Conclusie
1. dat hij op 21 mei 2015 te Sint Maarten, opzettelijk een persoon, genaamd [slachtoffer], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk, met een vuurwapen meerdere kogels afgevuurd op [slachtoffer], ten gevolge waarvan deze is overleden.
De verdachte heeft een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces en tot ontslag van alle rechtsvervolging geconcludeerd. Volgens de verdachte werd hij door het latere slachtoffer bedreigd met een schaar en heeft hij, verdachte, zich tegen deze wederrechtelijke aanranding van zijn lijf moeten en mogen verdedigen. Daarbij is volgens de verdachte van belang dat het slachtoffer voorafgaand aan het onderhavige incident de verdachte bij herhaling heeft bedreigd en geprovoceerd, waardoor het slachtoffer angst had gekweekt bij de verdachte en de verdachte vanuit een hevige gemoedsbeweging heeft gehandeld.
1. Niet strafbaar is een gedraging:
Hij die opzettelijk en wederrechtelijk vertoeft in de woning of het besloten lokaal of op een besloten erf, bij een ander in gebruik, wordt als schuldig aan huisvredebreuk gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”
1. Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen oogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
Hij die, hetzij in de woning of in het bij eene woning behorend erf, hetzij in het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege den rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
Hij die in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
gezamenlijk”. [9]
tekstuele modernisering”, maar is inhoudelijk ruimer geformuleerd dan artikel 144 Sr Pro, waarnaar in artikel 43 Sr Pro wordt verwezen. [10] Artikel 2:65 Sr Pro is met name ruimer omdat deze bepaling niet vereist dat (a) wederrechtelijk wordt binnengedrongen of (b) degene die “
wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege den rechthebbende aanstonds verwijdert”. [11] Artikel 1:114 Sr Pro is als gevolg daarvan de voor de verdachte gunstigste bepaling.
eerste middelbehelst de klacht dat het Hof het beroep op noodweer c.q. noodweerexces ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
excesis het niet nader onderbouwd, zodat het in zoverre buiten beschouwing kan blijven.
uitsluitend, in elk geval op onaanvaardbare wijze, op de verdachte gelegd”. Ten tweede heeft het Hof gebruik gemaakt van een getuigenverklaring waarvan de betrouwbaarheid uitdrukkelijk onderbouwd was betwist, waarna het Hof heeft nagelaten te motiveren waarom hij de verklaring wel betrouwbaar heeft geacht. Ten derde heeft het Hof niet vastgesteld dat de verdachte “
in ‘aanmerkelijke mate’ verwijtbaar heeft gehandeld”.
op deze wijze, en dat geheel ten onrechte, het aannemelijk maken van de feitelijke grondslag uitsluitend, in elk geval op onaanvaardbare wijze, op [verdachte] heeft gelegd”. Hieraan vooraf gaat een verwijzing naar het “
door [verdachte] geschetste alternatieve scenario” dat steun zou vinden in de verklaring van de getuige [getuige 2] en de situatieschets, terwijl de “
betrouwbaarheid” van de verklaring van de getuige [getuige 1] uitdrukkelijk is betwist “
omdat deze getuige enerzijds de beste vriend van het slachtoffer is geweest en anderzijds omdat zijn verklaring haaks staat op die van een objectieve getuige ([getuige 2]) en de situatieschets”. De klacht berust op de veronderstelling dat het Hof dit alternatief scenario niet aannemelijk heeft geacht omdat het de getuigenverklaring van [getuige 1] wel heeft geloofd, en onvoldoende waarde heeft gehecht aan de getuigenverklaring van [getuige 2] in combinatie met de situatieschets.
