Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
De conclusies van dr. Gilhuis en de door hem geschreven brieven (zie hiervoor in 3.1 onder (vii) en (viii)) houden geen verklaring in van een arts die erflater omstreeks het moment waarop het testament is opgemaakt, wat betreft zijn geestelijke vermogens heeft onderzocht. Uit de hiervoor in 3.1 onder (ix) bedoelde verklaring volgt dat de bij het opmaken van het testament betrokken notarissen geen reden hebben gehad om aan de geestvermogens van erflater te twijfelen. De dochters hebben hun stelling dat [betrokkene 1] ten tijde van het opmaken van zijn testament op 23 mei 2008 niet over zijn geestvermogens beschikte, dus onvoldoende onderbouwd, zodat het door hen gedane bewijsaanbod wordt gepasseerd (rov. 4.1-4.5).
De incidentele grieven slagen niet. (rov. 20-24)
De dochters hebben voorts de voormelde verklaringen van de arts Gilhuis, en het ziekenhuisverslag in het geding gebracht.
4.Beslissing
9 september 2016.