Conclusie
het CBL), de brancheorganisatie van de supermarkten, heeft de Campagne
Noggeen20en de Gedragscode
“Verantwoorde alcoholverkoop in de supermarkt”geïntroduceerd met het oog op een betere leeftijdscontrole bij de verkoop van alcohol en tabak in supermarkten. Een centrale rol wordt daarbij toegekend aan de kassamedewerkers. Eiseres tot cassatie (hierna:
HEM) stelt dat als gevolg daarvan CBL-leden en hun franchisenemers niet het door haar ontwikkelde digitale systeem voor leeftijdscontrole op afstand hebben willen aanschaffen. In deze procedure beroept zij zich erop dat verweerster in cassatie (hierna:
Jumbo) door, net als de overige leden van het CBL, in te stemmen met en zich te committeren aan de genoemde maatregelen van het CBL art. 6 lid 1 Mededingingswet Pro heeft geschonden. In cassatie wordt met verschillende rechts- en motiveringsklachten opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de beide regelingen geen mededingingsbeperkende strekking hebben. Deze zaak loopt parallel met de zaak
HEM/ Centraal Bureau Levensmiddelhandel(17/03181), waarin ik vandaag eveneens concludeer.
1.Feiten
deelname aan vergaderingen, bijeenkomsten of activiteiten die door het CBL worden georganiseerd geschiedt altijd op vrijwillige basis. Eventuele aanbevelingen of adviezen die hieruit voortkomen zijn nooit méér dan aanbevelingen of adviezen: ieder lid van het CBL behoudt te allen tijde de vrijheid om in alle opzichten zijn eigen beleid te bepalen of besluiten te nemen.”
C1000 introduceert sluitende leeftijdscontrole bij alcohol- en tabaksverkoop”.
Noggeen20(hierna:
de Campagne). Op 2 maart 2009 heeft het CBL de Campagne gelanceerd. [2] De website van het CBL vermeldt over de Campagne:
“Het is een brancheafspraak waaraan iedere supermarkt zich gecommitteerd heeft.”
De proof of concept bij [betrokkene 1] is negatief uitgevallen. In plaats dat het discussies bij de kassa weghaalt (‘Het systeem’ zou dit immers voor de caissières moeten afhandelen), veroorzaakt men juist extreem veel discussies en irritatie bij consumenten waarvan het evident is dat ze 16 jaar of ouder zijn. Het is dus contraproductief (...). Het advies van de afdeling Formule Ontwikkeling is dan ook om in zijn geheel af te zien van dit concept, hier dus geen pilot mee te gaan uitvoeren en deze interface geheel te verwijderen uit de broncode van de kassasoftware.”
(...) Ageviewers zelf is (logischerwijs) enthousiast over het systeem. Navraag (C1000) bevestigt ons idee dat klanten de controle vervelend kunnen gaan vinden: C1000 ondernemer [betrokkene 1], een vooruitstrevende ondernemer die ook volledig werkt met Safepay, heeft Ageview inmiddels weer verwijderd i.v.m. weerstand van klanten. (...) Ageviewers gaat nog gegevens aanleveren van het gebruik bij de 13 winkels. Wij zijn echter niet positief over deze systematiek.”
“Verantwoorde alcoholverkoop in de supermarkt”verschenen. Deze is in 2013 en 2014 aangepast. [6] De drie opvolgende versies van de code worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘
de Code’.
In (de code) wordt beschreven welke maatregelen de supermarkten in Nederland nemen om aan deze eisen te voldoen.
“Vertaling wettelijke eisen”staat, voor zover hier van belang:
Om aan de wettelijke eisen te voldoen, treffen supermarkten maatregelen in hun werkprocessen met betrekking tot het verkooppunt en de verkoophandeling.
3.2.3 Hulpmiddelen
“Van de wet naar de werkvloer”staat, voor zover hier van belang:
Om ervoor te zorgen dat de wet wordt nageleefd, worden medewerkers (...) toegerust op hun taak.
Supermarkten kunnen verschillende middelen gebruiken om te voorkomen dat alcohol wordt verkocht aan klanten jonger dan 18 jaar. Het Ageviewer systeem is één van die middelen. Andere middelen zijn bijvoorbeeld de rekenhulp, het kassablokkadesysteem, de Ageprint (een vingerafdruksysteem) en de ID-swiper. Aan alle thans bestaande methoden en systemen zijn zowel voor- en nadelen verbonden. Ten aanzien van de Ageviewer heeft CBL in het verleden met name gewezen op de omstandigheid dat (i) wederverkoop er niet mee voorkomen wordt (een [controle]medewerker kan op afstand niet oordelen of de alcohol daadwerkelijk wordt aangeschaft voor eigen consumptie en (ii) klanten het als onprettig ervaren om voor de camera te moeten staan.”
(...) het de leden van het CBL volledig vrij staat om te bepalen op welke wijze zij invulling geven aan de leeftijdscontrole bij de verkoop van alcohol en tabak. Voorts geldt dat de Code niet moet worden gelezen en niet is bedoeld als een document dat bepaalde leeftijdscontrolesystemen voorschrijft of uitsluit.”
