Conclusie
Artikel 2
subsidiair, indien wordt geoordeeld dat sprake is van een recht- en regelmatig ontslag op staande voet:
primair en subsidiair:
Grieven 5, 7, 8 en 9
‘al die aspecten van de zaak aan de orde te stellen die nog van belang zijn ten behoeve van de door het hof noodzakelijk geachte informatieverzameling (…)’. Dat heeft niet plaatsgevonden.
Voortgezette behandeling
“uit te leggen en gestructureerd toe te lichten op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat [de werknemer] niet het voornemen had de opbrengst van de transacties ten behoeve van [de werkgever] , die hij op naam van zijn eigen B.V. had gedeclareerd aan [de werkgever] ten goede te laten komen, al dan niet door middel van verrekenings(verklaring)”
“toelichten waarom wie ter zake van welke stelling de bewijslast heeft te dragen en wie ter zake van welke stelling op voorhand in zijn of haar bewijslast geslaagd moet worden geacht.”
“(…) op gestructureerde wijze op de brief/akte d.d. 6 november 2017 van de advocaat van [de werknemer] te reageren”.
“Ik wil een uitwerking van het verweer dat het beroep op verrekening geen hout snijdt aan het hof presenteren”. Een dergelijke toelichting, die in feite neerkomt op het geven van een uiteenzetting over de bewijswaardering, viel echter buiten het beperkte doel van de zitting, te weten, voor zover hier van belang, het verkrijgen van inlichtingen over bewijslevering en bewijslast.
Ontslag op staande voet
2.Bespreking van het cassatiemiddel
punt adat deze beslissing onjuist is, althans onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Deze klacht wordt nader toegelicht in de hierna, samengevat weergegeven, punten 1.1 t/m 1.49.
punt bdat het hof de bij het cassatierekest als producties 1 en 2 gevoegde brieven van 10 oktober 2017 en 12 oktober 2017, hiervoor weergegeven in 1.14 en 1.15, niet als processtuk heeft genoemd en dat het aldus het procesverloop in hoger beroep onvolledig en daardoor op een met art. 230 lid 1 onder Pro b in verbinding met art. 353 lid 1 Rv Pro strijdige wijze heeft weergegeven, althans dat het hof heeft nagelaten de inhoud ervan in de overwegingen te betrekken. Deze klacht faalt. De stelling dat het hof de stukken niet als processtuk noemt, is op zich juist. [7] Dit leidt evenwel niet tot de slotsom dat het door het onderdeel bestreden oordeel daarmee ook onjuist of onbegrijpelijk is. Zoals hierna bij de bespreking van de klacht in
punt azal blijken, kon het hof het verzoek van mr. Van der Wal om een tweede mondelinge behandeling ten overstaan van de meervoudige kamer afwijzen op de gegeven gronden.
