Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
staff memberbij de in Nederland gevestigde, door de EU in het leven geroepen rechtspersoon Eurojust. Enkele dagen per jaar is hij reservist bij het Nederlandse ministerie van Defensie. Hij acht zich op basis daarvan volledig verzekerd voor de AOW. Niet in geschil is dat hij vóór inwerkingtreding van de Zetelovereenkomst Nederland-Eurojust volledig was verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen. In geschil is of de inwerkingtreding van die overeenkomst per 1 april 2006 die verplichte verzekering (geheel) heeft doen eindigen.
staff members“shall not be covered by the social security regulations of the Kingdom of the Netherlands,” verplichte sociale verzekering in Nederland zijns inziens in alle opzichten uitsluit. Gegeven het verbod op
reformatio in peiusheeft de CRvB het Svb-besluit op bezwaar in stand gelaten, waardoor de belanghebbende wel verzekerd is op de dagen waarop hij werkt voor Defensie.
Feyerbacheraf dat het Unierecht er niet aan in de weg staat dat een EU-ambtenaar voor andere werkzaamheden dan voor zijn EU-werkgever onderworpen is aan het socialezekerheidsstelsel van zijn woonstaat. Volgens hem strekt art. 14(2) Zetelovereenkomst er slechts toe dubbele premieplicht uit te sluiten ter zake van zijn werk bij Eurojust. De CRvB is zijns inziens buiten het geschil gegaan door de Zetelovereenkomst toe te passen hoewel die volgens beide partijen niet rechtstreeks werkt.
anderwerk dan voor die volkenrechtelijke organisatie (wel) verzekerd is. Art. 14(2) Zetelovereenkomst bepaalt echter ongeclausuleerd dat
staff membersvan Eurojust zijn vrijgesteld van de verplichting bij te dragen aan het Nederlandse socialezekerheidsstelsel én dat zij ‘consequently’ niet verzekerd zijn onder dat stelsel. Hetzelfde geldt voor hun
spouses and dependent relatives, behalve als zij ander betaald werk dan voor Eurojust verrichten of een Nederlandse uitkering genieten: dan vallen zij wél onder het Nederlandse stelsel. Die uitzondering is niet voorzien voor de
staff memberszelf. De Zetelovereenkomst gaat er kennelijk van uit dat zij voltijds voor Eurojust werken, of in deeltijd zonder een andere betaalde betrekking naast hun Eurojust-werk. Wellicht is een tweede betrekking in beginsel ook niet toegestaan in verband met de vereiste autonomie en onafhankelijkheid van Eurojust. Met de CRvB meen ik daarom dat een en ander er op wijst dat op
staff membersuitsluitend het Eurojust-stelsel van toepassing is. Ik zie geen reden om daarover in het geval van de belanghebbende, die kennelijk voltijder is, anders te denken, nu ook voor hem Nederlandse verzekering, anders dan voor
spouses, niet voorzien is, en zijn werkzaamheden voor Defensie een efemeer karakter hebben. De zaak
Feyerbacherlijkt voor zijn geval slechts
a contrariorelevant, nu de Zetelovereenkomst Nederland-Eurojust - anders dan de zetelovereenkomst Duitsland-ECB in de zaak
Feyerbacher- niet bepaalt dat het Eurojust-stelsel of bepaalde toelagen daarvan een aanvulling zijn op soortgelijke nationale toelagen, en met name niet dat de Nederlandse AOW-uitkering in mindering komt op zijn Eurojust-pensioen. Evenmin bepaalt de Zetelovereenkomst Nederland-Eurojust dat de voorrechten en immuniteiten van Eurojust worden vastgelegd overeenkomstig het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de EU.
staff membersuit te sluiten van het verzekeringsstelsel van het zettelland.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
European Police Office(Europol). Vanaf 1 november [4] 2002 werkt hij als
staff memberbij de
European Union’s Judicial Cooperation Unit(Eurojust). Tegelijk was hij enkele dagen per jaar (in de jaren 2006 t/m (26 augustus) 2011 respectievelijk 4, 1, 6, 6, 2, en 7 dagen per jaar [5] ) reservist bij het Nederlandse ministerie van Defensie.