de rechtbank) bij vonnis van 9 maart 2016 [11] de vorderingen van HEM (goeddeels) toegewezen. De rechtbank stelt daartoe allereerst vast dat de Campagne en de Code zijn aan te merken als een overeenkomst (tussen ondernemingen) in de zin van art. 6 lid 1 Mw Pro (rov. 4.8). De vraag of de Campagne en de Code een mededingingsbeperkende strekking hebben, beantwoordt de rechtbank vervolgens bevestigend (rov. 4.9-4.18). De rechtbank overweegt daartoe dat de Campagne en de Code het gebruik van het Ageviewers-systeem feitelijk uitsluiten: [12]
4.13 Het voorgaande neemt echter niet weg dat de campagne en de Code onmiskenbaar uitgaan van leeftijdscontrole door de kassamedewerker, op een wijze die niet verenigbaar is met gebruik van het systeem. Zo zijn de bepalingen in de Code over de training aan de kassamedewerkers met de door CBL aangeboden training of een door de supermarkt zelf ontwikkelde gelijkwaardige training, niet goed verenigbaar met gebruik van het systeem. De eindtermen van deze training - waar alle kassamedewerkers dus aan moeten voldoen - houden namelijk onder meer in dat de kassamedewerker moet weten dat klanten onder de twintig jaar (in de versie 2014: onder de 25 jaar) om legitimatie moet worden gevraagd bij aankoop van alcohol en op welke manier hij moet controleren of de koper de vereiste leeftijd heeft bereikt, met inbegrip van controle van het identiteitsbewijs op echtheid en geldigheid. Training voor controle van de leeftijd en de echtheids- en geldigheidskenmerken van het identiteitsbewijs is niet nodig als deze aspecten via controle op afstand worden gecontroleerd zoals bij gebruik van het systeem. De als norm gestelde training is dus gericht op uitvoering van de gehele leeftijdscontrole door de kassamedewerker en gaat er daarmee van uit dat de gehele leeftijdscontrole, inclusief stap ii) sub a en c[sub a) leeftijd inschatten en sub c) het legitimatiebewijs controleren; (zie rov. 4.10) A-G]
, wordt uitgevoerd door de kassamedewerker. Daarmee strookt de training niet met gebruik van het systeem, waarin stap ii) sub a en c niet door de kassamedewerker worden uitgevoerd, en sluit de Code waarin deze training als minimumnorm is opgenomen gebruik van het systeem feitelijk uit. Gezien het voorgaande kunnen het CBL en Jumbo niet ten volle worden gevolgd in hun betoog dat de training ook relevant is indien het systeem wordt gebruikt. Een belangrijk deel van de training is dat namelijk niet.
; dat is zinledig bij gebruik van het systeem waarbij deze vaststelling geschiedt door de controlemedewerkers op afstand.
het hof). Zij heeft dat vonnis met een vijftal grieven bestreden en gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van HEM zal afwijzen, met veroordeling van HEM in de kosten van de procedure in beide instanties. [13] HEM heeft de stellingen van Jumbo gemotiveerd betwist.
10. Het hof dient vervolgens te beoordelen of de Campagne en de Code ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse (dan wel interne) markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst. De grieven 2 en 3 hebben daarop betrekking. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie (HvJ EU 11 september 2014, ECLÏ:EU:C:2014:2204; Groupement des cartes bancaires) volgt in de eerste plaats dat het begrip “mededingingsbeperkende strekking” restrictief moet worden uitgelegd. Voorts moet, om te beoordelen of een besluit van een ondernemersvereniging de mededinging in die mate nadelig beïnvloedt dat zij kan worden geacht een mededingingsbeperkende strekking te hebben, worden gelet op de bewoordingen en de doelstellingen ervan, alsook op de economische en juridische context. Bij de beoordeling van die context moet ook rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten. Daarbij behoeven de bedoelingen van partijen niet in aanmerking te worden genomen, maar met die bedoelingen mag de nationale rechter wel rekening houden. Van een mededingingsbeperkende strekking is tot slot sprake indien de betrokken vorm van collusie tussen ondernemingen naar zijn aard kan worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging (HvJ EU 13 december 2012, ECLI:EU:C:2012:795)[het arrest in zaak C-226/11, Expedia].
3.Juridisch kader
ertoe strekkende mededinging te beperken. In HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1354 (
SGD e.a/Agib) was diezelfde vraag, in een nogal verschillende feitelijke context, aan de orde. [15]
strekkingsbeperking’) of ten gevolge hebben (‘
gevolgbeperking’) dat de mededinging op Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Deze bepaling is geënt op art. 101 lid 1 VWEU Pro. Bij de toepassing van art. 6 Mw Pro dient de beschikkingspraktijk van de Commissie alsook de jurisprudentie van het Gerecht van de Europese Unie en van het Hof van Justitie tot uitgangspunt. [16] In haar conclusie in de zaak
SGD e.a/Agibheeft A-G De Bock het juridisch kader in kaart gebracht. [17] Ik beperk mij daarom hieronder tot enkele aanvullingen en observaties.
LTM/MBUuit 1966. [18] Het Hof van Justitie overweegt:
dat deze voorwaarde blijkens het gebruik van het voegwoord ‘of’ niet een cumulatief, doch een alternatief karakter draagt, zodat men in de eerste plaats de strekking der overeenkomst in verband met de economische omstandigheden, waarbinnen zij moet worden toegepast, heeft na te gaan;
in voldoende mate” wordt verstoord. In dat geval moeten de
gevolgenvan de overeenkomst voor de mededinging worden onderzocht en valt de overeenkomst slechts onder het verbod van art. 101 lid 1 VWEU Pro als kan worden aangetoond dat alle factoren aanwezig zijn waaruit blijkt dat de mededinging daadwerkelijk merkbaar is verhinderd, beperkt of vervalst. [21] Dat laatste is per definitie ingewikkeld, wat kan verklaren waarom het zowel voor een mededingingsautoriteit als voor de eiser in een civiele procedure tot handhaving van art. 101 lid 1 VWEU Pro / art. 6 lid 1 Mw Pro aantrekkelijker is om te gaan liggen voor het anker van het strekkingsbeding. Ook de rechter is sneller klaar als hij kan vaststellen dat een bepaling ertoe strekt de mededinging te beperken. [22] Het praktisch belang van het onderscheid tussen strekkingsbeperkingen en gevolgbeperkingen zit hem dus vooral in de bewijsvoering. Bovendien wordt een strekkingsbeding geacht de mededinging
merkbaarte beperken, zodat de rechter zich ook die toets bespaart. [23]
LTM/MBUgeeft een aanzet
hoemoet worden bepaald of een overeenkomst strekt tot beperking van de mededinging. De overweging dat onderzoek moet worden gedaan naar de context vormt een eerste stap naar wat later de ‘contexttoets’ is gaan heten.