wijze” het Hof daarmee het aannemelijk maken van de gang van zaken die aan het beroep op noodweer ten grondslag is gelegd, “
op onaanvaardbare wijze, op [verdachte][zou hebben]
gelegd”. Het Hof heeft overwogen dat het verweer dat de verdachte door het slachtoffer met een schaar of een daarop gelijkend voorwerp werd bedreigd, geen steun vindt in de bewijsmiddelen. Met betrekking tot de mogelijkheid dat de schaar door de getuige [getuige 1] bij het lichaam van het slachtoffer zou zijn weggehaald, heeft het Hof overwogen dat dit niet nader is gesubstantieerd en dat daarvoor in het dossier geen aanknopingspunten zijn te vinden. Deze motivering voor de verwerping van ‘het alternatieve scenario’ komt mij alleszins acceptabel voor. De eerste deelklacht faalt.
bij de vorming van zijn oordeel gebruik gemaakt[heeft]
van de verklaring van getuige ([getuige 1]) waarvan de verdediging uitdrukkelijk de betrouwbaarheid heeft betwist”. In de schriftuur is niet aangegeven waar precies het Hof bij de verwerping van het beroep op noodweer(exces) gebruik heeft gemaakt van de verklaring van de getuige [getuige 1]. Reeds om die reden moet de klacht falen.
een andere draai” proberen te geven aan de werkelijke toedracht omdat hij “
als goede vriend van het slachtoffer, het gedrag van het slachtoffer heeft getracht te verbloemen”. Bovendien, omdat [getuige 1] onwaarheid zou hebben gesproken over een “
kommetje” dat de verdachte al of niet bij zich had, kan “
ook niet (…) worden uitgesloten dat het slachtoffer daadwerkelijk een schaar en of mes bij zich had.”
voor het niet nader gesubstantieerde verweer van de verdachte dat de schaar mogelijk door de getuige [getuige 1] bij het lichaam van het slachtoffer is weggehaald” geen aanknopingspunten in het dossier zijn te vinden. Daarmee heeft het Hof te kennen gegeven dat en waarom het is afgeweken van het door de raadsvrouw ter terechtzitting ingenomen standpunt. Ook om die reden faalt de tweede klacht.
voorgaande” meebrengt “
dat van een wederrechtelijke aanranding geen sprake was”.
dat deze omstandigheden er niet zijn geweest of dat er geen sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van [verdachte] doordat hij meende dat er dreigend gevaar is geweest”. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting kan echter niet volgen dat deze stelling daar is aangevoerd. Een dergelijk beroep op putatief noodweer vergt een beoordeling van feiten en omstandigheden en kan daarom niet met succes voor het eerst in cassatie worden gedaan.
tweede middelbehelst de klacht dat het Hof “
een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het toepassingsbereik en de reikwijdte” van artikel 1:114 Sr Pro. Het Hof zou hebben miskend “wat
de wetgever heeft beoogd te beschermen enwie
hij wilde beschermen.” In de toelichting op het middel wordt dat omschreven als “
bescherming te bieden tegen een inbreuk op de persoonlijke ruimte van de burger en diens zelfbeschikkingsrecht”. Om die reden is, anders dan het Hof heeft overwogen, niet doorslaggevend “
dat een afstand van 24 m niet als de ‘onmiddellijke nabijheid’ van de woning[…]
kan worden aangemerkt”.
in de woning of in het bij eene woning behorend erf, hetzij in het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik”, wederrechtelijk binnendringen of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, het zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen. De in artikel 2:65 Sr Pro bedoelde huisvredebreuk moet worden onderscheiden van de noodweersituatie als bedoeld in artikel 1:114 Sr Pro. Anders gezegd: de enkele huisvredebreuk levert geen noodweersituatie op.
verdediging, bedoeld in het eerste lid” alsmede uit het begaan van huisvredebreuk “
ten tijde van of direct voorafgaand aan” de verdediging. De “
verdediging, bedoeld in het eerste lid” verwijst naar “
de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen oogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding”. Uit de tekst van beide bepalingen volgt dus dat de enkele huisvredebreuk niet zonder meer gelijkgesteld mag worden met “
de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen oogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding”.