punt adat de afwijzing van het verzoek om een nadere mondeling behandeling onjuist is, wijst het onderdeel in de
punten 1.3 en 1.4op twee uitspraken van Uw Raad van 22 december 2017 [8] en een uitspraak van 30 maart 2018 [9] . In de uitspraken van 22 december 2017 is als volgt geoordeeld over het meervoudig en enkelvoudig behandelen en beslissen in hoger beroep:
Meervoudig en enkelvoudig behandelen en beslissen in hoger beroep
punt 1.5dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat tegen de achtergrond van de eerdere mondelinge behandeling geen rechtsregel zich verzette tegen nadere behandeling van de zaak door de raadsheer-commissaris. Ter toelichting stelt het onderdeel in
punt 1.6dat dit oordeel in strijd is met de in de hiervoor geciteerde uitspraken van 22 december 2017 weergegeven hoofdregel (rov. 3.5.1) dat, indien een zaak meervoudig wordt beslist, een aan de beslissing voorafgaande mondelinge behandeling die mede tot doel heeft dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten, in beginsel dient plaats te vinden ten overstaan van de drie rechters of raadsheren die de beslissing zullen nemen. Het onderdeel klaagt in
punt 1.7dat het bestreden oordeel voorts in strijd is met de op genoemde hoofdregel mogelijk geachte uitzondering dat, indien in een meervoudig te beslissen zaak in eerste aanleg of in hoger beroep wordt bepaald dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden ten overstaan van een rechter-commissaris of raadsheer-commissaris en die mondelinge behandeling mede tot doel heeft partijen de gelegenheid te geven hun stellingen toe te lichten, uiterlijk bij de oproeping van partijen voor de mondelinge behandeling aan hen zal moeten worden meegedeeld dat is bepaald dat de mondelinge behandeling enkelvoudig zal worden gehouden en dat aan partijen gelegenheid moet worden gegeven om te verzoeken dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen (rov. 3.6.3 van de uitspraken van 22 december 2017). Het onderdeel stelt in
punt 1.8dat het hof partijen niet de gelegenheid heeft gegeven een dergelijk verzoek te doen. Het onderdeel klaagt in
punt 1.11dat de afwijzing door het hof van het verzoek om een nadere mondelinge behandeling ten overstaan van de meervoudige kamer onjuist is, omdat het hof het verzoek niet direct heeft ingewilligd. [10] Althans is de afwijzing volgens
punt 1.12onjuist omdat het hof niet heeft onderzocht of zwaarwegende gronden bestaan op grond waarvan het verzoek om een nadere mondelinge behandeling moet worden afgewezen, althans dat het dergelijke gronden niet in de beschikking heeft genoemd (
punt 1.13).
nietvan toepassing is indien een zaak meervoudig wordt beslist en een mondelinge behandeling niet mede tot doel heeft dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten. In dat geval belet de regel van het genoemde arrest van 31 oktober 2014
nietdat de mondelinge behandeling plaatsvindt ten overstaan van een rechter-commissaris respectievelijk raadsheer-commissaris, in plaats van ten overstaan van de drie rechters of raadsheren door wie de beslissing zal worden genomen. Uw Raad heeft verder overwogen dat hetgeen is overwogen in de rov. 3.6.1 t/m 3.6.5 (afwijkingen van de hoofdregel) dan
nietvan toepassing is.
door het hof noodzakelijk geachte(cursivering mijnerzijds, A-G) informatieverzameling en mogelijke minnelijke afdoening van de zaak”. Het hof voegt daaraan toe dat “partijen en hun raadslieden in die fase alle gelegenheid krijgen naar voren te brengen wat (nader) naar voren gebracht moet worden”. Uit de inhoud van de brief, bezien in nauwe samenhang met de inhoud van de rov. 5.26 t/m 5.29 van de tussenbeschikking van 5 september 2017 en het dictum van die beschikking, kan mijns inziens genoegzaam de conclusie worden getrokken dat het
nietde bedoeling was dat partijen en hun raadslieden tijdens de voortgezette behandeling nader zouden ingaan op reeds eerder ingenomen stellingen dan wel nieuwe stellingen konden aanvoeren (behoudens de door het hof verzochte visie van partijen omtrent de persoonlijke omstandigheden van [de werknemer] , de gevolgen van het ontslag daaronder begrepen), doch dat het zwaartepunt van de bijeenkomst zou zijn (i) het verstrekken van door het hof verlangde inlichtingen, met het oog op de (eventuele) bewijslevering) [13] , en (ii) het aftasten van de mogelijkheden om tot een schikking te komen. In het kader van die punten konden partijen naar voren brengen wat zij wensten. Dat betekent evenwel nog niet dat het partijen werd toegestaan omtrent andere punten (nadere) stellingen in te nemen. Nu de voortgezette behandeling niet mede tot doel had partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen toe te lichten, was de hiervoor vermelde hoofdregel niet van toepassing. Niets belette het hof derhalve om de voortgezette mondelinge behandeling plaats te laten vinden ten overstaan van een raadsheer-commissaris in plaats van ten overstaan van de drie raadsheren door wie de beslissing zou worden gegeven.
