Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
substance, vervult geen houdster- of schakelfunctie in het concern en is geen actieve participatiemaatschappij. De feitelijke beslissingsbevoegdheid berust bij [A] . Zijn eventuele werkzaamheden kunnen, mede gezien de ratio van art. 17(3)(b) Wet Vpb, niet aan de belanghebbende worden toegerekend. Naar ’s Hofs oordeel gaat het om een volstrekt kunstmatige constructie, zodat noch de MDR, noch de vrijheid van vestiging toepassing van art. 17(3)(b) Wet Vpb verhindert.
overkillmogen inhouden en daarom ofwel reeds in hun abstracte vormgeving, ofwel in hun concrete toepassing in reikwijdte beperkt moeten blijven tot volstrekt kunstmatige constructies; (b) de fiscus minimaal een ‘begin van bewijs of aanwijzingen’ van misbruik in het concrete geval moet leveren en (c) de belastingplichtige steeds een reële gelegenheid tot tegenbewijs van zakelijkheid van zijn constructie moet krijgen. De belanghebbende heeft daarom gelijk dat de ‘wegdenk’-techniek die de wetgever bij art. 17(3)(a) Wet Vpb voorstond, onverenigbaar lijkt met ’s Hofs rechtspraak: uit
Eqiom en Enkaen
Deister en Juhlervolgt dat het enkele feit dat de achterliggende aandeelhouder bij een rechtstreeks belang in Holding meer belasting zou moeten betalen dan bij een indirect via een niet-ingezeten vennootschap gehouden belang, op zichzelf geen misbruik impliceert. De wetgever heeft echter ook aansluiting voorgeschreven bij de rechtspraak van het HvJ EU en dat concreet en individueel beoordeeld moet worden of sprake is van misbruik. Die benadering strookt met het EU-recht en is door het Hof Den Haag daadwerkelijk gevolgd.
isals het ware haar tussenschuiving voor de toepassing van art. 17(3)(b) Wet Vpb. Het Hof is er daarbij kennelijk en mijns inziens terecht van uitgegaan dat art. 17(3)(b) Wet Vpb ook zou zijn toegepast als de belanghebbende niet was geëmigreerd, nl. bij (door)uitdeling door de belanghebbende aan de Jersey- c.q. Zwitserse vennootschap(pen) tussen [A] en de belanghebbende. Dat gegeven roept om een verklaring van de belanghebbende voor haar verplaatsing naar Luxemburg, nu zonder die verplaatsing kennelijk niet aan art. 17(3)(b) Wet Vpb viel te ontkomen. Zij heeft echter geen enkele verklaring kunnen geven, hoewel op haar de bewijslast te dier zake rustte, ook volgens HvJ EU
Cadbury Schweppes. Zij heeft dus niet enig tegenbewijs geleverd dat zij haar a.b. in Holding vanuit Luxemburg is gaan houden met het oog op “de daadwerkelijke uitoefening van een economische activiteit voor onbepaalde tijd door middel van een duurzame vestiging” in Luxemburg en niet vooral ook met het oog op, zoals de Inspecteur aannemelijk had gemaakt, ontwijking van dividendbelastingheffing ten laste van [A] .
Eqiom en Enkaalle gevallen werden uitgesloten waarin achter de EU-Moeder een niet-EU aandeelhouder school, en bovendien de bewijslast werd omgekeerd. Een dergelijk véél te ruim misbruikvermoeden en een dergelijke eenzijdige bewijslastverdeling zijn disproportioneel. In belanghebbendes geval is echter van het één noch het ander sprake. De Duitse regeling tegen
outbound profit transfersvia MDR-
shoppingdie aan de orde was in
Deister en Juhlerhad weliswaar wel ‘specifiek tot doel’ misbruik te bestrijden, maar liet geen tegenbewijs toe. Van uitsluiting van tegenbewijs is in belanghebbendes geval echter geen sprake, zelfs niet van omkering van de bewijslast. In de wijze waarop het Hof art. 17(3)(b) Wet Vpb concreet toegespitst heeft toegepast op belanghebbende individuele geval, kan daarin, anders dan de belanghebbende stelt, mijns inziens geen categorisch ‘algemeen vermoeden van misbruik’ gezien worden, laat staan een onweerlegbaar dergelijk vermoeden.
Deister en Juhler, zoals de belanghebbende stelt, is dat geen probleem, nu immers in belanghebbendes geval wél tegenbewijs is toegelaten volgens de vrije bewijsleer. Anders dan de belanghebbende stelt, is het Hof wel degelijk op haar stellingen over haar juridische en economische functie(s) bij de verkoop van de verzekeringsactiviteiten, bij de afwikkeling van een kopersclaim en bij aansprakelijkheidsbeperking ingegaan, maar heeft hij daar niet het gevolg uit getrokken dat de belanghebbende wenst. Nu ’s Hofs maatstaf van beoordeling expliciet EU-recht-conform is, kan over ’s Hofs daaruit getrokken feitelijke conclusie in cassatie niet met vrucht geklaagd worden behalve in geval van onbegrijpelijkheid, waarvan mijns inziens echter geen sprake is. Anders dan de belanghebbende stelt, heeft het Hof niet ‘mechanisch’ beslist, maar maatwerk geleverd.