LTM/MBUgeeft een allereerste aanzet tot de latere ‘
rule of reasondoctrine’, die altijd enigszins omstreden is gebleven. [24] In de onderhavige zaak is dit aspect niet aan de orde. Het toont echter hoe ver de Europese rechters van het eerste uur vooruit dachten.
LTM/MBUingezette lijn is in deze rechtspraak wel doorgetrokken, maar niet steeds op geheel consistente wijze. [25] Ten eerste heeft zich een vervaging voorgedaan van het onderscheid tussen ‘strekkingsbeperking’ en ‘gevolgbeperking’. Ten tweede en met het vorige punt samenhangend, is er niet één eenduidig criterium om te bepalen wanneer een overeenkomst ertoe strekt de mededinging te beperken. [26]
naar hun aardkunnen worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging. [27] In het arrest
T-Mobileuit 2009 wordt dit laatste al snel aangenomen, namelijk als de afgestemde gedraging “
negatieve gevolgen voor de mededingingkanhebben.” [28] Deze passage is nadien niet herhaald. Dat lijkt terecht, omdat de mogelijkheid dat gedrag negatieve gevolgen kan hebben voor de mededinging hier onder het strekkingsbegrip wordt gebracht. Daardoor verwatert de dichotomie strekkingsbeperking / gevolgbeperking. Dit is bekritiseerd onder andere door A-G Wahl in zijn conclusie in de zaak
Groupement des cartes bancaires. De A-G stelde voor de reikwijdte van de strekkingsbeperking in te perken tot mededingingsbeperkingen die “
intrinsiek in een bepaalde mate nadelig zijn”. [29]
Allianz Hungáriauit 2013 heeft het Hof daaraan toegevoegd: [31]
Bij de beoordeling van die context moet ook rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten.”
Groupement des cartes bancairesvan september 2014 heeft het Hof orde willen scheppen. [32]
Allianz Hungária: [33]
53 Volgens de rechtspraak van het Hof moet bij de beoordeling of een overeenkomst tussen ondernemingen of een besluit van een ondernemersvereniging de mededinging in die mate nadelig beïnvloedt dat zij kan worden geacht een mededingingsbeperkende „strekking” in de zin van artikel 81, lid 1, EG te hebben, worden gelet op de bewoordingen en de doelstellingen ervan, alsook op de economische en juridische context. Bij de beoordeling van die context moet ook rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten (zie in die zin arrest Allianz Hungária Biztosító e.a., EU:C:2013:160, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”
58 Ten tweede heeft het Gerecht (…), ten onrechte geoordeeld dat het begrip mededingingsbeperkende „strekking” niet „restrictief” hoeft te worden uitgelegd. Dit begrip kan uitsluitend worden toegepast op bepaalde soorten van coördinatie tussen ondernemingen, die de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat de effecten ervan niet behoeven te worden onderzocht. Anders zou de Commissie immers worden ontslagen van haar verplichting om de concrete effecten op de markt aan te tonen van overeenkomsten waarvan niet is bewezen dat zij naar hun aard zelf schadelijk zijn voor de goede werking van de normale mededinging. Het feit dat de in artikel 81, lid 1, EG bedoelde soorten overeenkomsten geen exhaustieve lijst van verboden gedragingen vormen, is in dit verband irrelevant.”
Groupement des cartes bancairesde boodschap afgegeven dat het begrip ‘strekkingsbeperking’ in de zin van art. 101 lid 1 VWEU Pro restrictief moet worden uitgelegd. [36] In ieder geval is niet genoeg dat bepaalde maatregelen of afspraken de mededinging
kunnenbeperken. [37] Het begrip ‘strekkingsbeding’ is daarmee in elk geval meer omlijnd dan voordien. [38]
in abstracto) gekeken worden naar de bewoordingen en de doelstellingen van de te onderzoeken overeenkomst. Daarnaast moet onderzoek worden verricht naar de relevante economische en juridische context van de overeenkomst. Het onderzoek naar de economische en juridische context mag echter niet ontaarden in een onderzoek naar de mededingingsbeperkende
gevolgenvan de voorliggende gedraging, [39] al zal de scheidslijn soms vloeiend zijn. Het onderzoek naar enerzijds tekst en doel en anderzijds de juridische en economische context zijn daarbij in zekere zin communicerende vaten. Als op basis van tekst en doel er niet of nauwelijks twijfel over kan bestaan dat een bepaling ertoe strekt de mededinging te beperken, dan valt er aan de context weinig meer te onderzoeken. [40] Als daarentegen de bewoordingen en het doel niet zonder meer wijzen in de richting van een mededingingsbeperkende strekking, komt aan de contexttoets een groter gewicht toe.
Hoffmann LaRochevan januari van dit jaar heeft het Hof zijn rechtspraak kort en helder samengevat: [41]
78 In dat verband zij eraan herinnerd dat het begrip mededingingsbeperking „naar strekking” restrictief moet worden uitgelegd en uitsluitend kan worden toegepast op bepaalde soorten van coördinatie tussen ondernemingen, die de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat de effecten ervan niet hoeven te worden onderzocht. Bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen kunnen immers naar hun aard worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging (arresten van 20 november 2008, Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C‑209/07, EU:C:2008:643, punt 17, en 27 april 2017, FSL e.a./Commissie, C‑469/15 P, EU:C:2017:308, punt 103).
watmoet worden vastgesteld om te kunnen concluderen dat afgestemd gedrag ertoe strekt de mededinging te beperken. De tweede overweging ziet op de vraag
hoedat moet worden vastgesteld.
4.De onderhavige zaak in perspectief
HEM/CBLdie vraag is toegespitst op de besluiten waarbij het CBL die regelingen heeft vastgesteld. In beide zaken houdt het betoog van HEM in, dat de supermarkten hebben afgestemd het proces van leeftijdscontrole zo in te richten dat er geen ruimte is voor een extern digitaal systeem als het Ageviewers-systeem. Door in de zaak Jumbo voor het anker van een overeenkomst tussen CBL-leden te gaan liggen, heeft HEM een CBL-lid in rechte kunnen betrekken.