punten 1.14 t/m 1.49van het cassatierekest wordt geklaagd dat de door het hof gegeven motivering onjuist, onbegrijpelijk althans onvoldoende is. De klachten zijn voorgesteld indien moet worden aangenomen dat het hof heeft onderzocht of voor de afwijzing van het verzoek om een nieuwe mondelinge behandeling zwaarwegende gronden bestaan. Het onderdeel stelt in
punt 1.15dat de gebrekkigheid van de motivering temeer blijkt nu het hof de brieven die als productie bij het cassatieverzoekschrift zijn genoemd, niet als processtukken heeft genoemd of de inhoud ervan in de beschikking heeft besproken. Het onderdeel voert
in de punten 1.16 t/m 1.19in de kern aan dat [de werkgever] er in het licht van de inhoud van de hiervoor weergegeven correspondentie voorafgaand aan de voortgezette behandeling gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij tijdens die behandeling “alles wat zij van belang achtte, ter sprake kon brengen”, en dat het hof op die stelling diende in te gaan. Geklaagd wordt dat het hof dit heeft miskend.
punten 1.21 t/m 1.36tegen het oordeel in rov. 2.7 dat het geven van de door mr. Van der Wal in zijn brief van 1 december 2017 omschreven toelichting, weergegeven in rov. 2.6 onder a, in feite neerkomt op het geven van een uiteenzetting over de bewijswaardering en dat die buiten het beperkte doel van de voortgezette behandeling viel, te weten (voor zover hier van belang) het verkrijgen van inlichtingen over bewijslevering en bewijslast. In
punt 1.22wordt geklaagd dat dit argument niet opgaat omdat het hof “de reikwijdte van de voortzetting van de mondelinge behandeling onjuist heeft benoemd”. Ter toelichting wordt het volgende aangevoerd:
punten 1.24 en 1.25);
punten 1.26 en 1.27);
punt 1.28);
(punt 1.30);
punt 1.31);
punt 1.32);
punt 1.34);
punt 1.35) [14] .
voortzetten. Daar was de voortgezette behandeling evenwel blijkens het voorgaande niet voor bedoeld. Het hof was niet verplicht om het verzoek toe te wijzen.
punten 1.37 t/m 1.49van het onderdeel keren zich tegen rov. 2.8. Daarin gaat het hof in op twee door mr. Van der Wal in zijn brief van 1 december 2017 genoemde redenen voor zijn verzoek om een nadere mondelinge behandeling. Die redenen, door het hof weergeven in rov. 2.6 onder b en c, zijn “toelichten waarom wie ter zake van welke stelling de bewijslast heeft te dragen en wie ter zake van welke stelling op voorhand in zijn of haar bewijslast geslaagd moet worden geacht” en “op gestructureerde wijze op de brief/akte d.d. 6 november 2017 van de advocaat van [de werknemer] te reageren”. Het hof heeft overwogen dat in die redenen geen grond is gelegen een nadere behandeling te bepalen, omdat het zich met betrekking tot de bewijslast voldoende geïnformeerd acht en eventuele in de brief van de advocaat van [de werknemer] van 6 november 2017 vervatte feitelijkheden die voor de beoordeling van belang zijn, niet bij gebrek aan tegenspraak als vaststaand zullen worden aangemerkt, zodat [de werkgever] niet in zijn processuele belangen wordt geschaad. Het onderdeel klaagt in
punt 1.38dat de door het hof genoemde afwijzingsgronden niet opgaan, zodat ook deze niet als zwaarwegende grond kunnen worden aangemerkt. Het onderdeel werkt dit vervolgens uit.
