Conclusie
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat het hof ten onrechte het verweer dat een ‘andere feitelijkheid’ in de zin van art. 284 Sr Pro niet enkel kan bestaan uit het uitspreken van woorden heeft verworpen. ’s Hofs oordeel dat onder omstandigheden ook het uitspreken van woorden onder een ‘andere feitelijkheid’ kan worden begrepen, zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk zijn.
animus iniuriandiligt opgesloten. Door het gebaar of welke feitelijkheid ook moet worden te kennen gegeven dat men wil beleedigen. Uit den aard der zaak krijgt dus de uitdrukking in art. 266 een Pro enigszins meer beperkte beteekenis. Dit voorstel echter omvat elke feitelijkheid of de bedreiging daarmede waardoor dwang kon worden veroorzaakt, en het woord verkrijgt daardoor naar mijn meening een ruimere beteekenis’. [5] Willinge wil van de minister weten of zijn opvatting ‘daaromtrent in het algemeen juist is’ en knoopt daar nog de vraag aan vast ‘of mijn opvatting goed is, dat het woord ‘feitelijkheid’ altijd beteekent een positieve daad, dus nooit iets negatiefs’.
nieuw, is. Nu zou ik die redeneering juist willen omkeeren en zeggen, dat de beteekenis van het woord ‘feitelijkheid’ in dit artikel enger moet zijn en ook inderdaad is dan in art. 266. Waarom? Omdat het veel gemakkelijker is door een feitelijkheid te beleedigen dan door een feitelijkheid te dwingen. Men heeft in dit artikel niet te doen met een feitelijkheid, om zoo te zeggen staande op zich zelf, zonder verband met iets anders; de feitelijkheid moet toch in verband staan met de dwangoefening; zij moet een zoodanige zijn, dat daardoor de dwang, dien men wil aandoen, ook werkelijk kan aangedaan worden. Ik geloof dus, dat de redeneering van den geachten afgevaardigde in hoofdzaak juist is en ik, wat die hoofdzaak betreft, mij daarbij kan aansluiten, nl. in zoover wij de beteekenis van het woord ‘feitelijkheid’ moeten putten uit de geschiedenis van art. 266. Daarnaast zal men dan te letten hebben op het verschillend verband, waarin de uitdrukking in de beide artikelen voorkomt… ’. De vraag van het Tweede Kamerlid Willinge of ‘het begrip feitelijkheid alleen zou zijn een positieve daad en niet ook iets negatiefs’ beantwoordt de minister bevestigend. [6]
NJ1997/598. Het is de vraag of die gevolgtrekking inderdaad rechtstreeks uit dat arrest voortvloeit. Ten laste gelegd was dat de verdachte tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen ter uitvoering van het voornemen om een B.V. ‘door na te noemen
feitelijkheidwederrechtelijk te dwingen tot afgifte van een geldbedrag’, deze B.V. had benaderd en verzocht dit geldbedrag te voldoen of te overhandigen bij gebreke waarvan zou worden overgegaan tot openbaring of verstrekking aan derden van een computerbestand, althans dit computerbestand niet zou worden teruggegeven. Uw Raad oordeelde de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig, ‘aangezien die mededelingen op zichzelf niet kunnen worden aangemerkt als een feitelijkheid, welke term in de tenlastelegging kennelijk in dezelfde betekenis is gebezigd als daaraan toekomt in art. 284 Sr Pro’. Die beslissing berust vermoedelijk op het oordeel dat het, zoals A-G Machielse het (onder 14) verwoordt, ‘hooguit’ om een
bedreigingmet een feitelijkheid gaat. In die zin begrijp ik ook Lindenberg, die uit dit arrest afleidt dat ‘het bestanddeel ‘andere feitelijkheid’ in art. 284 Sr Pro wordt begrensd door de reikwijdte van de andere, meer specifieke dwangmiddelen in de bepaling’. [11] Noyon-Langemeijer-Remmelink, waar Knigge in dezelfde voetnoot ook naar verwijst, leidt wel uit het arrest af dat feitelijkheden ‘niet uitsluitend bestaan in het uitspreken van woorden’. [12] Er is naar het mij voorkomt weinig reden om de verschillen tussen beide opvattingen op te kloppen: woorden worden altijd in een context geuit en die context zal bij het beoordelen van de (dwingende) lading (welhaast) altijd een rol spelen. [13]
Stb.2013, 95) is relevant. De memorie van toelichting bij genoemd wetsvoorstel houdt onder meer het volgende in: [14]
NJ1998/607 heeft Uw Raad expliciet gesteld dat ‘de wetsgeschiedenis met betrekking tot de invoeging van het bestanddeel ‘feitelijkheid’ in art. 284 Sr Pro bij de Wet van 13 april 1903, Stb. 1903, 101, en in (onder meer) art. 242 Sr Pro bij de Wet van 19 oktober 1991, Stb. 1991, 519, geen steun (biedt) aan de (…) opvatting dat aan het begrip ‘feitelijkheid’ in art. 284 Sr Pro een minder ruime uitleg moet worden gegeven dan aan datzelfde begrip in art. 242 Sr Pro’. In de rechtspraak inzake de artikelen 242 en 246 Sr komen veel zaken naar voren waarin het uitspreken van woorden centraal staat. Lindenberg en Van Dijk noemen verschillende typen gedragingen die blijkens rechtspraak van Uw Raad een feitelijkheid in de zin van deze artikelen kunnen opleveren, in twee daarvan staan woorden centraal. [19]
NJ1997/485 m.nt. ’t Hart bestond de feitelijkheid daarin dat de verdachte (een huisarts) het slachtoffer, patiënt van de verdachte, in zijn spreekkamer, op dwingende toon had geboden gebukt te gaan staan. In HR 2 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1356,
NJ1999/312 bestond één van de tenlastegelegde feitelijkheden erin dat de verdachte het (verstandelijk gehandicapte) slachtoffer met woorden had gedwongen zich uit te kleden. Uit HR 2 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ1188,
NJ2004/78 ten slotte volgt dat Uw Raad onder omstandigheden het met barse stem toespreken van het slachtoffer als een feitelijkheid wil aanmerken.