inbrekers in woningen het gemunt hebben op het goed van de bewoners. Dat betekent dat daar het vermoeden van aanranding eigenlijk al door de inbreuk is gegeven.” [15] Het verband tussen huisvredebreuk en de veronderstelde noodweersituatie komt ook naar voren in een conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga waarin hij wees op de beangstigende situatie die verbonden is aan nachtelijke huisvredebreuk, die “
uit zijn aard overrompelend, beangstigend en bedreigend” is. [16]
Est présumé avoir agi en état de légitime défense celui qui accomplit l'acte :1° Pour repousser, de nuit, l'entrée par effraction, violence ou ruse dans un lieu habité;
bij het afweren, bij nacht, van de beklimming of de braak van de afsluitingen, muren of toegangen van een bewoond huis of appartement of de aanhorigheden ervan”. [19] Artikel 417 Strafwetboek Pro luidt als volgt:
Onder de gevallen van ogenblikkelijke noodzaak van de verdediging worden de twee volgende gevallen begrepen:
een traditie waarin het was toegestaan meedogenloos op te treden tegen nachtelijke indringers”. [23]
home protection”), maar kan ook dienen om twee aspecten daarvan te onderscheiden die een contrast vormen met de regeling ‘uitbreiding zelfbescherming’ in de wetgeving van de Nederlandse Antillen (oud) en Sint Maarten.
the right to stand his or her ground”). De wet voorziet voorts in de presumptie dat dodelijk geweld proportioneel is om zich tegen huisvredebreuk te verdedigen. Weliswaar vereist de wet voor het uitoefenen van dodelijk geweld dat de betrokkene (op wiens huisvrede inbreuk wordt gemaakt) redelijkerwijs mocht aannemen dat het dodelijk geweld noodzakelijk was om een aanstaande dood of ernstig lichamelijk letsel van zichzelf of een ander te voorkomen – waarmee de eis van proportionaliteit wordt gesteld – maar de wet bevat ook de presumptie dat de betrokkene dat mocht aannemen indien het dodelijk geweld is uitgeoefend jegens degene die een inbreuk maakte op de huisvrede.
Home protection; use or threatened use of deadly force; presumption of fear of death or great bodily harm. –
vermoedelijke noodweersituatie”. Het verband met huisvredebreuk blijkt uit de gevallen die volgens de aanwijzing het meest duidelijk zijn:
De meest duidelijke gevallen doen zich voor indien het incident zich heeft voorgedaan in de eigen woning of in het bedrijf waar de betrokkene werkt, dan wel op het bijbehorende erf.”
waarschijnlijk is dat een dergelijk beroep[op noodweer(exces)]
niet gehonoreerd zal worden”.
Dit is de kern van het wetsvoorstel en de uitbreiding van de noodweerbevoegdheid: de omkering van de «bewijslast». Niet langer hoeft een burger die zich in zijn eigen huis bedreigd weet aan te tonen dat hij uit noodweer handelde; de noodweersituatie, de dreiging van aanranding, wordt in deze situatie verondersteld aanwezig te zijn. Het is dan aan het openbaar ministerie om (materieel) het tegendeel te bewijzen, waarbij uiteraard het openbaar ministerie de deelnemende (formele) procespartij is, die het tegenbewijs voor het niet bestaan van de veronderstelde noodweersituatie moet aanleveren. Dit aanleveren van tegenbewijs kan zowel plaatsvinden in zowel de fase van wenselijk geachte voorlopige hechtenis, als in de fase van het onderzoek ter terechtzitting. Zowel de rechter die beslist over de voorlopige hechtenis als de rechter die beslist over de inhoudelijke behandeling van de strafzaak zal nadrukkelijk dienen te responderen op het wettelijk veronderstelde bestaan van de noodweersituatie als bedoeld in het tweede lid van art. 41 Sr Pro. Indien de rechter het nieuwe wettelijk bewijsvermoeden uit artikel 41, lid 2 Sr verwerpt zal dat gepaard gaan met een bijzondere motiveringsplicht voor die rechter.” [26]
De verdediging wordt geacht noodzakelijk te zijn, als in het eerste lid bedoeld, indien hij die de aanranding begaat of dreigt te begaan hierbij het misdrijf, bedoeld in artikel 138, eerste lid, pleegt. Onder erf als bedoeld in artikel 138, eerste lid, wordt bij de toepassing van dit artikel verstaan een in de directe nabijheid van de woning of het besloten lokaal gelegen stuk grond.” [27]
bescherming te bieden tegen een inbreuk op de persoonlijke ruimte van de burger en diens zelfbeschikkingsrecht”. Het Hof zou door hieraan voorbij te gaan “
het toepassingsbereik en de reikwijdte van[artikel 1:114, tweede lid, Sr hebben]
miskend”.
