Conclusie
medewerking van curator): akkoord
2.Bespreking van het cassatiemiddel
verplichtverrichte rechtshandelingen kan aanpakken, de vorm die slechts bij hoge uitzondering kan worden “teruggedraaid” als vorm van “reconstructie” [4] .
eerste onderdeelricht zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel in rov. 2.19 en 2.23 dat de optie van het faillissement niet eerder dan 24 juni 2013 aan de orde was.
tweede onderdeelklaagt over (de motivering in) rov. 2.18 dat de opdracht aan Tideman dateert van 3 juni 2013.
onderdeel 1had het hof uit moeten gaan van de juistheid van het oordeel van de rechtbank bij eindvonnis in rov. 4.5 dat de optie van het faillissement op 23 en 27 mei 2013 aan de orde was gekomen, nu niet tegen dat oordeel is gegriefd.
subonderdeel 1.1.
subonderdeel 1.2innerlijk tegenstrijdig en daarom onbegrijpelijk nu het oordeel in rov. 2.18-2.23 onverenigbaar is met het door de rechtbank in rov. 4.5 vastgestelde feit dat de faillissementsoptie al op 23 en 27 mei 2014 [bedoeld is: 2013, A-G] ter tafel kwam, van welk feit het hof blijkens rov. 2.1 ook is uitgegaan.
optie van het faillissementvan Adler Oxford niet eerder dan omstreeks 24 juni 2013
ter tafel is gekomenen dat feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden door de curator onvoldoende zijn gesteld.
de keuzevoor het faillissement was gemaakt, (ii) dat uit het melden van betalingsonmacht aan de fiscus op 12 juni 2013 niet kan worden afgeleid dat het faillissement toen
redelijkerwijs te verwachtenviel, omdat (iii) het doen van een melding van betalingsonmacht bij de Belastingdienst goed mogelijk is zonder dat sprake is van
een reële faillissementsdreiging, (iv) dat de optie van het faillissement niet eerder dan 24 juni 2013
aan de orde wasen (v) dat onvoldoende is onderbouwd dat begin juni 2013 het faillissement
te verwachten was, met name omdat de curator het met bankafschriften gestaafde verweer dat de vennootschap in mei en juni 2013 op de gebruikelijke manier haar crediteuren voldeed, niet heeft betwist
.Dit past bij het consequente standpunt van [A c.s.] in feitelijke instanties dat vanwege het karakter van familiebedrijf eerst tot het uiterste is bezien of langs andere weg kon worden gesaneerd, voordat noodgedwongen is gekozen voor een gecontroleerd faillissement. Het hof heeft met de bestreden overwegingen dus niet bedoeld dat de optie van het faillissement voor 24 juni 2013 nooit eerder was geopperd en als mogelijkheid van (drastische) sanering onder ogen was gezien en besproken, maar dat die optie vóór 24 juni 2013 niet als redelijkerwijs onvermijdelijk voorzienbaar werd gezien. Van innerlijke tegenstrijdigheid of miskenning van het grievenstelsel of de negatieve zijde van de devolutieve werking is zo bezien geen sprake en daar ketsen deze klachten op af.
is opgesteld. Dat is (in combinatie met hetgeen onder stelling a. is besproken) ook anders te waarderen, maar overgelaten aan de feitenrechter. Over de overzetting van de domeinnamen “en dergelijke” naar een andere vennootschap is gesteld dat dat alleen begrijpelijk is indien de bedoeling was om de bedrijfsactiviteiten in die andere vennootschap voort te zetten (MvG 62). Ook dat is niet dwingend: door [A] is in eerste aanleg gesteld dat de domeinnamen waren overgezet als preventieve maatregel
om voorbereid te zijn op alle mogelijke scenario’s(cvd 26) – voor de zekerheid dus. Zonder nadere toelichting of onderbouwing op dit punt heeft het hof ook dit kunnen passeren met de algemene motivering dat de curator zijn stellingen niet nader heeft gespecificeerd.
precieswordt niet duidelijk – in weerwil van de stellingen zijdens de curator bij s.t. onder 2.6.3). Ook dit is een typische aan het hof als feitenrechter voorbehouden kwestie van waardering. Van onbegrijpelijkheid is ook hier volgens mij geen sprake.
