Conclusie
eerste, tweede en derde middelkeren zich met verschillende klachten tegen de verwerping door het hof van het beroep op de 'vijfvogelregeling'. Ik geef alvast de slotsom van mijn beschouwingen over deze middelen weer. Deze slotsom komt erop neer dat stelling waarvan deze middelen uitgaan en die erop neerkomt dat iedere buiten de EER-ruimte in het wild gevangen vogel een gezelschapsvogel wordt door het enkele feit dat de vogel is besteld door een particulier en daarom op transport wordt gezet naar Nederland zo zeer in strijd is met de ratio van de Europese en Nederlandse regelgeving dat deze stelling evident de plank misslaat.
eerste middelklaagt dat het hof een te extensieve uitleg heeft gegeven aan het begrip 'gezelschapsdier' zoals bedoeld in Beschikking 2007/25/EG en aldus ten onrechte het beroep van verdachte op de 'vijfvogelregeling' heeft afgewezen.
“Vijfvogelregeling
Tien papoea beo’s
“Vijfvogelregeling
nietbegrepen: vogels die in het wild voor commerciële invoer zijn gevangen. Dit wordt expliciet in de preambule van beschikking 2007/25 overwogen (zie hierboven). Dit brengt onder meer mee dat voor commerciële doeleinden in het wild gevangen vogels nimmer op grond van de vijfvogelregeling vanuit een derde land binnen het grondgebied van de Europese Unie mogen worden gebracht. Dit eigenaarschap brengt immers geen verandering in het feit dat de vogels in kwestie zijn gevangen met het oogmerk die te verkopen en daardoor geen gezelschapsdieren zijn.
tweede middelklaagt dat het hof heeft miskend dat een zending van minder dan vijf vogels per definitie niet commercieel is volgens de bestuursrechtelijke uitleg van Beschikking 2007/25/EG.
derde middelkomt op tegen dezelfde onderdelen van de bewezenverklaring als het eerste en het tweede, maar nu omdat het hof in strijd met de regelgeving heeft geoordeeld dat handel bij een beroep op de vijfvogelregeling niet is toegestaan als de vogels uit het wild afkomstig zijn. Het middel doet daartoe een beroep op de considerans voor de Beschikking 2007/25 van de Commissie.
vierde middelklaagt meer bepaald over de veroordeling voor feit 3. Het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat er geen houderschap is vereist voor een veroordeling voor artikel 101a GWWD. Alleen de houder kan - aldus het middel - worden veroordeeld voor het strafbaar feit van artikel 101a GWWD. In ieder geval is voor een veroordeling vereist dat verdachte feitelijke beschikkingsmacht over de dieren had. De bedoeling van de wetgever is niet geweest om ook het medeplegen van degene die zelf geen houder is onder artikel 101a te kunnen brengen.
vijfde middelkeert zich tegen de verwerping door het hof van het verweer van de verdediging dat de tenlastegelegde vogels niet onder de definitie van artikel 1.1 Regeling handel levende dieren en levende producten vallen. Gelet op de verwijzing naar de vijfvogelregeling en naar artikel 10 GWWD Pro neem ik aan dat de klacht betrekking heeft op feit 2.