dat het wenselijk is regels te stellen teneinde gehoor te geven aan de in de samenleving bestaande behoefte aan de uitbreiding van zelfbescherming door burgers wanneer zijzelf of andere aanwezigen in of in de onmiddellijke nabijheid van woning of besloten lokaal het slachtoffer worden of dreigen te worden van een ernstig strafbaar feit en zich daartegen verdedigen.”
Met name in situaties dat burgers worden geconfronteerd met ongewenste derden in hun meest persoonlijke omgeving, de woning, zou het meer dan thans het geval is, mogelijk moeten zijn dat burgers zich beschermen.”
Niettemin zal ons rechtssysteem, ongeacht het peil van de criminaliteitscijfers de burger moeten toestaan om, met toegestane middelen, inbreuk op haar huisvrede door criminelen te weren. […] Met deze wetgeving wordt tegemoetgekomen aan de roep uit de gemeenschap om een voorziening te treffen voor acute gevallen, waarin de burger persoonlijk en onmiddellijk moet optreden, als hij thuis of in zijn bedrijf wordt geconfronteerd met een indringer.” [29]
In welke gevallen wil de regering dat de mogelijkheden tot zelfverdediging verruimd worden? In die waarbij sprake is van huisvredebreuk.” [30]
Voor het aannemen van noodweer als rechtvaardigingsgrond moet er, gelet op artikel 43 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht, sprake zijn van een ‘noodzakelijke verdediging van eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding’. Dat verandert niet met de voorgestelde uitbreiding. Voor het aannemen van noodweer zal dus steeds, ook na inwerkingtreding van de voorgestelde uitbreiding, sprake moeten zijn van een verdediging die noodzakelijk is tegen een dergelijke aanranding. De uitbreiding van het voorgestelde nieuwe lid 2 betekent, dat de verdediging, bedoeld in lid 1, geacht wordt noodzakelijk te zijn, indien de aanranding plaatsvindt in of in de onmiddellijke nabijheid van de woning of in het besloten lokaal. De noodweer (= het zelfverdedigingsrecht) behoeft dan niet meer aannemelijk te worden, doch wordt verondersteld te bestaan. Pas indien van het tegendeel blijkt is dit anders. Van het tegendeel zou bijvoorbeeld kunnen blijken indien de aanrander zich reeds zonder buit aan het verwijderen is – hij vlucht het huis uit of het erf af – en er wordt alsnog geweld gebruikt. In een dergelijk geval is immers niet langer sprake van ‘noodzakelijke verdediging’.” [31]
Onder die omstandigheden[bedoeld in het voorgestelde artikel 43, tweede lid, Sr, D.A.]
behoeft dus het noodweer niet door degene die zich daarop zou willen beroepen aannemelijk gemaakt te worden. De strafbaarheid van de gedraging vervalt – mits het tegendeel niet blijkt – door de noodweer die verondersteld wordt.