BNB2012/102 en HR
BNB2001/210, waarop de belanghebbende zich beroept, zijn mijns inziens voor haar geval niet relevant wegens onvergelijkbaarheid van de gevallen.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
[H]( [H] ) over een minderheidsbelang in [G] als strategisch partner. In december 2012 heeft [H] alle aandelen [G] van de belanghebbende gekocht voor € 8,6 miljoen. [H] kwam uit het eigen netwerk van [A] ; de belanghebbende heeft met het vinden van een koper en de verkooponderhandelingen geen inhoudelijke bemoeienis gehad. Haar bestuur heeft bij de aan- en verkoop van [D] uitsluitend ondersteunende administratieve handelingen verricht en geen beleid bepaald, maar slechts de wil van [A] uitgevoerd. Niet in geschil is dat niet de belanghebbende, maar [A] beschikte over de zakelijke deskundigheid, handelsbetrekkingen en ervaring. De belanghebbende meent echter dat [A] ’ bemoeienis aan haar moet worden toegerekend.
substanceheeft. Zij heeft de aanslag verminderd naar nihil en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd.
NTFR2017/1502) becommentarieerde deze uitspraak als volgt:
NLF2017/0885) betwijfelde de juistheid van de uitspraak:
FutD(2017/0652):
substance-arme vennootschap is, (ii) geen functie vervult als tophoudster of schakelende tussenhoudster en (iii) geen actieve participatiemaatschappij is, nu zij geen invloed uitoefent op de verzekeringsonderneming en in de schakels boven de belanghebbende geen materiële onderneming wordt gedreven. De feitelijke beslissingsbevoegdheid in de belanghebbende berustte bij [A] en de commerciële risico’s van financiële verliezen kwamen voor diens rekening. [A] ’ werkzaamheden waren volgens het Hof geen werkzaamheden van de belanghebbende omdat de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat [A] bevoegd was rechtshandelingen namens haar te verrichten. Toerekening van [A] ’ handelingen aan de belanghebbende strookt volgens het Hof ook niet met de ratio van art. 17(3)(b) Wet Vpb:
Eqiom en Enka; PJW]). De omstandigheid dat de kunstmatigheid van de constructie pas voor de Nederlandse belastingheffing relevante gevolgen heeft gekregen door de verplaatsing van de feitelijke leiding naar Luxemburg, die klaarblijkelijk geen reële betekenis had, leidt evenmin tot een andere conclusie.”
NTFR2018/250) heeft de Hofuitspraak als volgt becommentarieerd:
Deister en Juhler; PJW] NTFR 2018/47, waarin het HvJ duidelijk heeft aangegeven dat de Moeder-Dochterrichtlijn geen enkel vereiste bevat met betrekking tot de aard van de economische activiteit (zie NTFR 2018/47, met commentaar van Ravelli). Ook wijs ik op r.o. 73 van het HvJ in genoemde zaak: ‘De omstandigheid dat de economische activiteit van de niet-ingezeten moedermaatschappij bestaat in het beheren van de activa van haar dochterondernemingen of dat die moedermaatschappij uitsluitend uit dat beheer inkomsten verwerft, impliceert op zich echter niet dat sprake is van een kunstmatige constructie die geen verband houdt met de economische realiteit.’
NLF2018/0011) betwijfelt of de dividenduitkering wel onder de bepalingen van de MDR valt:
3.Het geding in cassatie
drie middelenvoor.
Het eerstehoudt in dat het Hof art. 5 juncto Pro art. 1(2) MDR, art. 49 juncto Pro art. 54 VwEU Pro en art. 17(3)(b) Wet Vpb en/of zijn motiveringsplicht heeft geschonden doordat hij heeft beslist dat (i) zij het belang in Holding hield met als een van de voornaamste doelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan en (ii) dat het om een volstrekt kunstmatige constructie zou gaan. Zij acht ‘s Hofs criteria voor vaststelling van een volstrekt kunstmatige constructie onjuist en in strijd met de MDR. Beslissend zijn volgens haar niet de motieven voor de zetelverplaatsing, maar die voor het houden van het aanmerkelijke belang, waarbij alle feiten en omstandigheden vanaf het ontstaan van de structuur moeten worden meegewogen. Ook vóór de zetelverplaatsing waren er namelijk al redenen om het belang in Holding via de belanghebbende te houden.
