Uitspraak
Uitspraak van 5 december 2017
[X] /B.V te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, de Inspecteur,
Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg
Loop van het geding in hoger beroep
Vaststaande feiten
Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen
- (i) wordt verhinderd door de werking van de Richtlijn van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, 90/435/EEG (EU-Moeder-dochterrichtlijn), dan wel
- (ii) in strijd is met de vrijheid van vestiging als bedoeld in artikel 49 VWEU Pro.
Conclusies van partijen
Hof: zie 3.3]). De A-aandelen zijn overgedragen in 2010 (zie onder 4 [
Hof: zie 3.6]). Tevens staat vast dat [ [Y] ] in 1989 is geëmigreerd naar het Verenigd Koninkrijk en daarna niet meer naar Nederland als inwoner is teruggekeerd (zie onder 3 [
Hof: zie 3.4]). De rechtbank kan de stelling van [de Inspecteur] dat met de dividenduitkering Nederlandse inkomstenbelasting is ontgaan, dan ook niet volgen. Gelet op de datum van de emigratie van [ [Y] ] en gelet op de eerder overgedragen aandelenbelangen kan ten tijde van de dividenduitkering in 2012 immers geen sprake zijn van een inkomstenbelastingclaim op het aanmerkelijk belang. Dit betekent dat geen inkomstenbelasting wordt ontgaan bij de overdracht van de aandelen aan [belanghebbende], gevolgd door de latere dividenduitkering op die aandelen.
Hof; zie 3.4]). Na overdracht van de aandelen aan [belanghebbende] is er op het moment van de dividenduitkering geen belastingplicht voor de dividendbelasting. Voor de dividenduitkering op de A-aandelen en de B-aandelen geldt dan dat [belanghebbende] een beroep op de EU-moeder-dochterrichtlijn (Richtlijn van de Raad van 23 juli 1990, 90/435/EEG, Publ. L 225, en nadien gewijzigd) zou kunnen doen en dat Holding vanwege de toepassing van die richtlijn niet gehouden is tot inhouding van dividendbelasting.
Beoordeling van het hoger beroep
Artikel 13, negende lid (niet als belegging gehouden)
Oogmerktoets (Artikel 13, negende lid)
Cadbury Schweppes), ECLI:EU:C:2006:544, punt 51). Opmerking verdient dat de vraag of in een concreet geval sprake is van een ontgaansconstructie moet worden beoordeeld op basis van de omstandigheden van dat geval. Er dient een vergelijkende analyse te worden gemaakt of de economische realiteit (
i.e.de plaats van de werkelijke leiding, de tastbare aanwezigheid van vestiging ('substance') en het reële commerciële risico dat wordt gedragen) overeenkomt met de juridische vorm (zie in gelijke zin de Mededeling van de Europese Commissie van 10 december 2007, COM(2007)785 def). De wetgever heeft dit een en ander onderkend blijkens de parlementaire behandeling van de wet die heeft geleid tot invoering van het ontgaansvereiste in de onderhavige bepaling (zie Kamerstukken II 2011/12, 33003, nr. 3 (MvT), p. 105-106, alsmede nr. 10 (NV), p. 30, 93 en 94).
Proceskosten
Beslissing
1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.
2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- de gronden van het beroep in cassatie.