ECLI:NL:HR:1998:ZD1015
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Hermans
- raadsheer Davids
- raadsheer Bleichrodt
- raadsheer Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp
- raadsheer Aaftink
- Rechtspraak.nl
Huisvredebreuk zonder vernieling geen aanranding van goed ex art. 41 Sr
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, waarin verdachte was veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf wegens doodslag. Verdachte voerde in hoger beroep subsidiair een beroep op noodweer en noodweerexces aan, stellende dat hij handelde uit noodzakelijke verdediging van zijn huisvrede, zijn gehandicapte echtgenote en zichzelf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door een derde.
Het hof stelde vast dat geen sprake was van vernieling of beschadiging bij het binnendringen van de woning, zodat geen aanranding van een goed in de zin van art. 41 Sr Pro was. Ook werd niet aannemelijk geacht dat de echtgenote van verdachte met een stoel was bedreigd, noch dat verdachte zelf werd bedreigd. De bedreiger werd door de dochter van verdachte uit het huis verwijderd, en er was geen wapen aanwezig.
Daarmee ontbrak het vereiste van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of dreigend gevaar, waardoor een beroep op noodweer of noodweerexces niet slaagde. Het hof verwierp het verweer zonder onjuiste rechtsopvatting, en de Hoge Raad kon dit oordeel niet verder toetsen. Het cassatieberoep werd verworpen en het vonnis van het hof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling tot drie jaar gevangenisstraf wegens doodslag werd bevestigd.