Deisteren
Juhlervoor het HvJ EU, die zich verzetten tegen een algemeen bewijsvermoeden zoals het Hof volgens haar heeft toegepast:
Deister, punt 74, althans zonder nadere motivering, die in onderdeel 7.4.12 van de uitspraak van het Gerechtshof ontbreekt, onbegrijpelijk.”
substance-toets gaat ten onrechte veel verder dan ‘fraude of misbruik’ in de zin van de MDR.
tweede middelhoudt in dat het Hof art. 17(3)(b) Wet Vpb juncto art. 1(2) MDR juncto art. 49 VwEU Pro en/of de motiveringsplicht heeft geschonden doordat hij heeft beslist dat belanghebbendes belang in Holding niet behoorde tot het vermogen van een onderneming, en dat de activiteiten van [A] niet aan belanghebbende kunnen worden toegerekend. De belanghebbende had wel degelijk een materiële onderneming, waarbinnen het belang in Holding werd gehouden. Ook handelingen van anderen dan de statutaire directie en gevolmachtigden kunnen aan de belanghebbende worden toegerekend:
BNB2016/166, dat inhoudt dat voor de bedrijfsopvolgingsregeling onder werkzaamheden voor rekening en risico van een vennootschap rekening moet worden gehouden met zowel door eigen werknemers verrichte arbeid als uitbestede werkzaamheden. ’s Hofs oordeel dat toerekening van [A] ’ werkzaamheden in strijd zou zijn met de ratio van art. 17(3)(b) Wet Vpb is onbegrijpelijk, gelet op HvJ EU
Eqiom en Enkaen
Deister en Juhler. [A] ’ werkzaamheden vormen volgens de belanghebbende juist een wezenlijk en relevant aspect van de te beoordelen situatie (
Deister en Juhler, punt 74). Dat het uiteindelijke verlies voor rekening zou komen van [A] is irrelevant, want in elke structuur komt het resultaat uiteindelijk ten bate of ten laste van de uiteindelijk aandeelhouder.
derde middelhoudt in dat art. 17(3)(b) Wet Vpb juncto art. 1(2) MDR juncto art. 49 VwEU Pro en/of de motiveringsplicht zijn geschonden, dit keer doordat het Hof heeft beslist dat het belang in Holding niet behoort tot het vermogen van een onderneming omdat sprake zou zijn van beleggen en daarbij is uitgegaan van een te ruim begrip van beleggen. Het belang in Holding werd ten tijde van de uitkering niet als belegging gehouden, nu de belanghebbende toen een meerderheidsbelang hield in een actieve onderneming ( [D] ) en in een voormalig actieve onderneming (Holding) in een afwikkelingsfase, zodat art. 17(3)(b) Wet Vpb toepassing mist. Als het Hof zijn invulling van ‘meer dan normaal vermogensbeheer’ in r.o. 7.4.7 (topholding, schakelfunctie of actieve participatie) limitatief heeft bedoeld, gaat hij uit van een verkeerde rechtsopvatting. Is die invulling niet limitatief bedoeld, dan is zonder nadere motivering niet begrijpelijk dat het in casu om beleggen zou gaan. De belanghebbende verwijst naar HR
BNB2012/102, waaruit volgt dat binnen een concern een tussenhoudster tussen een topholding en werkmaatschappijen geen belegging is, zelfs niet als zij zich niet bemoeit met haar deelnemingen. Uit HR
BNB2001/210 volgt voorts dat niet relevant is of de belanghebbende zelf een (materiële) onderneming drijft; relevant is slechts dat met de deelneming in Holding werd gestreefd naar meer rendement en waardestijging dan die welke van normaal vermogensbeheer konden worden verwacht en dat die ook werden bereikt.
Cadbury Schweppesstelde aan de proportionaliteit van vrij-verkeerbelemmerende antimisbruikmaatregelen.
Eqiom en Enka(zie 7.4) en de Duitse bepalingen in de gevoegde zaken
Deisteren
Juhler(zie 7.5) niet vergelijkbaar met het litigieuze art. 17(3)(b) Wet Vpb:
BNB2012/102 gaat over de
standstill-bepaling van (thans) art. 64 VwEU Pro en over een tussenhoudster met een schakelfunctie en is daarom volgens de Staatssecretaris in casu niet van belang. Ook HR
BNB2001/210 acht hij niet relevant omdat in die zaak feitelijk vast stond dat de belastingplichtige een spilfunctie vervulde bij de bedrijfsopvolging en dat zij haar belang niet ter belegging hield.
4.Artikel 17(3)(b) Wet Vpb 1969 en zijn parlementaire geschiedenis
De wettekst
ultimate beneficial owner(s). Deze ‘ontgaanstoets’ is een ‘doorlopende’ toets, die moet worden toegepast in overeenstemming met de ‘volstrekt kunstmatige constructie’-rechtspraak van het HvJ EU, aldus de medewetgever: [11]
substanceeisen golden voor een schakelende tussenhoudster: [15]
substance. De wijze waarop beoordeeld wordt of sprake is van een schakelfunctie wijzigt niet ten opzichte van het huidige beleid. Wat onder een schakelfunctie moet worden verstaan, is aan de orde gekomen tijdens de parlementaire behandeling van Overige fiscale maatregelen 2010. Van een schakelfunctie is sprake indien de tussen-houdster een relatie legt tussen de bedrijfsmatige activiteiten of hoofdkantooractiviteiten van de moedermaatschappij en de activiteiten van haar kleindochtermaatschappij(en). De term relevant is nieuw. Voor de aanwezigheid van relevante substance dient er in ieder geval ook te worden voldaan aan een tweetal aanvullende nieuwe criteria: het loonkostencriterium van € 100.000 en het vereiste van een eigen kantoorruimte.