5.Bespreking van het cassatiemiddel
“een individuele supermarkt of een groep van supermarkten ervoor kan kiezen ook (aanvullend) met het systeem te werken”(rov. 11). Volgens het subonderdeel heeft Jumbo in hoger beroep uitsluitend gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat het gebruik van het Ageviewers-systeem niet kan worden aangemerkt als een aanvullende maatregel, bovenop de in de Campagne en de Code vervatte maatregelen (rov. 4.17 van het vonnis), maar niet tegen het oordeel van de rechtbank dat de Campagne en de Code onmiskenbaar uitgaan van leeftijdscontrole door de kassamedewerker, op een wijze die niet verenigbaar is met het gebruik van het Ageviewers-systeem (rov. 4.13 van het vonnis [43] ). Dit laatste oordeel staat derhalve vast, zo wordt gesteld. [44] Tegen die achtergrond zou het oordeel van het hof dat ook aanvullend met het Ageviewers-systeem kan worden gewerkt onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd zijn. [45]
“uit het voorgaande blijkt”) ten grondslag aan zijn oordeel dat het Ageviewers-systeem niet kan worden aangemerkt als een aanvullende maatregel c.q. dat er geen ruimte is voor gebruik van het systeem in aanvulling op de in de Campagne en de Code genoemde training. [48] Gelet hierop stuit het subonderdeel reeds hierop af dat een tegen rov. 4.17 van het vonnis gerichte grief, waarvan volgens het subonderdeel wèl sprake is, eveneens raakt aan de overwegingen in rov. 4.13-4.15 van het vonnis, zodat niet kan worden gezegd dat Jumbo niet heeft gegriefd tegen de door de rechtbank vastgestelde feitelijke onverenigbaarheid van de maatregelen in de Campagne en de Code met het Ageviewers-systeem (rov. 4.13).
26. Zo overweegt de rechtbank dat “de bepalingen uit de Code naar de letter ruimte [geven] voor het gebruik van het systeem”. Deze overweging bevestigt reeds dat van een strekkingsbeding geen sprake kan zijn. Immers, op grond van de inhoud van de Code kan dus al worden vastgesteld dat de Code naar haar aard niet kan worden geacht schadelijk te zijn in de zin dat andere systemen worden uitgesloten. De Code stelt op geen enkele wijze beperkingen aan Jumbo of andere supermarkten om vrijelijk te kiezen voor leeftijdscontrolesystemen als het Ageviewers-systeem.
4. Jumbo heeft zich destijds gecommitteerd aan een Code en een Campagne die erop gericht waren zeker te stellen dat alle CBL-leden een minimum niveau van leeftijdscontrole zouden kunnen halen. Daarin was een rol voor de kassamedewerker voorzien, omdat de kassamedewerker nu eenmaal degene is die, bij wijze van default, dus als er niets anders wordt geregeld, de leeftijdscontrole verricht. Maar vanzelfsprekend kan een supermarkt er voor kiezen een geavanceerd systeem te implementeren waarmee de rol van de kassamedewerker wordt geminimaliseerd, of waarmee de kassamedewerker zelfs geheel kan worden overgeslagen. Jumbo begrijpt werkelijk niet hoe het zekerstellen van een dergelijke default optie de strekking zou kunnen hebben andere systemen of maatregelen uit te sluiten. Niets in de Code of de Campagne, geen woord, geen bepaling of wat dan ook, belemmert supermarkten andere systemen te implementeren of andere maatregelen te nemen.”
“onmiskenbaar uitgaan van leeftijdscontrole van de kassamedewerker, op een wijze die niet verenigbaar is met het gebruik van het systeem”(rov. 4.13) onverenigbaar is met de eerdere overweging dat “
de bepalingen uit de Code [in dit opzicht] naar de letter ruimte [geven] voor gebruik van het systeem”(rov. 4.12). Bovendien heeft Jumbo betoogd dat en waarom de aan voornoemd oordeel (mede) ten grondslag liggende redenering van de rechtbank met betrekking tot de in de Code genoemde trainingen onbegrijpelijk is. Voorts heeft Jumbo ter ondersteuning gewezen op de door haar overgelegde interne stukken (een intern memo van 6 april 2011 van Jumbo en een e-mail van 16 maart 2012).
“een als norm gestelde training en het ter beschikking stellen van hulpmiddelen die het gebruik van het systeem feitelijk uitsluiten.”Gelet op de hierboven geciteerde stellingen van Jumbo, die uitdrukkelijk behelzen dat de Campagne en de Code het systeem niet uitsluiten, kan ook in zoverre niet gezegd worden dat niet gegriefd is tegen voornoemd oordeel van de rechtbank in rov. 4.13 van het vonnis (
“niet verenigbaar met”).
“een individuele supermarkt of een groep van supermarkten ervoor kan kiezen ook (aanvullend) met het systeem te werken”omdat het Ageviewers-systeem slechts een deel van de taken van de kassamedewerker overneemt (zie rov. 11, 7e en 8e volzin). Geklaagd wordt dat deze oordelen onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn. Daartoe voert het subonderdeel aan dat vast staat dat de leeftijdscontrole door het Ageviewers-systeem geheel op afstand wordt verricht en dat de kassamedewerker hierbij overbodig is. [50] Niet valt in te zien dat en waarom relevant zou zijn dat genoemd systeem niet de gehele verkoophandeling van de kassamedewerker overneemt, aldus het subonderdeel. De functie van het Ageviewers-systeem is immers het overnemen van de
controletakenvan de kassamedewerker. Volgens het subonderdeel volgt hieruit dat juist niet aanvullend met het Ageviewers-systeem kan worden gewerkt.
