Uitspraak
gevestigd te Houten,
gevestigd te Utrecht,
gevestigd te Kerkdriel,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
Deze regeling is per 1 juli 2008 ingevoerd bij de Regeling diergeneesmiddelen en het Besluit diergeneesmiddelen ter uitvoering van de Europese richtlijn 2004/28/EG.
Voor die datum waren deze diergeneesmiddelen vrij verhandelbaar en konden veehouders deze zonder recept kopen bij vergunninghouders. Het geschil betreft met name ontwormmiddelen.
SGD is onder meer verantwoordelijk voor het beheer van de reglementen en regelingen voor de veterinaire dienstverlening, waaronder het Reglement Geborgde Rundveedierenarts. SGD heeft per diersoort een College van Belanghebbenden (hierna: CvB), welk college reglementen en regelingen opstelt en ter goedkeuring voorlegt aan het bestuur van SGD. In het CvB voor de rundveesector zitten onder meer afgevaardigden van de Groep Gezondheidszorg Landbouwhuisdieren van KNMvD, en van FrieslandCampina, LTO en de Centrale Organisatie voor de Vleessector.
Onder besluit van een ondernemersvereniging valt ook een als vrijblijvend gepresenteerde aanbeveling, indien degenen tot wie deze is gericht te kennen hebben gegeven dat zij die aanbeveling zullen volgen, dus als een bindend besluit zullen opvolgen. Het bij het meergenoemde Reglement behorende Beoordelingsprotocol met bijbehorende modelovereenkomst reguleert de verhouding tussen dierenartsen en melk/- rundveehouder inclusief het voorschrijven en/of leveren van URA-middelen.
De effectiviteit van bedoelde besluitvorming wordt nog vergroot door het feit dat het College van Belanghebbenden van de SGD niet alleen is samengesteld uit dierenartsen, maar ook uit leden van LTO Nederland en FrieslandCampina. Agib is bij het desbetreffende overleg als enige van alle spelers op de markt niet betrokken geweest. Verder wijst het hof op de parallellie (te weten gelijkluidende teksten) tussen de modelovereenkomsten van de zijde van de KNMvD en de SGD en het in rov. 4.7 en 4.8 (deels) geciteerde praktijkreglement van FrieslandCampina. Ten slotte is door SGD, bij monde van haar secretaris, [betrokkene 1] , ter zitting bij het hof naar voren gebracht dat de één op één dierenarts verantwoordelijk is voor het bedrijfsgezondheidsplan met als doel dat er goede melk wordt geleverd, dat SGD al jaren bezig is met kwaliteitsdoeleinden en dat er één aanspreekpunt moet zijn voor het geval er te veel of verkeerd gebruik wordt gemaakt van diergeneesmiddelen. Veehouders waren gewend om te shoppen, maar SGD wilde hiervan af, vandaar de eis van één centraal punt, aldus [betrokkene 1] .
Dat deze maatregelen een groot potentieel hebben om de mededinging op de relevante markt te verstoren, heeft Agib aan de hand van de volgende omstandigheden voldoende toegelicht. In de eerste plaats heeft zij gewezen op de uitbreiding van de wettelijke voorschrijfplicht voor antibiotica door de één op één dierenarts tot ook URA-middelen in protocollen en modelovereenkomsten van de SGD (…). In de tweede plaats heeft zij, onder meer ter zitting bij het hof, gewezen op uitlatingen van SGD dat URA-middelen nog uitsluitend door een één op één dierenarts mogen worden afgeleverd (volgens SGD gaat het echter in artikel GDR.01b van het Beoordelingsprotocol Geborgde Rundveedierenarts (zie rov. 4.5) om het voorschrijven en/of leveren van URA-middelen, terwijl Agib stelt dat door SGD althans de suggestie wordt gewekt dat het om: “voorschrijven en leveren gaat”). In de derde plaats heeft zij gewezen op de feitelijke onwilligheid bij dierenartsen om desgevraagd een recept uit te schrijven (…) alsmede op hun monopoliepositie (…). Ten slotte heeft Agib gewezen op het 5 punten plan van KNMvD waaruit volgens haar blijkt dat KNMvD en SGD een geborgde positie voor de één op één dierenartsen willen verwezenlijken en de concurrentie uit de markt willen halen.
Deze bepaling is geënt op (het huidige) art. 101 VWEU Pro.
Bij de uitleg van eerstgenoemde bepaling dient dan ook zo veel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij de uitleg van (thans) art. 101 VWEU Pro in de rechtspraak van het HvJEU (vgl. HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5542; HR 24 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:149, NJ 2016/489).
Als derhalve komt vast te staan dat bepaalde besluiten een mededingingsbeperkende strekking hebben, dan is een afzonderlijk onderzoek ook naar de merkbaarheid van de mededingingsbeperking niet meer nodig.
4.Beslissing
14 juli 2017.