Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
natwee jaar na het niet, onjuist of onvolledig doen van aangifte tot inkeer komt, is dit op grond van artikel 67n, tweede lid, van de AWR (slechts nog) een omstandigheid die aanleiding geeft tot
matigingvan de vergrijpboete. [6]
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
strafhoogte(“the limits fixed by that provision”) voor de gepleegde feiten bekend moet zijn. Ik onderstreep dat de exacte strafhoogte - voor zover dat al mogelijk zou zijn - niet in de wet vastgelegd hoeft te worden.
Wet- en regelgeving, wetsgeschiedenis, parlementaire behandeling, jurisprudentie en literatuur