Feyerbacher(zie 6.1 hieronder) is volgens de CRvB niet relevant omdat die over een andere – en anders geformuleerde – Zetelovereenkomst gaat (Duitsland-ECB) en de Eurojust-Zetelovereenkomst niet voorziet in samenloop, cumulatie of verdiscontering van nationale en supranationale verzekering:
3.Het geding in cassatie
,Pbl L 63/1 (verder: Eurojust Decision). (…)
Staff Memberzoals [X] uitsluit van verzekering voor de AOW. In een uitsluiting van verzekering van het land van vestiging is daarin niet uitdrukkelijk voorzien. De uitsluiting van [X] van verzekering voor de AOW kan niet worden gebaseerd op de Staff Regulations noch op de Conditions of Employment. Omdat Staff Regulations en Conditions of Employment algemeen verbindend zijn is er geen ruimte voor de litigieuze uitsluiting van verzekering van [X].
Feyerbacher(zie 6.1), waaruit zijns inziens volgt dat het Unierecht niet uitsluit dat een ambtenaar van een EU-instelling op grond van andere werkzaamheden in de woonstaat dan voor die instelling, onderworpen is aan het sociale zekerheidsstelsel van die Staat.
4.Internationaal recht
Article 14 Administrative Director and Staff
5.Nationaal recht
BNB1997/310, [18] waarin u oordeelde dat premieplicht alleen uit nationale wetgeving kan voortvloeien. Het gevolg daarvan was dat een persoon op grond van EU-recht aanspraak kon hebben op een uitkering zonder premieplichtig te zijn (geweest). [19]
6.Rechtspraak
Feyerbacher [23] betrof een bij de ECB werkende, in Duitsland wonende Duits onderdaan die na de geboorte van haar kind een Duitse ouderschapstoelage aanvroeg, die niet gefinancierd werd uit verplichte socialezekerheidspremies. Die toelage werd haar geweigerd omdat zij onder het socialezekerheidsstelsel van de ECB viel. De Duitse rechter stelde prejudiciële vragen aan het HvJ EU en de eerste vraag was of daar wel vragen over gesteld konden worden. Het HvJ EU constateerde dat de Zetelovereenkomst Duitsland-ECB dient tot implementatie van de beginselen van het EU-Protocol betreffende voorrechten en immuniteiten en dat de prejudiciële verwijzing daarom ontvankelijk was: [24]
BNB2014/92 betrof een in Nederland bij haar moeder inwonende dochter van een medewerkster van – aanvankelijk – het Rwanda-tribunaal van de VN en – daarna – het Joegoslaviëtribunaal van de VN. Die dochter bouwde geen ouderdomspensioen op bij het VN‑pensioenfonds van haar moeder. Ingevolge art. 6(3) AOW jo. art. 14(3) Bub was zij eveneens uitgesloten van verzekering in Nederland omdat zij niet werkte in Nederland, noch daar een uitkering genoot. Zij was het daar niet mee eens, maar werd door u in het ongelijk gesteld. U legde de zetelovereenkomst(en) als volgt uit: [26]
Adrien e.a. [29] in strijd met het vrije verkeer van werknemers, met name omdat tegenover de bijdragen geen prestatie stond:
Wensceslas de Lobkowicz [30] betrof een Fransman die van 1979 tot 1 januari 2016 ambtenaar was bij de Europese Commissie en daarom was aangesloten bij het stelsel van sociale zekerheid van de Unie-instellingen. Hij had daarnaast inkomsten uit Frans onroerend goed die in 2008 t/m 2011 door Frankrijk werden onderworpen aan (i) de
contribution sociale généralisée, (ii) de bijdrage ter vereffening van de sociale schuld, (iii) een sociale heffing van 2% en (iv) de bij die heffing komende bijdragen van 0,3% en 1,1%. Frankrijk wilde hem daarvan niet vrijstellen. De vraag was of het EU-recht die heffingen verhinderde. Het HvJ EU overwoog op prejudiciële vragen van de Franse rechter als volgt:
De Lobkowiczals volgt becommentarieerd in
NTFR2017/1388:
7.Behandeling van het beroep
staff membersvan Eurojust. Dat stelsel is gebaseerd is op het Eurojust-Besluit van de Raad van de EU. Op de belanghebbende is aldus de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing, zodat hij naar intern recht niet is verzekerd ter zake van zijn Eurojust-werkzaamheden. Dit sluit echter niet uit dat hij op basis van andere werkzaamheden in Nederland dan voor Eurojust (wel) verzekerd is.