Eqiom en Enka(zie 7.4 hieronder) en
Deister en Juhler(zie 7.5 hieronder). Gezien de genoemde arresten valt immers te vrezen dat het HvJ EU niet zal inzien dat een loonsom lager dan € 100.000 per jaar steeds misbruik bewijst en dat tegenbewijs niet toegestaan zou hoeven worden.
5.De rechtspraak waarop de belanghebbende zich beroept
BNB2001/210 [17] af dat niet relevant is of zij een materiële onderneming drijft. Die zaak betrof art. 13(3) Wet Vpb (tekst 1991/1992), dat bepaalde dat met een deelneming wordt gelijkgesteld een belang dat weliswaar kleiner is dan 5% maar het aanhouden ervan in lijn ligt met de normale ondernemingsuitoefening of het algemeen belang is gediend. Het hof had geoordeeld dat de belanghebbende in die zaak “vanaf 1986 onafgebroken de spil was in het geheel van financiële betrekkingen en contractuele relaties aangegaan met het oog op de bedrijfsopvolging”. [18] U oordeelde:
BNB2001/210: hij heeft juist uitdrukkelijk geen ‘spilfunctie in de bedrijfsopvolging’ gezien. Dat feitelijke oordeel is niet onbegrijpelijk.
BNB2012/102 [19] af dat tussenhoudsters geen beleggingsmaatschappijen zijn en dat aandelen in een tussenholding (dus) niet gehouden worden als belegging. De tussenhoudster in die zaak hield belangen tussen 50% en 100% in twaalf buitenlandse vennootschappen en keerde dividenden uit aan haar Canadese 100%-aandeelhoudster. De fiscus zag een belegging in plaats van een deelneming. U overwoog:
BNB2016/166 [20] af dat voor de beoordeling of haar belang in Holding tot een ondernemingsvermogen behoorde, rekening moet worden gehouden met de werkzaamheden die [A] verrichte; die moeten volgens haar aan haar worden toegerekend. HR
BNB2016/166 betrof een schenking door de ouders van de belanghebbende van een honderdste deel van een certificaat van aandeel in een Holding. Het geplaatste kapitaal in die holding bestond uit 50 aandelen waarvan de ouders alle certificaten bezaten. In de aangifte schenkingsbelasting werd een beroep op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet gedaan. In geschil was in hoeverre sprake was van ondernemingsvermogen in de zin van art. 35b(3) Successiewet. U oordeelde:
BNB2016/166, nu zij en Holding ten tijde van de dividenduitkering geen deel uitmaakten van een onroerend-goed-exploitatie-concern dat meer dan 20% rendement haalde.
6.De EU Moeder-dochterrichtlijn
dual resident companiesalleen uit in verhouding tot derde landen. [22] De MDR is dus van toepassing op belanghebbendes geval.
bevoegdmaakt misbruik te bestrijden (thans lid 4), maar hen daartoe
verplicht:
Cadbury Schweppes [27] betrof de Britse CFC [28] -wetgeving die ertoe leidde dat het VK de winst van twee volgens het VK laagbelaste [29] Ierse groepsvennootschappen belastte bij de Britse moedervennootschappen van die Ierse vennootschappen. De vraag was of daarmee de EU-vrijheid van vestiging werd geschonden, nu dergelijke dochterwinst-toerekening aan de moeder (uiteraard) niet plaatsvond in geheel binnenlandse gevallen. Het HvJ zag in deze winsttoerekening aan de moeder een beperking van de vestigingsvrijheid, die weliswaar gerechtvaardigd kon worden door de noodzaak misbruik (kunstmatige winst-verplaatsing) te bestrijden, maar alleen als het toepassingsgebied van die CFC-wetgeving beperkt zou blijven tot daadwerkelijk misbruik, nl. volstrekt kunstmatige constructies (geen
overkill). Uit r.o. 70 blijkt dat op de belastingplichtige, omdat die daartoe in de beste positie is, de last gelegd mag worden te bewijzen – als de fiscus daaraan voldoende twijfel heeft gezaaid - dat sprake is van een reële vestiging die daadwerkelijk economische activiteiten uitoefent:
Euro Park Service [31] betrof het soevereiniteitsvoorbehoud in art. 11(1)(a) (oud) van de Fusierichtlijn 90/434, dat als volgt luidde:
Euro Park Servicedie alle aandelen hield in de Franse vennootschap