NJ2000/125 had de verdachte het slachtoffer in een ‘afhankelijkheidsrelatie’ gebracht. Uit ’s hofs vaststellingen volgt onder meer dat de verdachte leider was van een leefgemeenschap waar ook het slachtoffer deel van uitmaakte, dat hij zeer dominant was, het slachtoffer vaak kleineerde en vaak erg woedend was. In HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:494,
NJ2013/427 was (naast een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht) het inspelen op de devotie/godvruchtigheid van het slachtoffer als feitelijkheid aangemerkt.
NJ1998/534 m.nt. De Hullu was tenlastegelegd, kort gezegd, dat de verdachte het slachtoffer had gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam door zich terwijl zij niet (geheel) wakker was tegenover haar voor te doen als haar partner. Het hof had de verdachte vrijgesproken; Uw Raad liet deze vrijspraak in stand, overwegend dat van dwingen in de zin van art. 242 Sr Pro slechts sprake kan zijn ‘indien de verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer de in art. 242 Sr Pro bedoelde handelingen tegen haar wil heeft ondergaan’. Het bestanddeel ‘dwingen’ in art. 246 Sr Pro wordt in dezelfde zin uitgelegd (HR 5 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1701, overigens geen situatie van misleiding). [21] Uw Raad legt het begrip feitelijkheid in art. 284 Sr Pro, zo bleek eerder (randnummer 19), niet minder ruim uit dan in art. 242 Sr Pro. Mede tegen deze achtergrond is er geen reden om aan te nemen dat Uw Raad aan het bestanddeel ‘dwingen’ in art. 284 Sr Pro een andere uitleg geeft dan in art. 242 en Pro 246 Sr.
NJ2007/422 m.nt. Buruma relevant. Uw Raad overwoog dat het hof blijkens de bewijsmiddelen onder meer had vastgesteld dat de verdachte, werkzaam bij de ambulancedienst als instructeur en leidinggevende, wetende dat hij door aangeefsters als zeer deskundig werd aangemerkt, van zijn overwicht en overtuigingskracht gebruik had gemaakt bij het verkrijgen van toestemming tot het verrichten van seksuele handelingen. De op de artikelen 242 en 246 Sr gebaseerde veroordeling werd gecasseerd omdat uit de bewijsmiddelen ‘niet zonder meer (kon) volgen dat de verdachte opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of de aangeefsters in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht, dat zij zich daardoor niet tegen die handelingen konden verzetten, of dat de verdachte de aangeefsters heeft gebracht in een zodanige, door hem opzettelijk veroorzaakte, (bedreigende) situatie dat het daardoor voor haar zo moeilijk was om zich aan die handelingen te onttrekken dat er sprake was van dwang van de kant van de verdachte’. Uit deze formulering kan worden afgeleid dat Uw Raad bij misleiding wel van ‘dwingen’ wil spreken als deze gepaard gaat met het creëren van (grote) psychische druk dan wel een bedreigende situatie.
NJ2013/427 was sprake van het door een psychisch en uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht alsmede het inspelen op de devotie/godvruchtigheid van het slachtoffer doen ontstaan van een voor het slachtoffer ongelijkwaardige situatie waardoor zij zich niet kon verzetten tegen de seksuele handelingen. A-G Hofstee besprak in zijn conclusie bij dit arrest (onder 13) ook HR 31 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZE0139 (niet gepubliceerd). Daarin waren de verdachte en haar mededader werkzaam in een klooster waar het slachtoffer van haar negende tot haar vijftiende levensjaar verbleef. De bewezenverklaring hield, volgens de conclusie van A-G Machielse, in dat de verdachte en haar mededader zich opzettelijk uitgaven als profeten van God en tegen het slachtoffer hadden gezegd ‘dat dit de opdracht van God was’. Uit de verklaring van het slachtoffer volgt dat zij geloofde dat de verdachte en haar mededader profeten van God waren. Daarmee wijzen de vaststellingen in dit arrest er op dat ook hier sprake was van een situatie van misleiding gekoppeld aan psychische druk, en dat het slachtoffer in de veronderstelling kan hebben verkeerd te worden gedwongen door de omstandigheden, niet door degene die haar de informatie verstrekte. Dat Uw Raad de middelen verwierp met de aan art. 101a (oud) RO ontleende motivering, duidt erop dat Uw Raad daarin geen argument zag om geen dwang aan te nemen.