spousesen
dependent relativeszijn uitgesloten, “unless they are employed in the Kingdom of the Netherlands by an employer other than Eurojust or receive social security benefits from the Kingdom of the Netherlands.” Die expliciete uitzondering op de uitsluiting uit het Nederlandse stelsel is niet voorzien voor de
staff memberszelf. De Zetelovereenkomst gaat er kennelijk van uit dat
staff membersvoltijds voor Eurojust werken, dan wel in deeltijd maar zonder andere betrekking naast hun Eurojust-werk. Wellicht is een andere betrekking in beginsel ook niet toegestaan in verband met de vereiste autonomie en onafhankelijkheid van Eurojust. [32]
staff membersuitsluitend het Eurojust-stelsel van toepassing is. Ik zie geen reden om daarvan voor de belanghebbende, die kennelijk voltijder is, af te wijken, nu (i) ook voor hem Nederlandse verzekering voor niet-Eurojust-werkzaamheden, anders dan voor
spouses, niet voorzien is, (ii) zijn werkzaamheden voor Defensie kennelijk een efemeer karakter hebben en (iii) voor de belanghebbende, anders dan voor
Feyerbacheruit het gelijknamige HvJ-arrest, geen aanvraagplicht, geen meldplicht en vooral geen korting van nationale pensioenuitkeringen op zijn Eurojust-pensioen geldt. Met de CRvB meen ik dat art. 14(2) Zetelovereenkomst rechtstreeks werkt en ook ik leid eruit af dat de belanghebbende uitgesloten is van Nederlandse AOW-verzekering
Feyerbacherlijkt mij in casu dan ook slechts
a contrariorelevant in die zin dat er juist geen reden is hem gerechtigd te achten tot volledige AOW-opbouw naast zijn volledige Eurojust-pensioenopbouw zonder noemenswaardig bij te dragen aan de AOW-premies. Feyerbacher genoot juist geen dergelijk voordeel. In haar geval – anders dan in dat van de belanghebbende – bepaalde de zetelovereenkomst Duitsland-ECB uitdrukkelijk dat de ECB-toelagen ‘aanvullend’ waren, dat zij verplicht was de Duitse ouderschapstoelage aan te vragen en te melden bij de ECB en dat die Duitse toelage gekort werd op de corresponderende ECB-toelage. Van dat alles is geen sprake in belanghebbendes geval. Evenmin bepaalt de Zetelovereenkomst Nederland-Eurojust – anders dan de Zetelovereenkomst Duitsland-ECB – dat zij dient om de voorrechten en immuniteiten van Eurojust vast te leggen overeenkomstig het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de EU.
BNB2014/92 (geciteerd in 6.2 hierboven) leidden die overeenkomsten er toe dat de inwonende dochter in die zaak niet verzekerd was voor de AOW, en dat daaraan zelfs niet afdeed dat zij evenmin onder het VN-sociale zekerheidsstelsel viel. De CRvB oordeelde in de in 6.3 hierboven geciteerde uitspraak dat ook de zetelovereenkomst met de IUSCT noopte tot uitsluiting van de IUSCT-personeel van de Nederlandse sociale verzekering en dat daaraan niet afdeed dat het IUSCT-stelsel wellicht op onderdelen minder dekking zou kennen dan het Nederlandse stelsel. De belanghebbende is wél (volledig) verzekerd onder het stelsel voor Eurojust-personeel, zodat er te minder aanleiding bestaat om voorbij te gaan aan de expliciete uitsluiting in de Zetelovereenkomst.