SCI Cairnbulg Nanteuil. Cairnbulg werd op 26 november 2004 ontbonden door en ten gunste van haar enige aandeelhouder Euro Park Service, waarbij Cairnbulg zich beriep op een bijzondere fusieregeling (het ging kennelijk om een opslokfusie) die de netto meerwaarden en de winst op de activa die overgingen naar Euro Park Service onbelast liet. De fiscale waarde daarvan werd geschat op ruim € 9,3 miljoen, maar op dezelfde dag verkocht Euro Park Service de naar haar overgegane activa door voor bijna € 15,8 miljoen. De Franse wetgeving eiste voorafgaande goedkeuring van de fiscus voor een dergelijke gefacilieerde fusie van een Franse rechtspersoon in een buitenlandse rechtspersoon, die Cairnbulg echter niet had gevraagd en die volgens de Franse fiscus ook niet verleend zou zijn omdat het zijns inziens om misbruik ging. Bij een dergelijke fusie in een binnenlandse rechtspersoon was voorafgaande toestemming niet vereist. Toestemming (in grensoverschrijdende gevallen) werd slechts verleend als de betrokken Franse belastingplichtige aantoonde dat (i) de transactie haar rechtvaardiging vond in zakelijke overwegingen, (ii) belastingfraude of -ontwijking niet (een van de) hoofddoel(en) was, en (iii) verzekerd was dat de meerwaarden waarvoor belastinguitstel wordt verleend in de toekomst in Frankrijk konden worden belast. Het HvJ EU oordeelde dat Frankrijk met deze regeling buiten de reikwijdte van het bevoegdheidsvoorbehoud ex art. 11(1)(a) Fusierichtlijn was getreden en (daarmee ook) in strijd handelde met de vrijheid van vestiging, nu de rechtvaardiging van misbruikbestrijding dezelfde draagwijdte heeft als zij wordt ingeroepen onder art. 11(1)(a) Fusierichtlijn als wanneer zij wordt ingeroepen als rechtvaardiging van een uitzondering op het primaire recht (de EU-vestigingsvrijheid):
Eqiom SAS en Enka SA [32] betrof het in 6.1 geciteerde soevereiniteitsvoorbehoud in art. 1(2) (oud) MDR. Eqiom was een Franse vennootschap die voor 100% gehouden werd door de Luxemburgse vennootschap Enka, die voor meer dan 99% wordt gehouden door een Cypriotische vennootschap die op haar beurt volledig werd gehouden door een Zwitserse vennootschap. Frankrijk sloot dividenden uitgekeerd aan direct of indirect door inwoners van derde staten beheerste rechtspersonen uit van de voordelen van art. 5 MDR Pro, tenzij die rechtspersonen aantoonden dat de keten van deelnemingen niet als een van zijn voornaamste doelen had om onder de vrijstelling ex art. 5 MDR Pro te vallen. Door Eqiom aan Enka uitgekeerd dividend werd daarom aan Franse bronheffing onderworpen. De vraag was of deze bronheffing door art. 1(2) MDR werd gerechtvaardigd. Omdat art. 1(2) MDR geen harmonisatiemaatregel is maar juist een soevereiniteitsvoorbehoud, moest (ook) aan het primaire recht (de verkeersvrijheden) worden getoetst. Juist als gevolg van met name art. 1(2) MDR houdt de MDR immers een volledige harmonisatie in (en voor wat betreft misbruikbestrijding zelfs geen minimumharmonisatie: die kwam pas met de in 6.3 hierboven weergegeven wijziging van art. 1 MDR Pro in 2015). Het HvJ EU overwoog:
vetPJW):
un commencement de preuve ou d’indicede fraude et d’abus, irait au-delà de ce qui est nécessaire pour éviter les fraudes et les abus (…).
un principio de prueba o indiciodel fraude o abuso, excedería de lo necesario para evitar dichos fraude o abuso (…).
Anfangsbeweis oder ein Indizfür die Steuerhinterziehung oder den Missbrauch beizubringen hätte, ginge über das zur Verhinderung von Steuerhinterziehungen und Missbräuchen Erforderliche hinaus (…).
prima facie evidenceof fraud and abuse, would go further than is necessary for preventing fraud and abuse (…).
minimo principio di prova o di indiziodi frode e abuso, eccederebbe quanto necessario per evitare le frodi e gli abusi (…).
uma prova perfunctória ou indíciosde fraude ou de evasão, iria além do necessário para evitar fraudes e abusos (…).”
