Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
3.Het geding in cassatie
4.Onderhoudsverplichtingen
Wetteksten inkomstenbelasting
B.4499 overwogen dat een uitkering binnen de grenzen van het Burgerlijk Wetboek, welke door partijen is overeengekomen evenzeer uit het familierecht voortvloeit als een uitkering die op grond van het Burgerlijk Wetboek door de rechter is bepaald: [18]
, B.5230 geoordeeld dat de afspraak dat de ex-echtgenoot van belastingplichtige na zijn dood in haar onderhoud bleef voorzien, vanaf het begin af aan niet op het familierecht was gebaseerd: [19]
BNB1955/358 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het in een overeenkomst tussen haar ex-echtgenoot en belastingplichtige neergelegde recht dat de
eex-echtgenoot zich verplicht tot een levenslange onveranderlijke uitkering, geen recht is op een uitkering dat rechtstreeks voortvloeide uit het familierecht: [20]
BNB1977/271 geoordeeld: [21]
BNB1978/16 over onderhoudsverplichting en de fiscale kwalificatie daarvan geschreven: [22]
BNB1978/16 verduidelijkt dat de periodieke uitkeringen die rechtstreeks voortvloeien uit het familierecht niet voortvloeien uit het vonnis waarbij zij door de rechter zijn toegekend, maar uit de achterliggende door het (ontbonden) huwelijk geschapen familierechtelijke verhouding: [23]
BNB1983/314 overwogen: [24]
€ 975,- per maand moet betalen en vanaf 1 oktober 2004 € 1.176,- per maand. Bij het vaststellen van die bedragen is onder meer rekening gehouden met het feit dat eiser, ook nadat hij uit de woning was vertrokken, alle woonlasten betaalde. Vanaf 1 oktober 2004 woont eiser, nadat [Y] uit de woning was vertrokken, weer in de woning.
HR 28 juni 1995, nr. 30 072, BNB 1995/241. Iemand die op grond van een in een ander land gesloten huwelijk gehouden is tot het voldoen van alimentatie-uitkeringen, kan deze uiteraard aftrekken, zo goed als in het omgekeerde geval die uitkeringen bij de in Nederland wonende gerechtigde belastbaar zijn. Afgewacht zal moeten worden of de Nederlandse wetgever deze regeling onverkort zal willen handhaven in relatie tot rechtstelsels waarin huwelijken met meer dan één partner tegelijkertijd zijn toegestaan. Wel is in art. 5a lid 5 AWR bepaald dat ingeval een persoon meer dan één echtgenoot heeft, alleen de echtgenoot uit de oudste verbintenis als partner wordt aangemerkt. Bij meer dan één notarieel samenlevingscontract wordt alleen het oudste samenlevingscontract in aanmerking genomen. Een notarieel samenlevingscontract met meer dan één persoon wordt niet in aanmerking genomen. De wet stelt geen beperking aan het aantal ex-echtgenoten. De formulering in art. 3.101 lid 1 onderdeel b betekent niet dat het rechterlijke vonnis (of echtscheidingsconvenant) de bron van inkomsten is. De Hoge Raad oordeelde:
HR 28 september 1977, nr. 18 188, BNB 1978/16 (noot Van Dijck). Dit betekent dat de kosten die gemaakt worden om, met succes, door middel van een rechterlijk vonnis alimentatie-uitkeringen te verkrijgen, geen kosten ter verkrijging van de bron zijn maar kosten gemaakt tot behoud van de inkomsten uit de bron en mitsdien aftrekbaar op grond van destijds art. 35(oud) Wet IB 1964 en thans art. 3.108. (…) Bovendien kan door dit uitgangspunt de overbedeling bij echtscheidingsconvenant waartegenover wordt afgezien van alimentatie, worden beschouwd als de afkoopsom van familierechtelijke uitkeringen die dus bij de ontvanger belastbaar is op grond van art. 3.102 lid 1 en bij de verstrekker aftrekbaar is als afkoopsom van alimentatie ex art. 6.3 lid 1 onderdeel b (…). Zie HR 5 april 1978, nr. 18 571, BNB 1978/113 (concl. Van Soest). Tot de uitkeringen die rechtstreeks voortvloeien uit het familierecht, behoren niet uitkeringen die niet op basis van het familierecht in de zin van het BW kunnen worden afgedwongen, ook niet indien wel van een dringende morele verplichting sprake is. Zie voor de toenmalige vermogensbelasting
HR 14 september 1983, nr. 21 308, BNB 1983/314 (noot P. den Boer)en voor de IB
HR 2 juli 1986, nr. 23 856, BNB 1986/243en
HR 24 november 1993, nr. 29 280, BNB 1994/150. De familierechtelijke uitkeringen moeten in rechte vorderbaar zijn. Het echtscheidingsconvenant waarin partijen hun vermogensrechtelijke verhoudingen, inclusief alimentatie, regelen, zal hiervoor veelal de basis vormen. Partijen kunnen ook schriftelijk overeenkomen dat niets zal zijn verschuldigd, ook niet bij wijziging van de omstandigheden (art. 1:159 BW Pro). In dat geval kan de rechter, ondanks het beding, de overeenkomst slechts wijzigen indien de omstandigheden zo ingrijpend veranderen dat degene die wijziging verzocht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden.
rendsheeft over verstrekkingen in de vorm van woongenot in de Cursus Belastingrecht geschreven: [55]
5.Behandeling van het middel
Ten geleide
BNB1978/16 heeft de Hoge Raad overwogen dat de periodieke uitkeringen die rechtstreeks voortvloeien uit het familierecht, niet voortvloeien uit het vonnis waarbij zij door de rechter zijn toegekend, maar uit de achterliggende door het (ontbonden) huwelijk geschapen familierechtelijke verhouding. [88]