Staff Regulations(het EU-Ambtenarenstatuut) zijn vergoeding als reservist in mindering komt op zijn Eurojust-salaris en dat de CRvB dus ten onrechte zou hebben overwogen dat het EU-Ambtenarenstatuut niet voorziet in samenloop, cumulatie en verdiscontering. Deze stelling berust op een verkeerd begrip van de CRvB-uitspraak. Ook als de belanghebbende op zijn Eurojust-salaris gekort zou zijn met de – kennelijk bescheiden – reservistenvergoeding, zegt dat niet dat zijn AOW-aanspraken geïmputeerd (gekort) worden op zijn Eurojust-pensioenaanspraken. Deze stelling lijkt mij overigens een ontoelaatbaar feitelijk novum in cassatie. In feitelijke instantie is door de belanghebbende niet gesteld dat hij, zoals Feyerbacher, op enigerlei wijze gekort is of wordt op zijn Eurojust-pensioenaanspraken in verband met zijn activiteiten als reservist voor Defensie. Zou feitelijk vastgesteld zijn dat de – kennelijk bescheiden – reservistenvergoeding daadwerkelijk gekort zou zijn op zijn Eurojust-salaris, dan zou daarmee overigens nog niet vastgesteld zijn dat dat invloed heeft op de hoogte van zijn Eurojust-pensioenaanspraken. Wat daarvan zij, zelfs als er een dergelijke uiterst bescheiden korting zou hebben plaatsgevonden, dan staat daar tegenover dat de Svb de belanghebbende als AOW-verzekerd heeft aangemerkt voor de dagen waarop hij die reservistenvergoeding verwierf. In totaal is de belanghebbende alsdan – zou hij daadwerkelijk gekort zijn – dus toch volledig verzekerd.
grand chambervan het HvJ EU beoordeelde zaak
De Lobkowiczblijkt dat art. 12 juncto Pro art. 14 Protocol Pro nr. 7 de bevoegdheid aan de lidstaten onttrekt om Unieambtenaren te verplichten zich aan te sluiten bij een nationaal socialezekerheidsstelsel. De Unie zelf is exclusief bevoegd om te bepalen welke regels op haar ambtenaren van toepassing zijn voor wat betreft sociale zekerheid. De Unie heeft Eurojust ingesteld en die rechtspersoon is met Nederland overeengekomen dat zijn
staff membersuitgesloten zijn van Nederlandse sociale verzekering.
Adrien e.a. v. Premier ministre e.a.(zie 6.4 hierboven) oordeelde het HvJ EU dat als een nationale pensioenregeling EU-ambtenaren toestaat om aangesloten te blijven, die regeling niet tot gevolg mag hebben dat zij dan bijdragen zonder dat daar een prestatie tegenover staat, omdat anders sprake zou zijn van een belemmering van het vrije verkeer van werknemers. Dit arrest lijkt mij voor de belanghebbende echter niet relevant, nu hij geen gebruik heeft gemaakt van het vrije werknemersverkeer. Voor de toepassing van art. 45 VwEU Pro is belanghebbendes geval een puur interne situatie binnen één lidstaat. Bovendien heeft de Svb hem wel degelijk aanspraken toegekend, zij het tijdevenredig, hetgeen denkelijk niet in wanverhouding staat tot zijn premiebetaling. Zou hij die tijdevenredige aanspraken niet toegekend hebben gekregen, dan meen ik dat hij de – naar hij stelt – op zijn reservistenloon ingehouden AOW-premies onverschuldigd heeft betaald en hij tegen die inhouding bezwaar had kunnen indienen.
Feyerbacheronder Vo. nr. 1408/71 (thans Vo. nr. 883/2004), maar als hij er onder zou vallen, zou één stelsel aangewezen moeten worden en dat zou het Eurojust-stelsel zijn (zie 4.6 hierboven).
Heemskerk en Schaap [33] volgt dat het EU-recht de nationale rechter niet verplicht om het EU-recht van ambtswege toe te passen als dat er toe zou leiden dat een nationaalrechtelijk verbod op
reformatio in peiuszou worden doorbroken. Zo de Zetelovereenkomst ertoe leidt dat de belanghebbende helemaal niet AOW-verzekerd was in de litigieuze periode – ook niet op de dagen waarop hij reservist voor Defensie was – heeft de CRvB zulks dus terecht gelaten voor wat het is en terecht de door de Svb toegekende tijdevenredige verzekering in stand gelaten. Voor de periode voor inwerkingtreding van de Zetelovereenkomst op 1 april 2006 heeft de Svb de belanghebbende volledig verzekerd geacht, zodat op die periode niet in hoeft te worden gegaan.