risico dat men zich te grote vrijheden gaat veroorloven”. Het advies houdt het volgende in:
De Raad acht het dan ook van eminent belang dat voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze verruiming van het noodweer-artikel, het publiek zeer uitvoerig hieromtrent ingelicht wordt. Met name zal uitgelegd moeten worden dat het introduceren van de veronderstelling van noodweer niet wegneemt dat aan de andere vereisten van deze rechtvaardigingsgrond voldaan moet zijn. De ‘bewijsplicht’ (het aannemelijk maken) ligt dan weliswaar niet meer bij de ‘verdediger’, maar dient volledigheidshalve door de officier en/of de rechter nader aan de hand van de genoemde eisen getoetst te worden. Te lichtvaardig omgaan met die ruimere bevoegdheid kan toch nog aanleiding geven tot vervolging en berechting.” [33]
In de ontwerp-Landsverordening is er […] voor gekozen deze verdediging noodzakelijk te veronderstellen, waarmee op het openbaar ministerie de last komt te rusten om te bewijzen waarom in dit geval de verdediging niet noodzakelijk was. Als niet bewezen wordt dat de verdediging niet noodzakelijk was, wordt het er voor gehouden dat deze wel noodzakelijk was. Daarmee is het niet langer de burger die daarop een beroep moet doen, maar dient het openbaar ministerie te bewijzen dat de verdediging niet noodzakelijk was.
Het moet voor iedereen duidelijk worden, dat strikt gezien het verruimde recht op zelfverdediging niet zo drastisch is. Het introduceren van de veronderstelling van noodweer neemt niet weg dat de verdedigingswil aanwezig moet zijn en dat aan de andere vereisten van de strafuitsluitingsgrond voldaan moet zijn. De bepaling richt zich tot de opsporingsambtenaar of de rechter die zich een oordeel moet vormen over de strafbaarheid van de aangerande burger, die zich heeft verdedigd tegen de wederrechtelijk in zijn woning binnengedrongen crimineel en geeft aan onder welke omstandigheden de verdediging door de bewoner gerechtvaardigd en rechtmatig is. Dit zonder de bewoner echter expliciet het recht te geven om een vuurwapen te bezitten en dodelijk geweld te gebruiken tegen de indringer.” [35]
eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding” heeft verdedigd terwijl die aanranding voorafgegaan werd door of gepaard ging met huisvredebreuk. De verdediging wordt dan “
verondersteld noodzakelijk te zijn” geweest. Op het Openbaar Ministerie rust vervolgens de last aan te tonen dat de verdediging niet noodzakelijk was. Het resultaat daarvan kan zijn dat in meer gevallen dan voorheen een beroep op noodweer slaagt. Daarin ligt dan de uitbreiding van de zelfbescherming.
nogal eens een (zeer) ruime betekenis heeft, doordat er woningen zijn met zeer grote stukken land, landerijen en dus ervan eromheen”, aldus de memorie van toelichting bij de ontwerp-Landsverordening uitbreiding zelfbescherming. [36] Om die reden is de uitbreiding zelfbescherming voor wat het ‘erf’ betreft beperkt tot “
de onmiddellijke nabijheid van de woning”. De memorie van toelichting houdt hierover het volgende in:
Wel dient de nabijheid onmiddellijk te zijn, waarbij gedoeld wordt op een dusdanige afstand tot de woning dat er gesproken kan worden van een inbreuk op de persoonlijke ruimte van een burger. Het is duidelijk dat daarbij eerder aan enkele meters dan aan ruime afstanden dient te worden gedacht. Die beperking is ingegeven door het feit dat het begrip ‘erf’ hier te lande nogal eens een (zeer) ruime betekenis heeft, doordat er woningen zijn met zeer grote stukken land, landerijen en dus erven eromheen. In geval een persoon enige honderden meters of zelfs kilometers van huis een indringer op zijn erf ontwaart, kan toch moeilijk worden volgehouden dat dan steeds bij voorbaat van een ‘noodweer-situatie’ sprake is.” [37]
de onmiddellijke nabijheid van de woning”. De parlementaire voorbereiding van artikel 43, tweede lid, Sr Nederlandse Antillen die deel uitmaakt van de parlementaire voorbereiding van artikel 1:114, tweede lid, Sr, [38] maakt duidelijk dat ‘onmiddellijke nabijheid’ in dit verband (“
eerder”) moet worden begrepen als “
enkele meters” buiten de woning (“
dan aan ruime afstanden”).