- Het Ageviewers-systeem is geen alternatief voor de kassamedewerker. Ook als het Ageviewers-systeem wordt gebruikt, zal er een rol voor de kassamedewerker blijven bestaan; zo zal deze ook dan de klant moeten vragen zijn ID-bewijs te tonen, maar dan niet slechts aan hemzelf, maar aan de viewers in Breda. De suggestie dat het hier gaat om twee systemen die elkaar uitsluiten is dan ook onjuist. De omstandigheid dat het Ageviewers-systeem de facto op een uitbesteding neerkomt, laat onverlet dat de kassamedewerker altijd enige rol zal hebben. Ook daarom is het logisch dat in de Code wordt gesproken over de kassamedewerker.”
anderetaken van de kassamedewerker, welke niet door het Ageviewers-systeem kunnen worden overgenomen, raken aan de leeftijdscontrole. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, gelet op de door Jumbo betrokken stellingen, waarop het hof zich, getuige de zinsnede
“Jumbo heeft er in dit verband terecht op gewezen”, kennelijk ook baseert. In dit oordeel ligt tevens een verwerping besloten van het uitgangspunt waarop het subonderdeel in de kern genomen rust, namelijk dat de betrokkenheid van de kassamedewerker is beperkt tot de handelingen die (ook) door het Ageviewers-systeem kunnen worden verricht, zodat de kassamedewerker
geheeloverbodig is bij de leeftijdscontrole en (dus) niet
aanvullendmet het systeem kan worden gewerkt. Daarmee is evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd de door het hof (mede) aan voornoemd oordeel verbonden conclusie dat wel degelijk (aanvullend) met het Ageviewers-systeem kan worden gewerkt. Deze gevolgtrekking ligt immers hierin besloten dat de kassamedewerker een rol blijft spelen, zodat de training van de kassamedewerker, waarvan de Campagne en de Code uitgaan, in die zin ook bij het gebruik van het Ageviewers-systeem relevant blijft (en gebruik van het systeem daarmee dus niet wordt uitgesloten).
Jumbo heeft er voorts terecht op gewezen dat, nadat de Campagne is aangenomen, door C1000 nog geruime tijd met het systeem is geëxperimenteerd, hetgeen onderschrijft dat de Campagne (en de Code) enerzijds en het systeem anderzijds naast elkaar kunnen bestaan.”
niet feitelijk vaststaatdat de C1000-hoofdorgansiatie het Ageviewers- systeem, waar zij aanvankelijk heel enthousiast over zou zijn geweest, kort na het vaststellen van de Campagne (op 12 juni 2008) zou hebben geannuleerd. Ik verwijs naar 1.10 (en voetnoot 3) hiervoor.
nadatde Campagne was aangenomen en dat gedurende
geruimetijd is geëxperimenteerd, kan aan het experiment wel degelijk de (feitelijke) conclusie verbonden worden dat (het experiment
onderschrijftdat) de Campagne (en de Code) enerzijds en het systeem anderzijds naast elkaar
kunnenbestaan. In zoverre sluit ik me dan ook aan bij de stelling van Jumbo in haar schriftelijke toelichting dat voor de redenering van het hof niet van belang is in hoeveel gevallen beide methoden van leeftijdscontrole daadwerkelijk naast elkaar hebben bestaan. [55]
“verhinderen”dat deze ene franchisenemer een test uitvoerde met het Ageviewers-systeem. Het feit dat andere franchisenemers niet hebben getest c.q. hebben kunnen testen met het Ageviewers-systeem maakt de conclusie van het hof dat beide systemen van leeftijdscontrole naast elkaar
kunnenbestaan op zichzelf immers niet anders. Het memo van 6 april 2011 wijst er eerder op dat de C1000-hoofdorganisatie heeft overwogen of zij een pilot met het Ageviewers-systeem wilde laten uitvoeren (mijn onderstreping):
Conclusie. Het advies van de afdeling Formule Ontwikkeling is dan ook om in zijn geheel af te zien van dit concept,dus hier geen pilot mee te gaan uitvoerenen deze interface geheel te verwijderen uit de broncode van de kassasoftware.”
Uit het memo van C1000 van 6 april 2011 en de interne e-mail van Jumbo van 16 maart 2012 moet worden afgeleid dat er in ieder geval binnen de (C1000- en latere) Jumbo-organisatie praktische bezwaren tegen de invoering van het systeem waren.”
in onderlinge samenhanghet hof tot een ander oordeel had moeten leiden, nu elk van deze elementen in dezelfde richting wijst, namelijk dat de Campagne en de Code geen mededingingsbeperkende strekking hebben.
eersteklacht is gekant tegen de conclusie van het hof dat
“noch de bewoordingen van de Campagne en de Code, noch de doelstelling daarvan [daarom leiden] tot de conclusie dat het systeem wordt uitgesloten”(rov. 11, laatste volzin). Geklaagd wordt dat de conclusie over de doelstelling van de Campagne en de Code geheel uit de lucht komt vallen, nu het hof in rov. 11 daaromtrent niets overweegt. De conclusie zou daarom onvoldoende gemotiveerd zijn.
tweede klachtbehelst dat de onder 5.26 genoemde conclusie van het hof (ook) daarom geen stand kan houden omdat het hof niet (dan wel onvoldoende of op onbegrijpelijke wijze) heeft gerespondeerd op de volgende essentiële stellingen van HEM:
dat de door de Campagne en de Code voorgeschreven maatregelen (…) niet effectief waren gebleken”. Ten tweede is het voor het antwoord op vraag of de overeenkomst tot het zich committeren aan de Campagne en de Code ertoe strekt de mededinging te beperken, zonder belang of het Ageviewers-systeem effectiever is in het uitvoeren van de leeftijdscontrole.
“bovendien”blijkt uit de schriftelijke verklaring van [betrokkene 4] (destijds werkzaam bij KPN), faalt het omdat het hof in rov. 17 ís ingegaan op een deel van deze verklaring, zodat het subonderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist.
derde (en voortbouwende) klachtricht zich tegen het oordeel in rov. 17 dat de verklaring van [betrokkene 4] onvoldoende concreet is. Dit oordeel zou onbegrijpelijk zijn, nu uit de verklaring uitdrukkelijk zou blijken dat sprake is van een
“boycot”.
