Conclusie
f2400.-''. Hier is echter ‘’1972'' kennelijk een schrijffout voor ‘’1973''. Ik vestig voorts de aandacht op een andere vergissing t.a.p.: de brief van 6 februari 1974 van de advocaat van de belanghebbende, mr. H.W. Korte, was niet gericht aan de belanghebbende, maar aan een derde. De gemachtigde van de belanghebbende voegde een afschrift van deze brief bij het beroepschrift, aangezien hij naar het oordeel van de gemachtigde een soortgelijke situatie betrof.
kaneen uitkering toekennen; hij is daartoe derhalve bevoegd, niet verplicht (H.R. 21 nov. 1913,
N.J.1913, 1320). Hij geniet daarbij, zowel wat het bedrag als wat de duur betreft, de volle vrijheid''. Niettemin is deze mogelijkheid de doorwerking van de onderhoudsverplichting die tijdens het huwelijk tussen de echtgenoten heeft bestaan (art. 81, 2e volzin, boek I B.W.; zie Asser-De Ruiter, a.w., blz. 256; verg. A. Minkenhof, Speculum Langemeijer, 1973, blzz. 334 e.v., waaruit ik citeer (blz. 338): ‘’De verantwoordelijkheid voor elkanders bestaan, die de echtgenoten door het aangaan van het huwelijk op zich hebben genomen, eindigt niet abrupt door de scheiding.''). Het nieuw toegekende recht strekt er dus toe een zekere continuïteit in maatschappelijke positie te verzekeren.
uitbreidingskosten- zijn niet aftrekbaar, evenmin als de kosten voor het in leven roepen van de inkomsten en van de bron (eerste verkrijging van de opbrengst)''. Hoewel nu bij de verkrijging van een recht op alimentatie na echtscheiding inkomsten worden verworven die er voordien niet waren, en er dus sprake is van uitbreiding van inkomsten in fiscaalrechtelijke zin, moet, naar het mij voorkomt, naar de strekking van de inkomstenbelasting - de belastingplichtige te treffen naar zijn draagkracht - prevaleren, dat deze uitbreiding, naar de aard van het alimentatierecht, niet meer kan doen dan een vermindering van draagkracht voorkomen of verzachten. Het komt mij dan ook juist voor de daartoe gemaakte kosten aan te merken als aftrekbare kosten.
f1.500,- per maand''. Dit gegeven blijkt niet uit de overige stukken van het geding. Aangenomen dat het juist is, illustreert het nadrukkelijk het zojuist betoogde: dan is immers het bedrag van de alimentatie, zoals dat met ingang van de ontbinding werd vastgesteld, precies gelijk aan het bedrag van de alimentatie, zoals dat tijdens de toestand van scheiding van tafel en bed geworden was.)
f2.400,-, hebben gestrekt tot verwerving, inning en behoud van inkomsten.