[n]u een en ander zich op ruim 24 meter van de woning van de verdachte, vlakbij de openbare weg en dus niet in de onmiddellijke nabijheid van de woning van de verdachte heeft voorgedaan”, om de hiervoor vermelde redenen evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook overigens niet onbegrijpelijk.
derde middelbehelst de klacht dat het vonnis van het Hof van 29 juni 2016 “
niet door de griffier is ondertekend”, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 410 Sv Pro en artikel 5 EVRM Pro. Aangevoerd wordt dat eerdere rechtspraak van de Hoge Raad, waarin aan dit verzuim geen nietigheid werd verbonden, moet worden heroverwogen.
binnen tweemaal vierentwintig uren na de uitspraak ondertekend” wordt “
door de griffier die bij de uitspraak tegenwoordig is geweest.” Uit het exemplaar met de ontbrekende handtekening kan immers niet volgen dat het wel ondertekende exemplaar van het vonnis niet binnen de genoemde termijn door de genoemde griffier is ondertekend. Ook de mededeling in de schriftuur dat mr. C. Reijntjes-Wendenburg per fax van 12 juli 2016 een exemplaar van het vonnis ontving van de raadsvrouw S.R. Bommen, die de verdachte bij het Hof had bijgestaan, dat niet door de griffier was ondertekend, vormt niet het bewijs dat de griffier die bij de uitspraak tegenwoordig is geweest het vonnis
nietbinnen tweemaal vierentwintig uren na de uitspraak heeft ondertekend. Vaststaat daarmee slechts dat er een exemplaar is van het vonnis van 29 juni 2016 dat niet door de griffier is ondertekend en dat op 12 juli 2016 per fax is verzonden aan mr. Reijntjes-Wendenburg.
die bij de beraadslaging tegenwoordig is geweest”. Op grond van het op de onderhavige zaak toepasselijke artikel 410, eerste lid, Sv is vereist dat het vonnis wordt ondertekend “
door de griffier die bij de uitspraak tegenwoordig is geweest”.
onverschilligheid, waarmee in Antilliaanse zaken met formaliteiten, die toch ter rechtsbescherming dienen, wordt omgegaan” hetgeen “
een kwalijke zaak” wordt genoemd “
die ingrijpen door Uw Raad vergt”. Niet wordt aangegeven welke rechtsbescherming hier in het geding is, anders dan het voldoen “
aan de formele en materiële eisen” omdat het vonnis “
de titel, die aan de vrijheidsbeneming ten grondslag ligt” betreft. De dan voor de hand liggende klacht, dat de verdachte ten onrechte zijn vrijheid zou zijn ontnomen, wordt echter niet gepresenteerd.
die bij de uitspraak aanwezig is geweest” het vonnis binnen tweemaal vierentwintig uur ondertekent, biedt geen
inhoudelijkewaarborg. Voor de inhoud van het uitgesproken vonnis is de griffier die het vonnis op de voet van artikel 410, eerste lid, Sv moet ondertekenen namelijk niet verantwoordelijk. Vereist is immers niet dat het vonnis wordt ondertekend door de griffier die bij het opstellen van het vonnis betrokken is geweest. Dat is in Europees Nederland anders. Aldaar dicteert artikel 365, eerste lid, Sv dat het vonnis wordt ondertekend door de griffier “
die bij de beraadslaging tegenwoordig is geweest”.