punt 1.39dat het hof met zijn oordeel het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, nu het zonder de argumenten van [de werkgever] te kennen “niet met recht kon menen zich voldoende geïnformeerd te achten”. Bovendien heeft het hof volgens de klacht de brief van mr. Broekman van 6 november 2017 toegelaten, “waardoor in elk geval de mogelijkheid is ontstaan dat het hof zich door de stellingen van [de werknemer] aldaar heeft laten inspireren”. Voorts wordt geklaagd dat het hof het [de werkgever] ten onrechte heeft belet zich over de namens [de werknemer] op 6 november 2017 overgelegde producties uit te laten, en dat het hof over (de status van) die producties niets heeft overwogen. In
punt 1.40stelt het onderdeel “dat ditzelfde geldt voor de gedachte dat een of meer van de van de zijde van [de werknemer] gestelde feitelijkheden voor de zaak van belang zijn of kunnen zijn, of dat enige relevantie dwingt respectievelijk zich beperkt tot het aannemen van de (rechts)gevolgen die [de werknemer] aan die feitelijkheden heeft verbonden”. Volgens het onderdeel had het hof ook [de werkgever] de gelegenheid moeten bieden voor het geven van een reactie.
niet(i) dat hij pleitaantekeningen had, (ii) dat hij die had willen voorlezen en (iii) dat het hof dat niet heeft toegestaan. Het hof overweegt aan het begin van rov. 2.8 dat het in rov. 2.6 onder b en c gestelde ter zitting van 21 november 2017
nietnaar voren is gebracht. Hieruit leid ik af dat een verzoek om op de door mr. Broekman op 6 november 2017 ingediende stukken te mogen reageren van de zijde van [de werkgever] niet is gedaan. Van het tegendeel blijkt niets uit het proces-verbaal van de voortgezette behandeling. In het licht van het voorgaande kan naar mijn mening niet worden gezegd dat het beginsel van hoor en wederhoor niet in acht is genomen.
punt 1.42dat de toezegging van het hof dat de in de brief van mr. Broekman van 6 november 2017 vervatte feitelijkheden niet bij gebrek aan tegenspraak als vaststaand zullen worden aangemerkt, niet een rechtvaardiging kan zijn voor de beperking van het recht op wederhoor. Volgens het onderdeel had [de werkgever] er recht op om op die stellingen te reageren, zowel om te trachten die stellingen te ontkrachten als om die stellingen ten eigen gunste uit te leggen, en heeft het hof dit belet (
punt 1.46). Het onderdeel stelt in
punt 1.47dat het hof door de bestreden overweging de mogelijkheid van beïnvloeding door die brief open heeft gelaten, zonder [de werkgever] de mogelijkheid van een tegengeluid te bieden, en betoogt dat dat risico nog groter is met betrekking tot de producties die [de werknemer] ten behoeve van de nadere mondelinge behandeling heeft ingezonden. Door daarover niets te overwegen, heeft het hof volgens het onderdeel tenminste de schijn gewekt zich vrij te achten deze producties zonder commentaar van [de werkgever] in zijn beschouwingen te betrekken. Het onderdeel klaagt verder dat [de werkgever] er uit hoofde van het beginsel van
equality of armsrecht op had om zich “even vaak en uitgebreid” als [de werknemer] uit te laten, dat het hof dit heeft belet en dat het zodoende ten onrechte heeft overwogen dat [de werkgever] niet in haar processuele belangen wordt geschaad (
punten 1.48 en 1.49).
nietdat het hof [de werkgever] en haar raadsman heeft belet om te reageren op de brief van 6 november 2017. Uit de passages in het proces-verbaal dat mr. Van der Wal “een ander soort zitting had verwacht” en hij “meer vragen had verwacht” kan niet de conclusie worden getrokken dat hem het spreken is belet. Het bestreden oordeel aan het slot van rov. 2.8 kan naar mijn mening worden aangemerkt als ten overvloede gegeven (“voorts”).
