Conclusie
[verweerster]), die door haar (voormalig) cliënte, de Nederlandse onderneming HRC N.V. (hierna:
HRC), onbetaald is gelaten. Op de vordering is Belgisch recht van toepassing. Het hof ’s-Hertogenbosch (hierna:
het hof) heeft de vordering toegewezen, waarbij het zich heeft gebaseerd op een taxatierapport van de Raad van de Orde van Advocaten te Antwerpen. Het middel komt daar m.i. tevergeefs tegen op.
1.Feiten en procesverloop
Eld), hoofdaannemer, tot de bouw van een skihal met horeca en winkelruimte te Terneuzen. [2]
- ii) Eld heeft dit werk vervolgens aanbesteed. Besix N.V. (hierna: Besix) was een van de deelnemers aan die aanbesteding. Eld heeft de bouw niet aan Besix gegund.
- iii) Besix heeft vervolgens een procedure gevoerd tegen Eld voor de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen. In die zaak is ook HRC als gedaagde betrokken. Mr. G. Straatman, verbonden aan [verweerster] , heeft HRC in die procedure bijgestaan.
- iv) Voor de werkzaamheden van mr. Straatman heeft [verweerster] voorschotten op het ereloon
- vi) Kort daarna, bij brief van 28 september 2010, heeft HRC aan [verweerster] laten weten dat zij zich in de hoger beroepsprocedure wilde laten vertegenwoordigen door een ander kantoor dan [verweerster] .
- vii) Daarop heeft [verweerster] bij brief van 27 oktober 2010 de nota van 22 september 2010 ingetrokken en een eindafrekening van € 23.350,- gestuurd. Laatstgenoemd bedrag omvat een component ereloon van € 22.000,- dat is vastgesteld aan de hand van het zogenoemde waardetarief,
3.3. De rechtbank overweegt als volgt. Naar Nederlands recht zou de rechtbank onbevoegd zijn indien de begrotingsprocedure van toepassing zou zijn. In casu is tussen partijen niet (meer) in geschil dat de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van [verweerster] en dat op die vordering Belgisch recht van toepassing is.
Raad van de Orde) te “
verzoeken”de ereloonstaat van mr. Straatman van 27 oktober 2010 ten bedrage van € 23.350,- te begroten. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden en de zaak naar de parkeerrol verwezen.
dat geen enkele titularis van eenzelfde gerecht, geplaatst in dezelfde omstandigheden, die uitoefeningswijze zou gekozen hebben.”
123.923,76 €
.5. De rechtbank neemt de conclusies van de Raad [Raad van Orde van Advocaten te Antwerpen] over en maakt die tot de hare. Nu gelet op de inhoud van het rapport van de Raad het ereloon van [verweerster] voldoet aan de daaraan naar Belgisch recht te stellen vereisten, maakt [verweerster] terecht aanspraak op betaling van het door haar gevorderde bedrag van € 23.350,-. Deze vordering zal dan ook worden toegewezen, evenals de mede gevorderde wettelijke handelsrente, waartegen geen verweer is gevoerd.”
6.11 … noch uit de tekst van artikel 446ter GW, noch uit de door HRC aangehaalde literatuur, noch uit de aangehaalde jurisprudentie volgt dat een Belgisch advocaat bij de vaststelling van het ereloon uit moet gaan van een uurtarief, wanneer een andere prijsafspraak niet is gemaakt.”
6.12. HRC heeft aangevoerd dat dit in het onderhavige geval anders is, gelet op de vermelding van de berekeningswijze van het ereloon op de website van [verweerster] . Die tekst luidt als volgt:
’
6.15 Gelet op de omstandigheid dat de rechter de omvang van het berekende ereloon slechts marginaal toetst, is het niet aan de rechtbank of het hof om de berekening van het ereloon en de daaraan ten grondslag liggende waarderingsgrondslag en andere omstandigheden inhoudelijk te toetsen. Wanneer de bij uitstek tot toetsing van de omvang van het ereloon bevoegde instantie door de rechtbank om advies wordt gevraagd en deze tot de slotsom komt dat het gefactureerde ereloon aan de wettelijke maatstaven voldoet en met billijke gematigdheid is vastgesteld, is het aan HRC om feiten en/of omstandigheden te stellen die het oordeel kunnen rechtvaardigen dat [verweerster] bij de vaststelling van het verschuldigde ereloon de grenzen van redelijkheid heeft overschreden in die zin – zoals door de Raad van de Orde van Advocaten geciteerd uit Belgische literatuur over marginale toetsing – ‘dat geen enkele titularis van eenzelfde recht, geplaatst in dezelfde omstandigheden, die uitoefeningswijze zou gekozen hebben
.’