overkillen omkering van de bewijslast) was Frankrijk dus buiten de reikwijdte van het soevereiniteitsvoorbehoud getreden:
Deister Holding AG en Juhler Holding A/S [33] betroffen de Duitse uitsluiting van de in art. 5 MDR Pro voorziene vrijstelling of teruggaaf van dividendbelasting wanneer achter de in een andere lidstaat gevestigde moedermaatschappij aandeelhouders zaten die zelf geen recht op vrijstelling of teruggaaf zouden hebben als zij de Duitse dividenden rechtstreeks zouden ontvangen,
en(i) er geen economische of andere relevante redenen zijn die tussenplaatsing van de EU-tussenhoudster rechtvaardigen,
of(ii) de EU-tussenhoudster minder dan 10% van haar bruto-jaarinkomen uit eigen economische activiteit verwerft,
of(iii) de EU-tussenhoudster niet aan het algemene economische verkeer deelneemt met een voor haar bedrijfsdoelstelling passend ingerichte bedrijfsvoering. Tegenbewijs van zakelijke overwegingen was niet mogelijk. Dat laatste bleek fataal voor deze regeling. Het Hof zag daarin een onweerlegbaar en dus onevenredig categorisch vermoeden van fraude of misbruik waaraan art. 1(2) MDR in de weg staat:
niet“in het algemeen ziet op alle situaties waarin een deelneming in een moedermaatschappij wordt gehouden door personen die geen recht op een dergelijke vrijstelling zouden hebben indien zij de dividenden rechtstreeks zouden ontvangen.” De zeer toegespitste wettelijke misbruikcriteria waaraan het Hof in deze overweging merkwaardigerwijs geheel voorbij gaat, zorgen er immers voor dat juist
niet“alle” niet-zelfstandig-gerechtigde-achterliggers getroffen werden, maar juist alleen de vermoedelijke richtlijn-
shoppersmet ernstige schijn tegen. R.o. 65 komt mij dan ook voor als een nietszeggende open deur. Ook de r.o. 69 en 71 acht ik onjuist dan wel onbegrijpelijk. Deze Duitse regeling schept, gegeven de toegespitste wettelijke misbruikcriteria, geen ‘algemeen vermoeden’, maar juist een door specifieke objectieve omstandigheden gerechtvaardigd specifiek vermoeden, dat mij wel degelijk, anders dan het Hof stelt, als begin van bewijs of aanwijzingen van misbruik lijkt te kunnen gelden. Dat de MDR geen vereisten met betrekking tot de aard van de economische activiteit of de hoogte van eigen inkomsten stelt, neemt immers op geen enkele manier weg dat het
ontbrekenvan elke economische activiteit, van de faciliteiten daartoe en van eigen inkomsten wel degelijk een (sterke) aanwijzing van opportunistische tussenschuiving kan zijn. Ik meen dat uit dit arrest voor andere dan het beoordeelde Duitse geval slechts afgeleid moet worden dat steeds minstens een begin van bewijs of aanwijzingen van individueel misbruik door de fiscus moet worden geleverd en dat de belastingplichtige steeds een reële gelegenheid moet hebben voor het leveren van tegenbewijs van significante niet-fiscale redenen.
N Luxembourg 1 v. Skatteministeriet, over – volgens de Deense fiscus – ontwijking van Deense bronheffing op uitgaande interest door tussenschuiving van
conduitsdie de uiteindelijk gerechtigden verhullen. De A-G Kokott heeft in die zaak onder meer als volgt geconcludeerd (ik laat voetnoten weg):
C. Aanwijzing van de uiteindelijk gerechtigde (vraag 5)
gunstiger resultaatleidt dan de „normale” constructie. Van een „normale constructie” zou in het onderhavige geval sprake zijn indien tussen de investeerders en verzoekster in het hoofdgeding een directe leenverhouding zou bestaan met het oog op de verwerving van de doelvennootschap.
8.Literatuur
V-N2018/2.18 tekende bij
Deister en Juhlerhet volgende aan over belanghebbendes zaak:
Deister Holding en Juhler Holding; PJW] relevant. Wij volstaan met een verwijzing naar de recente uitspraak Hof Den Haag 5 december 2017, nr. BK-17/00403, V-N Vandaag 2017/2941. Het gaat in deze zaak om een grensoverschrijdende dga-structuur, waarbij sprake is van een lege buitenlandse holding. De parallel met de onderhavige zaak springt direct in het oog. Het hof beantwoordt de vraag of sprake is van misbruik in EU-rechtelijke zin in deze zaak bevestigend en overweegt hierbij uiteindelijk dat wegens het gebrek aan economische activiteiten op het niveau van de buitenlandse holding, de houdsterstructuur wat betreft het houden van de aandelen in de uitkerende Nederlandse dochtervennootschap als een volstrekt kunstmatige constructie kwalificeert. In het licht van de onderhavige zaken is wat ons betreft de vraag of het hof hiermee voldoende naar het totaalplaatje heeft gekeken. Wij neigen naar een bevestigend antwoord, maar zeker is het antwoord op deze vraag niet.”
Deister en Juhlerin
NTFR2018/47) betwijfelt of art. 17(3)(b) Wet Vpb door de EU-rechtelijke beugel kan:
Deister en Juhler; PJW] gevolgen te hebben. Op basis van de parlementaire geschiedenis lijkt de staatssecretaris van mening dat indien het wegdenken van een tussenhoudster tot een hogere Nederlandse belastingclaim zou leiden, automatisch niet is voldaan aan de subjectieve toets. Buiten de objectieve toets (waar louter gekeken wordt naar substance) heeft de belastingplichtige in dat geval geen mogelijkheid om andere redenen (bijvoorbeeld van organisatorische of economische aard) aan te dragen voor diens structuur. Dit lijkt moeilijk te verenigen met de onderhavige zaak en de zaak Eqiom.”
overkill. Hij geeft voorbeelden (ik laat voetnoten weg):
N Luxembourg 1waarin zij een dergelijke toets volgt. [37] Opgemerkt moet echter worden dat de Nederlandse invulling van de wegdenkgedachte alleen ziet op de vergelijking van de fiscale gevolgen tussen een direct en indirect gehouden belang. De wegdenkgedachte gaat er derhalve van uit dat de normale situatie (zonder constructie) altijd een direct gehouden belang is. Dat hoeft echter niet altijd zo te zijn. Ik wijs hier op een voorbeeld gegeven door Cornelisse die er mijns inziens terecht op wijst dat de toepassing van de Nederlandse wegdenkgedachte in een situatie van emigratie van een natuurlijk persoon en zetelverplaatsing van een holdingmaatschappij tot de onjuiste uitkomst kan leiden dat sprake is van een belastingvoordeel, waar dit voordeel er in feite niet is. [38] ”
hoofddoelvan de constructie is. Dit moet echter apart worden getoetst, en deze toets ontbreekt.”