de griffier”. [42] Het voorschrift is gelijkluidend en ontleend aan het in 1918 in het Europese deel van Nederland van kracht zijnde artikel 226, eerste lid, Sv. [43]
uiterlijk binnen vier en twintig uren na de uitspraak”. [44] Het was de griffier “
verboden afschrift van het vonnis uit te geven, voor dat hetzelve is onderteekend, op eene boete van vijftig gulden”. [45]
behoort”. [47] In het verlengde daarvan diende naar het oordeel van de commissie ook het voorschrift te worden aangepast dat betrekking heeft op de ondertekening van het vonnis. [48] Uit het verband tussen beide voorschriften maakte De Pinto op dat met “
den griffier[…]
hier wel bedoeld[zal]
zijn hij, die als zoodanig in raadkamer tegenwoordig is geweest”. [49]
op straffe van nietigheid” binnen tweemaal vierentwintig uren na de uitspraak door de rechters die over de zaak hebben geoordeeld en de griffier wordt ondertekend. [50] In de tekst van het gewijzigde wetsvoorstel was de griffier die het vonnis zou moeten ondertekenen, niet nader aangeduid.
eene bepaling die niet steeds kan in acht genomen worden.Wanneer de rechtbank op ééne zitting twintig zaken heeft behandeld en de uitspraak denzelfden dag wordt gedaan is het onmogelijk en van niemand te vergen dat al die vonnissen in tweemaal 24 uren zouden geschreven zijn en geteekend door de rechters.
geheel” en stelde “
ten einde aan den door hem gegeven wenk een practisch gevolg te verzekeren” als amendement voor de woorden “
op straffe van nietigheid” in het betreffende artikel te schrappen. Beelaerts van Blokland merkte hierbij het volgende op:
Deze straf van nietigheid is eene nieuwigheid, onbekend in de bestaande wet. Op de gronden door den vorigen geachten spreker ontwikkeld, komt het mij voor dat die nieuwigheid niet is een verbetering; zij kan tot overhaasting en mindere nauwgezetheid aanleiding geven, en heeft voor den beklaagden geen wezenlijk belang.” [52]
door de regters, die over de zaak hebben geoordeeld, en den griffier ondertekend.” [54] De naleving van dit voorschrift was niet op straffe van nietigheid voorgeschreven.
alleszins nadere ernstige overweging” ervan, zulks nadat hij de volgende opmerkingen had gemaakt:
De vraag is alleszins gewettigd of de hier bedreigde straf van nietigheid inderdaad wel is te verdedigen. Dat een vonnis,volkomen overeenkomstig de wet gewezen, door eene onregelmatigheid bij hetuitsprekenbegaan nietig zou worden, komt den Raad voor niet overeen te brengen te zijn met het begrip van goed recht. Alleen die onregelmatige uitspraak schijnt dan nietig te moeten zijn, te dien effecte dat zij den termijn van beroep niet doet ingaan en geen recht tot tenuitvoerlegging geeft.
op straffe van nietigheidvoor te schrijven gestuit op bezwaren van zowel de Raad van State als de Tweede Kamer. De voorgestelde formele nietigheid is unaniem door de Tweede Kamer afgewezen.
gegronde bedenking” tegen de straf van nietigheid. [56] Blok & Besier wijzen er klaarblijkelijk in aansluiting op het advies van de Raad van State op dat het “
trouwens weinig zin[zou]
hebben de nietigheid van het eenmaal uitgesproken vonnis, dat op het tijdstip der uitspraak nog niet onderteekend behoefde te zijn, te verbinden aan een verzuim, dat pas daarna gepleegd zou worden.” [57] Voor de uitgangspunten waarop de cassatieprocedure vandaag de dag berust, komt in het bijzonder betekenis toe aan de slotopmerking van Beelaerts van Blokland dat het voorschrift inzake de tijdige ondertekening “
voor den beklaagden geen wezenlijk belang” heeft.
