Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
20 februari 2018.
Hoge Raad
De verdachte, werkzaam als activiteitenbegeleider, werd beschuldigd van het toepassen van dwang op een vijfjarig meisje door haar ogen af te dekken en een voorwerp in haar mond te stoppen terwijl zij op het toilet waren. Het cassatieberoep richtte zich op de toepassing van het bewijsverweer omtrent de eis van meerdere getuigen (unus testis) en de kwalificatie van het handelen als dwang conform artikel 284 Sr Pro.
Het gerechtshof Amsterdam had de verdachte eerder veroordeeld, waarna het beroep in cassatie werd ingesteld. De advocaat van verdachte stelde middelen van cassatie voor, maar de Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de middelen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaakten. Het beroep werd derhalve verworpen.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 20 februari 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van de verdachte voor dwang.