anotherintention for a certain arrangement (for example, a business intention) there is no question of a
whollyartificial arrangement; whereas under the main purpose test, having another reason still places a taxpayer under the common anti-abuse rule. Nevertheless, the question here is if there really is a difference. It must be pointed out, namely, that under the case law of the CJ, when an arrangement forms an artificial arrangement ‘in whole or in part’, there can be a matter of abuse. It would appear to follow from this that the existence of a business reason for one part of a transaction does not remove the abuse intention for the other part. Part of the transaction (a certain step) can also be ‘wholly artificial’. In other words: there can also be a matter of abuse under the wholly artificial arrangement test when
in additionthere are also non-fiscal reasons (for another part of the transaction). That is the same as under the main purpose test.”
9.Analyse en bespreking van de middelen
Algemeen/middel 1 (misbruik volgens EU-recht?)
overinclusivemogen zijn (geen
overkillmogen meebrengen) omdat zulks uit de aard der zaken verder zou gaan dan nodig is om het gerechtvaardigde doel van misbruikbestrijding te bereiken; zij moeten daarom ofwel reeds in hun abstracte vormgeving, ofwel in hun concrete toepassing in reikwijdte beperkt blijven tot volstrekt kunstmatige constructies (voldoende
targetedzijn/uitpakken); (ii) de fiscus minimaal een ‘begin van bewijs of aanwijzingen’ van misbruik in het concrete geval moet leveren en (iii) de belastingplichtige steeds een reële gelegenheid tot tegenbewijs van zakelijkheid van zijn configuratie moet krijgen. Wettelijke misbruikvermoedens op basis van voor derden controleerbare en relevante objectieve criteria (zoals afwijking van de OECD transfer pricing regels of ontbreken van
substance) zijn toegestaan, maar dan moet de fiscus aannemelijk maken dat aan die objectieve criteria is voldaan en dat zulks op misbruik wijst, en moet daarna de belastingplichtige, die daartoe alsdan volgens
Cadbury Schweppesin de beste positie verkeert, tegenbewijs van zakelijkheid kunnen leveren, met name van
substance(‘reële vestiging’).
Eqiomen
Deister en Juhlervolgt dat het enkele feit dat de achterliggende aandeelhouder ( [A] ) bij een rechtstreeks belang in Holding meer belasting zou moeten betalen (15% dividendbelasting) dan bij een indirect via een niet-ingezeten vennootschap gehouden belang, op zichzelf geen misbruik (geen fiscaal hoofddoel van de constructie) impliceert. Met name Cornelisse en Weber (zie 8.3 en 8.4 hierboven) hebben daar terecht op gewezen.
Cadbury Schweppes, en die benadering heeft het Hof Den Haag in casu ook daadwerkelijk gekozen.
vanuit een niet in Nederland gevestigdeen daarom overigens niet-onderworpen rechtspersoon. Zoals het Hof in r.o. 7.6. terecht heeft opgemerkt, leidde pas haar emigratie tot toepassing van art. 17(3)(b) Wet Vpb op de belanghebbende omdat zij pas toen het belang in Holding hield vanuit een overigens niet-onderworpen buitenlandse positie. Haar emigratie
isals het ware haar tussenschuiving voor de toepassing van art. 17(3)(b) Wet Vpb. Wat haar geschiedenis en functie was vóór haar buitenlandse tussenschuiving, is vanuit de ratio van die bepaling bezien niet relevant, dus ook niet dat de inmiddels ontmantelde, voorheen ‘actieve’ structuur mogelijk al sinds 1985 had bestaan.
Cadbury Schweppes, nu op de Inspecteur de initiële bewijslast lag aannemelijk te maken dat het doel was Nederlandse dividendbelasting te ontgaan en hij daarin geslaagd is, zodat de zetelverplaatsing riep om een niet-fiscale verklaring door de belanghebbende. Zij verkeerde in de beste positie om niet-fiscale motieven te stellen en bij betwisting te bewijzen voor het opeens zonder enige
substanceen
trust-bestuurd vanuit het buitenland gaan houden van het a.b. dat zij tot dan toe steeds en constant vanuit het binnenland had gehouden. Belanghebbendes stelling dat de EU-vestigingsvrijheid illusoir gemaakt zou worden door bestrijding van misbruikelijke verplaatsing van a.b.’s in binnenlandse (quasi)kasgeldvennootschappen is onjuist, nu zij wezenlijk inhoudt dat misbruikbestrijding de verkeersvrijheden illusoir zou maken. Dat is niet zo. Hoewel dat, gegeven de initiële bewijslastverdeling en de vastgestelde feiten op haar weg lag, heeft de belanghebbende niet aannemelijk kunnen maken dat zij het houden van haar a.b. in Holding naar een trust in Luxemburg heeft verplaatst met het oog op “de daadwerkelijke uitoefening van een economische activiteit voor onbepaalde tijd door middel van een duurzame vestiging” in Luxemburg (
Cadbury Schweppes, r.o. 54) en niet vooral ook met het oog op, zoals de Inspecteur aannemelijk had gemaakt, ontwijking van dividendbelastingheffing ten laste van [A] .