Dexia/ [...] [10] , maar ik zie daar nauwelijks ruimte voor. In die zaak diende Dexia te stellen en zo nodig te bewijzen dat de echtgenote van verweerder eerder dan drie jaar vóór 19 maart 2004 daadwerkelijk bekend was met het feit dat verweerder de overeenkomst met Dexia had gesloten. Het hof had het bewijsaanbod van Dexia gepasseerd op de grond dat Dexia geen concrete feiten had gesteld waaruit volgde dat die echtgenote daarvan toen op de hoogte was. Daaromtrent overwoog Uw Raad dat van Dexia bezwaarlijk kon worden verlangd nadere feitelijke gegevens te verstrekken over die eerdere bekendheid met de overeenkomst van de echtgenote:
om tot bewijsleveringte worden toegelaten. Subonderdeel 1.5 klaagt niet over het passeren van het bewijsaanbod door het hof. De curator heeft in onze zaken geen bewijsaanbod gedaan dat ziet op feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat het faillissement eerder dan 24 juni 2013 redelijkerwijs voorzienbaar was en/of dat de keuze voor het faillissement al op 23 mei 2013 zou zijn gemaakt (zie daarvoor ook hierna de bespreking van subonderdeel 1.6).
Cikam/Siemon q.q.bij grieven slechts terloops is gegeven en per saldo onvoldoende omstandigheden zijn gesteld door de curator die het hof noopten tot het op voorhand aannemen, behoudens tegenbewijs, dat sprake is geweest van samenspanning [25] .
tweede onderdeelricht zich tegen het oordeel in vooral rov. 2.18 dat pas op 3 juni opdracht is gegeven aan Tideman.
bevestigd(vgl. ook de onbestreden passage uit rov. 4.6 in de feitenvaststelling door de rechtbank). Klaarblijkelijk is het hof er van uitgegaan dat de opdracht aan Tideman pas op 3 juni 2013 “rond” was, of zo men wil: de inventarisatiefase was afgerond, zodat de opdracht formeel dateert van 3 juni 2013 en dat Tideman op of rond 3 juni 2013 is begonnen met het schrijven van zijn uiteindelijke advies. Zo opgevat is geen sprake van miskenning van het grievenstelsel en/of de negatieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep en evenmin van innerlijke tegenstrijdigheid. Het kan ook zijn dat hier sprake is van een verschrijving en het hof met “opdracht” gewoon “opdrachtbevestiging” heeft bedoeld [27] .
derde onderdeelklaagt dat het oordeel in rov. 2.18-2.23 dat tot 24 juni 2013 betalingen werden verricht als gebruikelijk, dat het faillissement niet te verwachten was en (dus) niet selectief werd betaald, rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is.
subonderdeel 3.2dat het feit dat uit rekeningafschriften blijkt dat sommige crediteuren wel gewoon werden betaald zonder nadere motivering nog niet maakt dat
allebetalingen zoals gebruikelijk werden gedaan en er geen sprake was van selectieve betalingen, mist feitelijke grondslag. Het hof heeft niet geoordeeld dat uit de bankafschriften blijkt dat sommige crediteuren wel werden betaald, maar dat uit de bankafschriften blijkt dat als te doen gebruikelijk betalingen zijn verricht aan een breed scala van crediteuren. Daarna is het hof ingegaan op de stelling van de curator dat de Belastingdienst en het pensioenfonds níet zijn betaald, met als oordeel dat dit onder de gegeven omstandigheden van financieel zwaar weer niet ongebruikelijk is. Bij gebreke van verdere stellingen van de curator over crediteuren die niet zijn betaald, kon het hof vervolgens concluderen dat tot 24 juni 2013 betalingen zijn verricht op de gebruikelijke wijze.
vierde onderdeelbevat een louter voortbouwende veegklacht, die in het lot van de voorgaande klachten deelt.