Conclusie
tweede middel. Dat bevat de klacht dat uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden niet kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een voltooide diefstal.
verkrijgingsaspectvan de feitelijke heerschappij. [3] Het gaat dan om de mate waarin kan worden gezegd dat een verdachte zich de goederen van een rechthebbende heeft toegeëigend, bijvoorbeeld door deze bij zich te nemen of door deze te verplaatsen. De tweede factor betreft het
onttrekkingsaspectvan de feitelijke heerschappij, oftewel de mate waarin de rechthebbende de greep op het voorwerp heeft verloren. Bleichrodt verwijst ook naar het Duitse recht waarin wordt aangenomen dat van een verandering van de feitelijke heerschappij “eerst dan sprake [kan] zijn indien de dader het goed onder zich genomen heeft
en onder normale omstandigheden geen hindernis meer ontmoet(mijn cursivering)”. [4]
onttrekkingaan feitelijke heerschappij van de rechthebbende ben ik van mening dat het oordeel van het hof dat de in art. 310 Sr Pro bedoelde wegneming door de verdachte was voltooid, zonder nadere motivering, niet begrijpelijk is.
eerste middel. Dit richt zich in het bijzonder tegen de strafmaatoverweging van het hof die inhoudt dat “het hof […] bij de strafoplegging rekening [houdt] met de LOVS-oriëntatiepunten ten aanzien van woninginbraak en belediging van een ambtenaar in functie”. Wat betreft het onder 1 primair tenlastegelegde feit heeft het hof de verdachte veroordeeld voor diefstal met
inklimming, maar vrijgesproken van diefstal met
braak. Volgens de steller van het middel is het daarom onbegrijpelijk dat het hof de LOVS-oriëntatiepunten ten aanzien van woning
inbraakheeft betrokken bij het bepalen van de op te leggen straf.