Eqiom en Enkaalle gevallen waarin achter de EU-Moeder een niet-EU aandeelhouder zit, en bovendien met omkering van de bewijslast. De Franse fiscus hoefde voor geen van deze derdelandengevallen zelfs maar een begin van bewijs of aanwijzingen van belastingontwjking te leveren. In elk geval van achterliggende derdelanden-aandeelhouder moest de belastingplichtige haar goede trouw bewijzen. Een dergelijk véél te ruim misbruikvermoeden en een dergelijke eenzijdige bewijslastverdeling (volledige omkering) zijn uiteraard disproportioneel in verhouding tot het doel om (alleen) misbruik te bestrijden. Daarvan is in belanghebbendes geval echter geen sprake. Het Hof heeft – in cassatie in beginsel onaantastbaar – op basis van een beoordeling van alle in specifiek haar geval relevante feiten en omstandigheden geoordeeld dat de Inspecteur voldoende concreet ‘begin van bewijs of aanwijzingen’ heeft geleverd, en art. 17(3)(b) heeft althans volgens de Commissie kennelijk ook
in abstractovoldoende ‘specifiek tot doel’ misbruik te bestrijden, nu de Commissie immers haar bezwaren tegen die bepaling introk na de boven weergegeven toevoeging van het ontgaanscriterium in 2012.
Deister en Juhlerhad duidelijk veel meer ‘specifiek tot doel’ misbruik te bestrijden (was veel beter
targeted) dan de Franse antimisbruikregeling in de zaak
Eqiom en Enka, maar was volgens de Duitse wetgever zó goed gericht dat hij meende geen tegenbewijs meer te hoeven toelaten. Ook uit eerdere rechtspraak van het HvJ EU [40] was echter al bekend dat belastingplichtigen die van misbruik worden beticht in beginsel altijd een reële gelegenheid tot tegenbewijs van zakelijkheid van hun verdachte handelen geboden moet worden. Van uitsluiting van tegenbewijs is in belanghebbendes geval echter geen sprake; zelfs niet van omkering van de bewijslast. In de wijze waarop het Hof art. 17(3)(b) Wet Vpb concreet en toegespitst heeft toegepast op belanghebbende individuele geval, kan mijns inziens, anders dan de belanghebbende stelt, geen categorisch ‘algemeen vermoeden van misbruik’ gezien worden, laat staan een onweerlegbaar dergelijk vermoeden. Het Hof heeft juist individueel maatwerk geleverd.
Deister en Juhlerheeft gebruikt door de aard van de economische activiteit en de fiscale behandeling van [A] de doorslag te laten geven en geen acht te slaan op belanghebbendes stellingen over haar juridische en economische functie(s) bij de verkoop van de verzekeringsactiviteiten, bij de afwikkeling van de kopersclaim en bij aansprakelijkheids-beperking. Dat het Hof vergelijkbare criteria zou hebben gebruikt, doet niet ter zake, als maar tegenbewijs mogelijk is, en dat is het geval, anders dan in
Deister en Juhler. Maar het Hof is bovendien wel degelijk op die stellingen ingegaan. Hij heeft er alleen niet het door de belanghebbende gewenste gevolg uit getrokken omdat hij de feiten anders duidt en waardeert dan de belanghebbende. Nu ’s Hofs maatstaf van beoordeling expliciet EU-recht-conform is, kan daarover voor het overige in cassatie niet met vrucht geklaagd worden behalve in geval van onbegrijpelijkheid, waarvan mijns inziens geen sprake is. Anders dan de belanghebbende stelt, heeft het Hof niet ‘mechanisch’ beslist, maar maatwerk geleverd. Dat [A] wellicht niet meer getroffen kan worden door de Nederlandse a.b.-heffing, is niet relevant, nu in elk geval de Nederlandse dividendbelasting (eindheffing) wordt ontweken.
BNB2016/166 – over uitbestede werkzaamheden – in belanghebbendes geval niet relevant is. Het ging in die zaak onder meer om externe deskundigen die op projectbasis werden ingehuurd voor advisering.
bestuurdervan de belanghebbende, maar als uiteindelijk gerechtigde, dus als
aandeelhoudervan het concern als geheel handelde. Dat is een feitelijk en niet onbegrijpelijk oordeel, zodat het voor het overige in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht. ’s Hofs rechtskundige oordeel dat het op basis van de strekking van art. 17(3)(b) Wet Vpb niet voor de hand ligt om handelingen, relaties en deskundigheid van niet-organen van de belanghebbende aan haar toe te rekenen maar om op basis van de aard, functie en activiteiten van de belanghebbende zelf te beoordelen of zij een onderneming drijft, lijkt mij juist.
BNB2012/102 en HR
BNB2001/210, waarop de belanghebbende zich beroept, mijns inziens voor haar geval niet relevant zijn wegens onvergelijkbaarheid van de gevallen.