2.Bespreking van het cassatiemiddel
in confessodat Belgisch recht op de vordering van [verweerster] van toepassing is (zie rov. 6.4 van het bestreden arrest). Dit impliceert dat - afgezien van evidente misslagen - rechtsbeslissingen uit het bestreden arrest over regels van Belgisch recht in cassatie niet op hun juistheid kunnen worden getoetst (art. 79 RO Pro, lid 1 onder b). [16] Het is niet mogelijk het bestreden arrest te casseren op de grond dat het hof een onjuiste uitleg zou hebben gegeven van art. 446ter Gerechtelijk Wetboek. [17]
verplichtzou zijn een dergelijke overeenkomst af te sluiten, althans om zijn cliënt op voorhand te informeren welke tariefgrondslag hij hanteert zodat deze weet waar hij aan toe is. Voorwaarde is steeds wel dat de advocaat, zoals dat zo mooi heet, ‘billijke gematigdheid’ betracht, ongeacht welke tariefgrondslag wordt toegepast.
moetworden gedeclareerd op basis van het uurtarief (en dus niet op basis van een andere grondslag zoals een waardetarief), aldus HRC. In de memorie van grieven onder 23 heeft HRC die stelling gehandhaafd. In reactie op de door HRC gegeven uitleg van de tekst op haar website betoogt [verweerster] dat die tekst aldus moet worden begrepen, dat het mogelijk is om prijsafspraken te maken, en dat dan geopteerd kan worden voor het uurtarief of voor resultaatsbepaalde erelonen, maar dat dit hier niet relevant is omdat in dit geval partijen een dergelijke afspraak niet hebben gemaakt. [19] Het hof heeft die uitleg van [verweerster] gevolgd en mocht m.i. die uitleg ook aanvaarden. Dat oordeel is geenszins onbegrijpelijk.
onmiskenbaar en nadien onbestreden” naar Nederlands procesrecht als deskundige in de zin van art. 194 lid 1 Rv Pro aan de rechtbank een deskundigenbericht heeft uitgebracht. Het hof zou dit hebben miskend. Dat zou reden moeten zijn om de kritiek van HRC op het rapport integraal te bespreken teneinde na te gaan of er aanleiding bestond van de conclusies van het rapport af te wijken.
benoemd; de rechtbank heeft bij wege van incidenteel vonnis de Raad van de Orde “
verzocht” zijn bevindingen met betrekking tot het gefactureerde ereloon aan de rechtbank te doen toekomen. Verder blijkt uit de gedingstukken dat
partijenzich tot de Raad van de Orde gewend. Deze heeft zijn taxatierapport ook aan
partijenuitgebracht, en niet aan de rechtbank. Het was vervolgens [verweerster] die (bij akte van 13 mei 2015) het rapport in het geding heeft gebracht, waarna de rechtbank dit rapport bij haar eindvonnis in haar overwegingen heeft betrokken. De rechtbank heeft geen beslissing omtrent de kosten gegeven. Ook dat wijst erop dat het niet om een deskundigenrapport gaat. [23] Het rapport van de Raad van de Orde heeft geen andere status dan van een bewijsmiddel als bedoeld in art. 152 Rv Pro, waar rechtbank en hof in het kader van het beantwoorden van de vraag of het ereloon met ‘billijke gematigdheid’ is begroot, betekenis aan mochten toekennen.
welke concrete stellingen zijin dit verband heeft aangevoerd, waar het hof vervolgens niet op zou hebben gerespondeerd. Ten tweede: het bestreden oordeel van het hof is een
rechtsoordeelover wat naar Belgisch recht de ruimte voor de rechter is om het ereloon te toetsen. Gelet op art. 79 lid 1 sub b RO Pro mag die rechtsopvatting in cassatie niet op haar juistheid onderzocht worden (zie hiervoor onder 2.2).
subonderdeel 2heeft het hof miskend dat een marginale toetsing er niet aan in de weg staat een oordeel te geven over het betoog van HRC dat [verweerster] met de vermelding op de website ten aanzien van de te kiezen declaratiegrondslag een zelfbeperking op zich heeft genomen, dan wel het bewijsaanbod daaromtrent te honoreren.