die bij de beraadslaging tegenwoordig is geweest”. Deze specificatie is in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat tot het huidige wetboek leidde, als volgt toegelicht:
Waar de hier voorgeschreven mede-onderteekening is bedoeld als waarborg dat het uitgesproken vonnis inderdaad met de genomen beslissing in overeenstemming is, ligt het voor de hand haar niet door den griffier, die alleen bij de uitspraak tegenwoordig was, doch door hem, die de beraadslaging bijwoonde, te doen geschieden.” [58]
die bij de uitspraak tegenwoordig is geweest”. [62] De wijziging is tijdens de parlementaire voorbereiding van deze wet, niet separaat toegelicht. [63] Het ontbreken van enige toelichting lijkt niet overeenkomstig de werkwijze zoals die in de memorie van toelichting is aangegeven, en die inhoudt dat de toelichting zich naast enkele algemene beschouwingen beperkt tot “
een verduidelijking ten aanzien van die bepalingen, die vergeleken bij het Nederlandse wetboek nieuw of fundamenteel gewijzigd zijn dan wel om praktische redenen een uiteenzetting behoeven”, terwijl “
concordantie in het rechtssysteem” zou prevaleren boven concordantie in het wettelijke systeem. [64] Het uiteenlopen van de voorschriften inzake de griffier die het vonnis moet ondertekenen, had gelet op de verkozen concordantie wel enige toelichting verdiend. Mogelijk is bij het ‘modelleren’ van het nieuwe wetboek “
naar de normen, zoals die in de Nederlandse en verdragsrechtelijke jurisprudentie zijn aanvaard” ook acht geslagen op de bestaande kritiek in de literatuur op artikel 365, tweede lid, Sv Europees Nederland. [65]
die bij de beraadslaging tegenwoordig is geweest” het vonnis moet ondertekenen – “
geene beteekenis” omdat “
nimmer[kan]
blijken welke griffier bij de beraadslaging tegenwoordig is geweest omdat niet is voorgeschreven dat van de beraadslaging proces verbaal wordt opgemaakt”. [66] Evenmin ziet hij het voorschrift als de “
waarborg dat het uitgesproken vonnis inderdaad met de genomen beslissing in overeenstemming is” zoals daaraan van regeringswege ten grondslag is gelegd. Die waarborg wordt gevonden in de ondertekening van de rechters, aldus Noyon die erop wijst dat indien men die waarborg van de griffier wil “
dan was aangewezen die van den griffier die bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, omdat ten slotte toch alleen het vonnis zooals het is uitgesproken in aanmerking komt.” [67]
voorschriften, die aan ene proces-verbaal worden gesteld”, zoals in de toelichting op het middel wordt aangevoerd. De zaken hebben betrekking op andere voorschriften waarvan uit het betreffende proces-verbaal zelf bleek dat ze niet waren nageleefd of niet bleek dat ze wel waren nageleefd. [70] Anders gezegd, casseerde de Hoge Raad in deze zaken niet vanwege een gebrek in een formeel vereiste dat aan het proces-verbaal zelf werd gesteld.
lawful”, doch
nietop de grond dat artikel 5 EVRM Pro zou meebrengen dat een proces-verbaal moet worden opgemaakt dat door de griffier wordt ondertekend, zoals in de schriftuur wordt verondersteld. Integendeel, het EHRM overwoog dat “
neither Article 5 nor any other provision of the Convention or its Protocols contains a requirement that an official record of a hearing be kept, whether verbatim or in summary form. It follows a fortiori that incorporating a record of events occurring and words spoken at a hearing in the resulting court decision is not in itself contrary to the Convention.” [71]
It is in the first place for the national authorities, notably the courts, to interpret and apply domestic law.” [72] Tot het toe te passen nationale recht, wordt met andere woorden, ook de jurisprudentie gerekend. [73] Voor wat betreft de eis dat het vonnis wordt ondertekend door de griffier die bij de beraadslaging tegenwoordig is geweest, heeft de Hoge Raad in bestendige rechtspraak het voorschrift van art. 365, eerste lid, Sv Europees Nederland aldus uitgelegd dat schending ervan niet tot nietigheid van het vonnis leidt. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt niet dat dit voor artikel 410, eerste lid, Sv anders zou moeten zijn.