling echter plotseling op het standpunt dat de [a-straat] ter plaatse niet gedeeltelijk tot het perceel van [verweerders] behoort, maar
over de volle breedteaan [betrokkene 1] toebehoort. Daarmee ontviel de basis aan de oorspronkelijke vorderingen van [eiseres] (en van [verweerders] ). Daarop heeft [betrokkene 1] op 1 februari 2018 alsnog een strook van de [a-straat] aan [verweerders] overgedragen (perceel [014] ). [eiseres] heeft haar vordering op 5 februari 2018 gewijzigd als voormeld. Het hof oordeelt ter zake als volgt.
Vordering 0, de grens van perceel [001]’) eerst in rov. 12-15 vooropgesteld dat beoordeeld moet worden of [verweerders] , als eigenaar van perceel [001] , eigenaar waren of zijn van een deel van de [a-straat] .
beideerven (...)” (
cursivering hof). Uit diezelfde akte volgt dat aan [betrokkene 1] onder meer is geleverd een “
gedeeltelaan” (
cursivering hof). Dat gegeven en het feit dat de erfdienstbaarheidverlening over de [a-straat] ook ten laste van perceel [012] is gevestigd, brengt mee dat in ieder geval een deel van de [a-straat] deel uitmaakte van perceel [012] . Uit de aan de akte gehechte schetsmatige kaart is bovendien af te leiden dat een deel van de [a-straat] niet was gearceerd en aldus niet aan [betrokkene 1] is geleverd.
B. Klacht
onderdelen 1 en 2worden – naar ik uit de toelichting onder C meen te kunnen afleiden – toegelicht in par. 13 t/m 15. [eiseres] heeft daarin het volgende naar voren gebracht:
Eelder Woningbouw/ […] [30] volgt door welke uitlegmaatstaf notariële akten tot levering van registergoederen worden geregeerd.
onderdeel 3(sub 1 t/m 8) heeft te gelden dat die klachten, óók gelezen in samenhang met de toelichting onder C, om verschillende redenen niet voldoen aan de daaraan op grond van art. 407 lid 2 Rv Pro te stellen eisen.
B. Klacht
onderdeel 1. In par. 5 is de integrale tekst van de eerste vier pagina’s van de akte van [eiseres] van 27 juli 2016 opgenomen en in par. 6 de integrale tekst van par. 4.8 van de memorie van grieven. Gelet hierop meen ik de rechtsklacht van onderdeel 1 zo te moeten begrijpen dat het oordeel van het hof in rov. 45 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof de verplichting tot verbreding van de [a-straat] naar 5 meter ten onrechte niet heeft aangemerkt als een last tot het aanbrengen van een werk dat voor de uitoefening van een erfdienstbaarheid nodig is ex art. 5:71 BW Pro.
onderdeel 2interpreteer ik, gelet op par. 7 en 8 van de toelichting onder C, aldus dat het hof door de tekst van een erfdienstbaarheid ‘om te katten’ tot slechts een overeenkomst, heeft miskend dat uitgangspunt is dat de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening worden bepaald door de akte van vestiging.
dan wel, indien dit in de akte van vestiging is bepaald, om gebouwen, werken of beplantingen aan te brengen, die voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid nodig zijn, dan wel deze te onderhouden. De verplichting om de [a-straat] te verbreden valt daar niet onder maar moet worden aangemerkt als een - zoals door [verweerder 1] terecht is betoogd - verbintenisrechtelijke rechtsverhouding tussen de toenmalige verkoper en koper van de betreffende percelen. Dat de verplichting om de [a-straat] te verbreden in de akte is opgenomen onder het kopje ‘erfdienstbaarheden’ maakt dat niet anders.” (cursivering, A-G)
op zichzelfniet meebrengen dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
onderdeel 3(sub 1 t/m 4) geldt hetzelfde als voor de motiveringsklachten van onderdeel 3 van middel 1. De klachten voldoen, om meerdere redenen, niet aan de daaraan op grond van artikel 407 lid 2 Rv Pro te stellen eisen.
middel 3bestaat uit drie (hoofd)onderdelen en richt zich, volgens de tekst van de klacht, tegen rov. 37 t/m 45 (bedoeld zal zijn: rov. 25 t/m 35).
B. Klacht
onderdelen 1 en 2, in samenhang gelezen, meen ik – gelet op par. 2 t/m 5 en par. 8 van de toelichting onder C – aldus te moeten begrijpen dat het oordeel van het hof in rov. 27 dat de [a-straat] niet kan worden aangemerkt als een openbare weg, omdat er in 1961 een erfdienstbaarheid is gevestigd op een deel daarvan, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
onderdeel 3 sub 1meen ik zo te moeten interpreteren dat het oordeel van het hof in rov. 27 onbegrijpelijk is, omdat een erfdienstbaarheid en een openbare weg elkaar niet uitsluiten en een erfdienstbaarheid geen wijze is van het eindigen van een openbare weg.
onderdeel 3 sub 2meen ik – bij zeer welwillende lezing van par. 6 t/m 9 van de toelichting onder C – aldus te moeten begrijpen dat het oordeel van het hof in rov. 27 dat de [a-straat] geen openbare weg is, onbegrijpelijk is, omdat het hof met dit oordeel voorbij is gegaan aan de (essentiële) stellingen van [eiseres] in de MvG (p. 16-21) waaruit zou volgen dat de [a-straat] al ruim voor 1961 een openbare weg was en de rechthebbenden de [a-straat] al ruim voor 1961 bestempeld hebben tot openbare weg.