Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroepvan 13 augustus 2012, nr. 10/1710 AOW, betreffende een besluit van de Sociale verzekeringsbank (hierna: de SVB) ingevolge de Algemene Ouderdomswet (hierna: de AOW).
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
25 oktober 1999 tot en met 31 augustus 2003, 8 september 2003 tot en met 4 juli 2004, 2 augustus 2004 tot en met 30 september 2005 en 1 november 2005 tot en met 2 juli 2007. Het tegen dat besluit gerichte bezwaar van belanghebbende is ongegrond verklaard omdat zij in die perioden niet verzekerd was ingevolge de AOW vanwege het bepaalde in artikel 6, lid 3, van de AOW in verbinding met artikel 14, lid 3, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1998,746; hierna: KB 746) en de van toepassing zijnde zetelovereenkomsten. Die zetelovereenkomsten zijn: het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties betreffende de zetel van het Internationaal Tribunaal voor de vervolging van personen verantwoordelijk voor ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië sedert 1991 (Trb. 1994, 189; hierna: de ICTY-zetelovereenkomst) en de Briefwisseling tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties houdende een verdrag inzake de toepassing van het tussen Partijen gesloten Verdrag betreffende de zetel van het Internationaal Tribunaal voor het voormalige Joegoslavië, op de werkzaamheden en handelingen van het Internationaal Tribunaal voor Ruanda (Trb. 1996, 143, hierna: de ICTR-zetelovereenkomst).