“de gevolgen die de branche-afspraken hebben gehad op het marktgedrag van (…) PLUS.”Daarbij heeft HEM specifiek verwezen naar de passage uit de verklaring waarin wordt aangegeven welke redenen supermarktketen Plus heeft genoemd voor haar besluit om niet in te gaan op de propositie van KPN Narrowcasting en Ageviewers. [65] De klacht gaat er aan voorbij dat HEM zich niet heeft beroepen op passages uit de verklaring van [betrokkene 4] anders dan de passage die het hof in rov. 17 bespreekt (om het beroep van HEM hierop vervolgens op voldoende gemotiveerde wijze te verwerpen). Bovendien is het HEM in feitelijke instanties ook specifiek te doen om de beweegredenen van
Plusom het Ageviewers-systeem niet te gaan gebruiken. Het feit dat [betrokkene 4] – in het licht van zijn ervaringen bij een
andereretailketen – spreekt van een
“boycot” [66] kan daarom geen afbreuk doen aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof, dat temeer begrijpelijk is in het licht van hetgeen HEM in dit verband wél heeft aangevoerd.
Strekkingsbeperking; economische en juridische context Campagne en Code
eerste klachtklaagt over
de weergavevan de stelling van HEM in de eerste volzin van rov. 12, luidende dat HEM aan het rapport van haar economisch adviseur OmniCLES
“de stelling [ontleent] dat er geen logische verklaring is voor het feit dat geen enkel CBL-lid de invoering van het systeem wildeoverwegen.”(mijn onderstreping). Deze weergave is volgens het subonderdeel onbegrijpelijk, omdat HEM heeft gesteld dat zonder de Campagne en de Code economisch onverklaarbaar is dat geen enkel CBL-lid of hun franchisenemers het Ageviewers-systeem heeft
gebruikt. [68]
“overwegen”zelf in de mond neemt. Daarbij neem ik verder in aanmerking dat de terminologie die wordt gebezigd in de gedingstukken waarnaar het subonderdeel verwijst, niet eenduidig is: er wordt gesproken van ‘kiezen’, ‘gebruiken’, ‘invoeren’ en ‘overwegen’. [70]
“na 2008 nog door verschillende supermarkten is overwogen het systeem in te voeren”, maar ook dat het niet onaannemelijk is dat de keuze van de CBL-leden en hun franchisenemers om het Ageviewers-systeem niet in te voeren is gebaseerd op
“inhoudelijke afwegingen”. Volgens het hof is er dus wel een
“logische verklaring”voor de keuze van de CBL-leden en hun franchisenemers. Ook indien het hof bij zijn weergave van de gewraakte stelling zou hebben gesproken van
“heeft gebruikt”in plaats van
“wilde overwegen”, zou derhalve in rov. 12 een verwerping van deze stelling besloten liggen. De volgens het subonderdeel juiste weergave van de aan de orde zijnde stelling had het hof, met andere woorden, niet tot een ander oordeel hoeven leiden. [71] Ik concludeer dan ook dat HEM belang mist bij haar klacht.
tweede klachtbehelst dat het hof “
geen (althans onvoldoende althans onbegrijpelijke) aandacht” heeft besteed aan de essentiële stellingen van HEM dat uit het rapport van OmniCLES volgt dat er in de hypothetische situatie zonder de Campagne en de Code een grote verscheidenheid aan gebruikte leeftijdscontrolemaatregelen op de markt zou zijn en er op basis van de economische theorie geen reden is om te veronderstellen dat het systeem niet zou worden gebruikt door in ieder geval enkele CBL-leden of hun franchisenemers, terwijl in de feitelijke situatie met de Campagne en de Code geen enkel CBL-lid of hun franchisenemers gebruik heeft gemaakt van het Ageviewers-systeem. Deze analyse wordt volgens het subonderdeel ondersteund door het vaststaande feit dat het systeem is afgenomen door een aantal niet-CBL-leden (rov. 2, sub t).
counterfactualanalyse’ die OmniCLES in opdracht van HEM heeft verricht. Bij een dergelijke analyse wordt de mededingingssituatie met de afspraak vergeleken met de mededingingssituatie zoals deze zonder de afspraak zou zijn geweest. Uit de Europese rechtspraak volgt dat bij het vaststellen van de mededingingsbeperkende
gevolgenvan een afspraak in beginsel een
counterfactualanalyse moet worden uitgevoerd. [72] De klacht ziet echter op overwegingen van het hof die betrekking hebben op de vraag of sprake is van een
strekkingsbeperking (rov. 12). Bij het beantwoorden van die vraag is het verrichten van een
counterfactualanalyse niet vereist. [73] Dit strookt met het uitgangspunt dat een onderzoek naar de beperkende
strekkingvan bepaalde mededingingsregelingen of afspraken niet mag uitmonden in een onderzoek naar de
gevolgenvan de onderzochte afspraken voor de mededinging. [74] Gelet op dit een en ander kan het hof niet het verwijt worden gemaakt dat het in rov. 12 niet specifiek is ingegaan op stellingen die de resultaten van een
counterfactualanalyse betreffen (en die in zoverre dus ook niet als essentieel zijn aan te merken in de context van rov. 12).
nietuitsluiten. Bij deze stand van zaken was het hof m.i. niet gehouden om te responderen op de door het subonderdeel genoemde stellingen.
