Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 16 oktober 2018
[appellante] B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“in reconventie
beideerven (…)” (
cursivering hof). Uit diezelfde akte volgt dat aan [eigenaar X] onder meer is geleverd een “
gedeeltelaan” (
cursivering hof). Dat gegeven en het feit dat de erfdienstbaarheidverlening over de [weg Y] ook ten laste van perceel [nummer BB] is gevestigd, brengt mee dat in ieder geval een deel van de [weg Y] deel uitmaakte van perceel [nummer BB] . Uit de aan de akte gehechte schetsmatige kaart is bovendien af te leiden dat een deel van de [weg Y]
nietwas gearceerd en aldus niet aan [eigenaar X] is geleverd.
rov. 4.7heeft de rechtbank overwogen dat de vestiging van een nieuwe erfdienstbaarheid in 1995 niet betekent dat de oude erfdienstbaarheid teniet gaat en dat [appellante] zich heeft te houden aan de beperkingen op grond van de erfdienstbaarheid.
rov. 4.8heeft de rechtbank overwogen dat op [verweerder 1] niet de verplichting rust de weg te verbreden tot 5 meter. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank en maakt dat tot het zijne. Het hof voegt daaraan toe dat het gebruik in artikel 9 van Pro de akte van de terminologie “verkoper” en “koper” ook erop duidt dat partijen een verbintenisrechtelijke rechtsverhouding tussen de koper en de verkoper in het leven hebben willen roepen, mede omdat de verplichting om de weg te verbreden afhankelijk is gemaakt van de wil van de verkoper. Daarmee wijkt artikel 9 ook Pro af van artikel 8, waarin wordt gesproken van de eigenaar van het perceel, welke aanduiding abstracter is en ook elke opvolgende eigenaar kan betreffen. Ook in de akte van levering aan Vellekoop is de verplichting van de koper om de [weg Y] te verbreden niet opgenomen als erfdienstbaarheid, maar als verplichting van Vellekoop.
4.9-4.11hebben betrekking op uitbreiding van de erfdienstbaarheid door verjaring. Hetgeen de rechtbank overwoog is juist. Ook in hoger beroep stelt [appellante] dat zij zich primair beroept op verkregen toestemming van de andere eigenaren voor breder en zwaarder verkeer dan in de erfdienstbaarheid toegestaan (pagina 27 memorie van grieven). Een dergelijke toestemming verhoudt zich niet tot de stelling van [appellante] dat zij bezitsdaden heeft verricht waardoor sprake zou zijn van verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring. Ook het enkele gebruik van de weg door bewoners en gebruikers van de [weg Y] leidt niet tot de conclusie dat [appellante] of haar rechtsvoorgangers bezitsdaden heeft of hebben verricht. De verklaringen waarop [appellante] zich beroept zijn in zoverre niet relevant.
4.12-4.16hebben betrekking op de uitleg van de erfdienstbaarheid. Het hof onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. Nu [appellante] terecht geen grief heeft gericht tegen het oordeel dat over de tekst van de akte wat betreft de breedte van de laan en het verkeer dat over deze weg mag rijden geen twijfel kan bestaan, kunnen haar stellingen niet tot resultaat leiden. Voor zover de toekomstige ontwikkelingen niet passen binnen de grenzen van de erfdienstbaarheid, dwingt dat, anders dan [appellante] stelt, niet tot een andere uitleg van de akte, maar dienen de ontwikkelingen zich aan het op die akte gebaseerde recht aan te passen. Met andere woorden: door haar bedrijf te ontwikkelen kan [appellante] niet een andere uitleg van de vaststaande begrippen breedte (2,20 m) en gewicht (10 ton) afdwingen.
4.14feitelijk onjuist is, maar zij geeft niet aan wat daarvan de gevolgen zijn en evenmin waarom dan, anders dan de rechtbank overwoog, er toch sprake is van het ontstaan van een erfdienstbaarheid door verkrijgende verjaring. [appellante] heeft in deze procedure niet wijziging van de erfdienstbaarheid gevorderd, zodat haar stellingen daarover onbesproken kunnen blijven.
- het aanbod te bewijzen dat de [weg Y] een openbare weg is wordt gepasseerd omdat het niet ziet op te bewijzen feiten, maar op een juridische consequentie;
- het aanbod te bewijzen dat de [weg Y] door ieder gebruikt is als doorgaande weg naar [plaats B] is niet van een voldoende feitelijke onderbouwing voorzien;
- het aanbod te bewijzen dat de [weg Y] in 1972 is gesplitst is niet relevant voor de te nemen beslissing;
- het aanbod te bewijzen dat alle eigenaren de [weg Y] gebruikt hebben vanaf 1900 voor alle mogelijke vervoer zwaarder dan tien ton en breder dan 2,20 meter is op zichzelf niet relevant omdat het niets zegt over de titel waarop dat gebruik gebaseerd was;
- het aanbod te bewijzen wat de reden voor de vestiging van de erfdienstbaarheid was, is niet relevant, terwijl de stellingen die [appellante] in dit verband heeft ingenomen niet van een voldoende onderbouwing zijn voorzien;
- het aanbod te bewijzen dat een buurweg tot stand is gekomen doordat alle eigenaren de [weg Y] gebruikten voor breder en zwaarder vervoer dan in 1961 beschreven is niet relevant omdat daaruit, zoals hierboven is overwogen, niet de bestemming tot buurweg volgt.
Beslissing
- verklaart voor recht dat [appellante] aanspraak kan maken op de erfdienstbaarheid zoals deze is gevestigd in 1996, doch slechts ten behoeve van verkeer van en naar perceel [nummer ZZ] ;
- bekrachtigt het vonnis voor het overige;
- wijst het meer of anders gevorderde af;
- vernietigt het vonnis voor zover het met hetgeen onder (i) en (iii) is bepaald, in strijd is;
- wijst af het meer of anders gevorderde;