Producties
punten 2.1 en 2.2allereerst dat het hof in de tussenbeschikking van 5 september 2017 (blz. 13) geen consequentie, laat staan een rechtsgevolg, heeft verbonden aan het niet naleven van de gestelde termijn voor het indienen van stukken ten behoeve van de voortgezette behandeling. Het onderdeel stelt in de punten
2.3 en 2.4dat uit het proces-verbaal van de voortgezette behandeling van 21 november 2017 blijkt dat het hof partijen niet heeft voorgehouden dat uitsluiting van de op 10 en 15 november 2017 toegezonden producties mogelijk was. Gelet daarop kon het hof volgens de klacht in
punt 2.5[de werkgever] niet eerst in de eindbeschikking confronteren met uitsluiting van de onderhavige producties, op de grond dat deze niet binnen de door het hof gestelde termijn waren overgelegd. In
punt 1.6wordt daaraan toegevoegd dat dit temeer klemt, omdat:
Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven, versie januari 2017 (het Procesreglement) genoemde termijn;
punten 2.7 t/m 2.10dat het hof niet kon bepalen dat de betreffende stukken buiten beschouwing blijven, omdat het een in hoger beroep (de laatste feitelijke instantie) toe te passen termijn betreft die moet worden uitgelegd dan wel toegepast met inachtneming van de eisen van een goede procesorde. Geklaagd wordt dat het hof ten onrechte niet (kenbaar) heeft overwogen wat de eisen van een goede procesorde betekenen voor de toepassing van de litigieuze termijn en dat het evenmin (kenbaar) heeft onderzocht of de stukken van 10 en 15 november 2017 kort en eenvoudig te doorgronden zijn, zonodig na toelichting ter zitting door de partij die ze heeft overgelegd. Het onderdeel stelt in de
punten 2.10 en 2.11dat de stukken van 10 november en 15 november 2017 op de elfde dag respectievelijk zesde werkdag voorafgaand aan de voortgezette behandeling zijn ingediend en dat het hof in het licht van de in het Procesreglement gestelde termijn van “uiterlijk op de zevende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling” had moeten motiveren waarom de stukken in kwestie buiten beschouwing dienen te blijven. Dit geldt volgens het onderdeel in elk geval voor de op 15 november 2017 overgelegde stukken, nu de stukken van 10 november 2017 in elk geval binnen de in het Procesreglement genoemde termijn zijn overgelegd. Daar komt volgens
punt 2.12dat mr. Van der Wal heeft gesteld dat mr. Broekman door overlegging van de producties niet is geschaad in het procesbelang, dat deze stelling niet is weersproken, dat mr. Broekman weliswaar bezwaar heeft gemaakt tegen overlegging van de stukken maar dat dit bezwaar niet is onderbouwd.
punten 3.1 t/m 3.4de overwegingen van het hof geparafraseerd weer. In
punt 3.5klaagt het onderdeel dat hetgeen het hof in de rechtsoverwegingen 2.16 t/m 2.19 heeft overwogen de conclusie in rov. 2.20 dat de ontslagreden - het ten eigen bate doen van zaken - niet is komen vast te staan, niet kan dragen, omdat (i) het hof niet alle relevante stellingen in zijn oordeel heeft meegenomen, (ii) het hof de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend, en (iii) de gedachtegang van het hof innerlijk tegenstrijdig of onvoldoende uitgewerkt is. Deze klachten werkt het onderdeel vervolgens uit.
punt 3.7klaagt het onderdeel dat het hof ten onrechte “geen nadere uiteenzetting van de zijde van [de werkgever] heeft toegelaten”, door het verzoek om een nadere mondelinge behandeling ten overstaan van een meervoudige kamer af te wijzen. Deze klacht faalt op de gronden zoals hiervoor uiteengezet bij de bespreking van onderdeel 1. Verder wordt geklaagd dat het hof [de werkgever] ten onrechte niet tot bewijslevering heeft toegelaten. Deze klacht wordt later in het onderdeel nader toegelicht.
