Conclusie
‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’en 3.
‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod’tot een gevangenisstraf van tien maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.
tweede middelklaagt dat het hof de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, althans tot bewijsuitsluiting, ten onrechte niet, dan wel ontoereikend heeft gemotiveerd.
uitdrukkelijk voorgedragen verweren en onderbouwde standpunten’ heeft het hof omtrent dit standpunt van de verdediging als volgt overwogen (dikgedrukt in het origineel):
“Vormverzuim ex artikel 359a Sv
eerste middelklaagt dat het hof de verzoeken tot het horen als getuigen van de observanten met de nummers 10, 51, 52, 88 en 93 ten onrechte, althans ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd heeft afgewezen.
(…)
Opsporingsambtenaren 10, 20, 51, 52, 54, 88, 93.
(…)
Observanten 20 en 54;
“2.76.
‘gegeven de eerdergenoemde toewijzende beslissingen en gelet op de motivering van de verzoeken van de raadsman [..] naar het oordeel van het hof de verdachte door het achterwege blijven van de oproeping als getuige van voornoemde personen redelijkerwijs niet in zijn verdediging [is] geschaad’. De namens de verdediging gedane verzoeken zijn bij appelschriftuur gedaan en ter terechtzitting uitdrukkelijk gemotiveerd herhaald. Het hof heeft derhalve de juiste maatstaf aangelegd bij zijn beoordeling van het verzoek, te weten het verdedigingsbelang. In ’s hofs oordeel ligt voorts besloten dat de verklaringen van de observanten 10, 51, 52, 88 en 93 niet van belang kunnen zijn voor enige in de strafzaak tegen de verdachte te nemen beslissing. Volgens de verdediging gaat het er in onderhavig geval met name om dat de verdachte uitdrukkelijk betwist dat er een tas is overgedragen op het parkeerterrein “De Stede”. Bij de afwijzing van die verzoeken heeft het hof betrokken dat observanten 20 en 54, waar door de verdediging in dit kader onderbouwd om werd verzocht en die hieromtrent een aanvullend proces-verbaal van bevindingen hebben opgemaakt, wel gehoord zullen worden. Ik merk daarbij op dat een nadere motivering aangaande de verzoeken omtrent het horen van de overige observanten (10, 51, 52, 88 en 93 ) door de verdediging niet wordt gegeven en dat uit het mede door deze observanten medeondertekende proces-verbaal van observatie niet naar voren komt dat zij de bestreden handeling hebben waargenomen. Alleen observanten 20 en 54 worden in dat verband uitdrukkelijk genoemd. [8] Tot slot heeft het hof de overige, nader onderbouwde, verzoeken tot het horen van getuigen inzake genoemd punt van de verdediging toegewezen. Gelet op hetgeen door de verdediging aan de verzoeken ten grondslag is gelegd en de processuele context is het oordeel van het hof dan ook toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd. [9] Daaraan doet niet af dat het hof zowel in zijn bewijsoverweging, als in de bewijsmiddelen tevens gebruik heeft gemaakt van een waarneming uit het proces-verbaal van observatie van 11 januari 2012, die op een later tijdstip mede door de (niet gehoorde) observant 51 zou zijn gedaan, nu deze waarneming (al dan niet mede) is gedaan door de wel gehoorde observant 20 en door het hof (gelet op de vermelding (20) achter de waarneming) ook alleen als een waarneming van deze observant is gebruikt.