tussen de supermarktenwordt beperkt, heb ik daar ook vraagtekens bij. Het lijkt niet aannemelijk dat het naleven van de wet door het inrichten van passende leeftijdscontroles een relevante concurrentieparameter is. [77]
“slagen van het systeem op de markt”. Dit zie ik anders. Kern is dat sprake was van
“praktische overwegingen van individuele supermarkten of hoofdorganisaties”. [78] Anders dan het subonderdeel uit de bestreden overweging afleidt, heeft het hof (bij de beoordeling of de Campagne en de Code ertoe strekken de mededinging te beperken) geen gewicht toegekend aan het (niet) slagen van het Ageviewers-systeem op de markt als zodanig. Het subonderdeel berust dus op een onjuiste lezing van de bestreden overweging en kan niet tot cassatie leiden. [79]
“dat en waarom”het hof toch met deze bezwaren rekening heeft gehouden.
gevolghebben dat de mededinging wordt beperkt, terwijl het subonderdeel draait om het oordeel van het hof dat de Campagne en de Code niet een mededingingsbeperkende
strekkinghebben. [81] Ook overigens slaagt het subonderdeel niet, zoals uit het navolgende blijkt.
verklaringvoor het feit dat supermarkten het Ageviewers-systeem niet hebben ingevoerd. Daarvoor zou geen andere economische verklaring zijn dan de mededingingsbeperkende aard van de Campagne en de Code. [82] Dit komt ook duidelijk naar voren in de weergave van de stellingen van HEM (en de respons van Jumbo daarop) aan het begin van rov. 12. Hieruit volgt dat waar het hof in rov. 12 wijst op
“praktische bezwaren”, het niet gaat om het bestaan van bezwaren (in de zin van nadelen van het Ageviewers-systeem) op zich, zoals het subonderdeel kennelijk veronderstelt, maar om het feit dat het volgens het hof niet onaannemelijk is dat deze bezwaren de
grondslaghebben gevormd voor de keuze van de CBL-leden en hun franchisenemers om het Ageviewers-systeem niet in te voeren. Dit komt ook terug in de overweging van het hof dat de stelling dat de Campagne en Code het systeem (dwingend) uitsluiten niet te verenigen is met het feitelijke gedrag van enkele CBL-leden
“en de op een inhoudelijke afweging gebaseerde keuze die daaruit blijkt.”(rov. 12). Het bestaan van bezwaren tegen het Ageviewers-systeem is dus, anders dan het subonderdeel stelt, in de onderhavige zaak wel degelijk relevant bij de beoordeling van de vraag of de Campagne en de Code strekkingsbeperkingen vormen.
“Dat betekent dat degrieven 2 en 3slagen.”). Deze grief was gericht tegen het volgende oordeel van de rechtbank (rov. 4.18 van het vonnis): [83]
Nu de campagne en de Code een mededingingsbeperkende strekking hebben, vormen zij naar hun aard en los van het concrete gevolg een merkbare beperking van de mededinging in de zin van artikel 6 Mw Pro. (…)”
Vervolgenswordt betoogd dat het hof niet (dan wel onvoldoende of onbegrijpelijk) heeft gerespondeerd op de essentiële stelling dat op basis van de sterke marktpositie van de CBL-leden op de markt voor inkoop van en detailhandel in levensmiddelen en op de markt voor leeftijdscontrolesystemen vaststaat dat de mededingingsbeperkingen merkbaar zijn.
“niet kan worden geconcludeerd dat de Campagne en de Code een mededingingsbeperkende strekking hebben”. Deze conclusie leidt tot gegrondbevinding van de tweede grief van Jumbo, gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de Campagne en de Code ertoe strekken de mededinging te beperken (rov. 12, laatste volzin). Dit oordeel heeft tot gevolg dat de grond ontvalt aan het oordeel van de rechtbank dat de Campagne en de Code een merkbare beperking van de mededinging vormen. Het oordeel van het hof dat zijn conclusie dat de Campagne en de Code
nieteen mededingingsbeperkende strekking hebben met zich brengt dat (ook) grief 3 slaagt, acht ik daarom juist. Dat oordeel is ook voldoende gemotiveerd. Dat het hof in rov. 12 met geen woord rept over de merkbaarheid van de mededingingsbeperking, maakt dit niet anders. Het hof hoefde dit immers niet te doen in reactie op de grieven, nu de Campagne en de Code naar zijn oordeel geen strekkingsbeperkingen vormen. Daarom faalt de
eersteklacht van het subonderdeel.
tweedeklacht deelt dit lot. Het hof heeft niet toe hoeven komen aan het punt van de merkbaarheid van de gestelde mededingingsbeperkingen. Het kan het hof dan ook niet worden verweten dat het niet heeft gerespondeerd op de daarop betrekking hebbende stellingen van HEM.
“de stelling dat de Campagne en de Code het systeem (dwingend) uitsluiten, niet te verenigen [is] met dat feitelijke gedrag van enkele leden van het CBL en de op een inhoudelijke afweging gebaseerde keuze die daaruit blijkt.”Tegen dit oordeel komt het subonderdeel op met een motiveringsklacht. Het zou namelijk een feit van algemene bekendheid zijn dat kartellisten proberen een (dwingende) uitsluiting te verhullen. Derhalve is onbegrijpelijk dat en waarom
“dergelijke (inhoudelijke) overwegingen”onverenigbaar zouden zijn met de (dwingende) uitsluiting. Dit geldt temeer, aldus nog steeds het subonderdeel, nu vaststaat dat geen enkel CBL-lid of hun franchisenemers gebruik heeft gemaakt van het Ageviewers-systeem. Dit feitelijke gedrag is wél verenigbaar met de (dwingende) uitsluiting van het systeem, zo wordt gesteld. Tot slot bevat het subonderdeel een motiveringsklacht.
“praktische overwegingen”. Daarmee is naar ik aanneem bijvoorbeeld bedoeld: overwegingen van technische aard (software e.d.) en commerciële aard (zoals irritatie klanten). Overigens was hier niet veel te verhullen. De regelingen waaraan HEM aanstoot neemt omdat zij die ziet als grond voor de keuze van supermarkten niet met haar in zee te gaan, staan op papier en zijn publiekelijk toegankelijk. Door HEM is niet gesteld dat naast deze regelingen geheime afspraken tussen supermarkten zouden zijn gemaakt.
“temeer”geldt omdat het feit dat geen enkel CBL-lid of hun franchisenemers het Ageviewers-systeem heeft ingevoerd wél verenigbaar is met de (dwingende) uitsluiting van het systeem, mist het eveneens doel. Zoals Jumbo opmerkt in haar schriftelijke toelichting (onder 50), is dit ‘feitelijke gedrag’ op zichzelf inderdaad verenigbaar met een (dwingende) uitsluiting van het Ageviewers-systeem, maar evengoed met een op praktische overwegingen c.q. inhoudelijke gronden gebaseerde keuze om geen gebruik te maken van het systeem. [84] Het hof heeft
“niet onaannemelijk”geacht dat dit laatste in de onderhavige zaak het geval is geweest, om vervolgens tot zijn bestreden oordeel te komen. Dit oordeel acht ik ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
“race to the top”op het terrein van leeftijdscontrole.
“economisch motief”.
rechtsklachtdat het hof heeft miskend dat moet worden vermoed dat de Campagne en de Code een mededingingsbeperkende strekking hebben, althans dat op Jumbo een verzwaarde stelplicht rust ten aanzien van de betwisting dat de Campagne en de Code een mededingingsbeperkende strekking hebben. Het onderdeel noemt een zestal ‘omstandigheden’ waaruit dit zou moeten volgen:
bewijsvermoedenop zou zijn gebaseerd. In de schriftelijke toelichting wordt verwezen naar art. 17 lid 2 van Pro de Richtlijn privaatrechtelijke handhaving mededingingsrecht (hierna:
de Kartelschaderichtlijn), [85] welke bepaling het (weerlegbaar) vermoeden behelst dat kartels schade berokkenen. [86] Betoogd wordt dat de aan deze bepaling ten grondslag liggende ratio – kort gezegd: het probleem van informatieasymmetrie waardoor het voor eisers moeilijk is om het nodige bewijsmateriaal te verkrijgen om de schade als gevolg van een kartel aan te tonen [87] – ook opgaat bij het bewijs van een mededingingsbeperkende strekking. Verder merkt de schriftelijke toelichting, onder verwijzing naar het arrest
IAE/Neo-River, [88] op dat
“de Hoge Raad wettelijke bewijsvermoedens kan uitbreiden met rechterlijke bewijsvermoedens.”Ter onderbouwing van de stelling dat op Jumbo een
verzwaarde stelplichtrust, voert de schriftelijke toelichting aan dat HEM
“ruimschoots”op aan de op haar rustende stelplicht heeft gedaan en dat het derhalve op de weg lag van Jumbo om haar verweer voldoende te onderbouwen, nu het gaat om “
feiten en omstandigheden die in haar domein liggen”. De schriftelijke toelichting verwijst op dat punt naar het arrest
Reaal/Gemeente Deventer. [89]
Inalle nationaleof communautaireprocedurestot toepassing van artikel 81 of Pro artikel 82 van Pro het Verdragdient de partijof de autoriteitdie beweert dat een inbreuk op art. 81 lid Pro 1, of artikel 82 van Pro het Verdrag is gepleegdde bewijslast van die inbreuk te dragen. De onderneming of ondernemingsvereniging die zich op artikel 81, lid 3, van het Verdrag beroept, dient daarentegen de bewijslast te dragen dat aan de voorwaarden van deze bepaling is voldaan.” (onderstreping toegevoegd; AG).
moetenhanteren niet goed te verenigen met de regels van bewijsvoering die de Hoge Raad in het arrest
ANVR/IATA, onder het kopje “
Algemene ‘vooropstelling’ mededingingsrecht”, heeft vastgelegd
. [92] Het hof heeft in rov. 7 (in cassatie niet bestreden) het arrest van de Hoge Raad geciteerd en op goede grond overwogen dat “
HEM de nodige feiten naar voren dient te brengen waaruit met een voldoende mate van zekerheid haar stellingen volgen dat Jumbo een of meer door artikel 6 Mw Pro verboden overeenkomsten heeft gesloten.”
dit concrete gevalgeen grondslag voor het hanteren van een bewijsvermoeden of een verzwaarde stelplicht, laat staan dat die omstandigheden het hof tot het oordeel hadden
moetenbrengen dat – in de woorden van het onderdeel –
“moet worden vermoed dat de Campagne en de Code een mededingingsbeperkende strekking hebben.”Uit de procesinleiding in cassatie volgt niet – (een) vindplaats(en) in de gedingstukken in feitelijke instanties worden niet genoemd – dat HEM de
onder 1genoemde stelling c.q. omstandigheid ten grondslag heeft gelegd aan haar betoog dat de Campagne en de Code ertoe strekken de mededinging te beperken. De
onder 3, 4 en 5genoemde stellingen zijn een herhaling van zetten. Zoals uit de bespreking van onderdeel 2 genoegzaam mag blijken, ben ik van mening dat het hof de onder 4 en 5 genoemde stellingen op goede grond en op voldoende gemotiveerde en begrijpelijke wijze heeft verworpen. De onder 3 genoemde stelling gaat, zoals volgt uit de bespreking van subonderdeel 1.1, niet op. Het hof behoefde in deze stellingen dan ook geen grond te zien om bedoeld vermoeden aan te nemen. [93] Deze grond behoefde het hof evenmin te vinden in de
onder 2genoemde omstandigheid, nu de verwerping van deze stelling volgt uit het oordeel van het hof dat de keuze van CBL-leden en hun franchisenemers om niet met het Ageviewers-systeem te werken is ingegeven door praktische bezwaren (zie rov. 12 en 15). De overgebleven stelling (
onder 6)dat het een feit van algemene bekendheid is dat kartellisten zullen proberen een (dwingende) uitsluiting te verhullen is, wat daar verder van zij, op zichzelf onvoldoende voor het aannemen van een bewijsvermoeden. Integendeel, als die stelling klopt lijkt voor een dergelijk vermoeden minder noodzaak te bestaan.
motiveringsklacht.