in punt 3.9onder a t/m j een aantal stellingen weer die [de werkgever] in de feitelijk instanties heeft ingenomen. Geklaagd wordt dat het hof die stellingen ten onrechte niet in de beoordeling heeft betrokken. Het gaat, samengevat, om het volgende:
punt 3.10dat deze stellingen relevant zijn, nu zij betrekking hebben op de kern van het debat, te weten de vraag of [de werknemer] de intentie had bedragen al dan niet voor zichzelf te houden.
duidingvan dit feitencomplex.
nietalleen plaats diende te vinden voor de reiskosten, waarvoor volgens het onderdeel een aanbod is gedaan om die te vergoeden, maar ook voor (i) de opbrengst van goederen die ingevolge partijafspraak aan [de werknemer] toekwamen, (ii) de overeengekomen bonus en (iii) door [de werknemer] in het bedrijf achtergelaten goederen die enerzijds niet in de overnamesom betrokken waren, maar anderzijds wel feitelijk in de bedrijfsvoering van [de werkgever] werden gebruikt. Dit duidt erop dat het ook gaat om de intentie van [de werknemer] om wellicht
in de toekomtover te gaan tot verrekening, indien hij dat bij één of meer van de genoemde mogelijke verrekeningsposten nodig mocht achten.
3.12 t/m 3.16dat het hof de devolutieve werking van het hoger beroep heeft miskend. Het onderdeel stelt in dat verband dat het hof als gevolg van het slagen van de grieven 5, 7 en 8 in had moeten gaan op de stellingen van [de werkgever] in het verweerschrift in eerste aanleg (blz. 3 en 4) (i) dat de omzet achter bleef, dat [de werknemer] zei dat hij moest wennen en dat [de werkgever] daarop even gas terug nam, (ii) dat [de werknemer] nadien heeft verklaard dat het weer tegenviel, (iii) dat [de werknemer] geen passende verklaring heeft gegeven voor de tegenvallende omzet, (iv) dat [de werknemer] geen passende verklaring kon geven tijdens de confrontatie en dat daarop derhalve het gegeven ontslag op staande voet volgde, en (v) dat een groot deel van de verdwenen boekhouding terecht was en dat [de werknemer] geen verklaring heeft willen geven, hoewel hij wist waar de weegbonnen waren.
punten 3.17 t/m 3.28dat de bestreden overwegingen innerlijk tegenstrijdig dan wel onvoldoende uitgewerkt zijn. Ter toelichting stelt het onderdeel in
punt 3.18dat het niet onmiddellijk doorbetalen van ontvangen bedragen dan wel het niet onmiddellijk in kennis stellen van [de werkgever] inhoudt dat [de werknemer] zichzelf heeft bevoordeeld, dat hij de intentie had om de gerealiseerde opbrengsten in eigen zak te steken, dat hij een financieel voordeel wilde behalen en dat hij ten eigen bate zaken heeft gedaan. Het onderdeel stelt in
punt 3.19dat de overweging in rov. 2.18 dat [de werknemer] [de werkgever] financieel bezien niet heeft willen benadelen, niet in stand kan blijven tegen de achtergrond van de niet weersproken stelling van [de werkgever] dat daadwerkelijke verrekening is uitgebleven en de stelling dat [de werknemer] voor wat betreft de reiskosten wist of kon weten dat hij niet mocht verrekenen, omdat [de werkgever] hem gelegenheid had geboden zijn reiskosten te declareren. Het onderdeel klaagt in
punt 3.20dat sprake is van een innerlijke tegenstrijdigheid in de redenering van het hof, doordat het niet heeft meegewogen dat het heeft geoordeeld dat grief 8, die zich keerde tegen het oordeel van de kantonrechter in rov. 2.20 van de eindbeschikking dat het stilzwijgen van [de werknemer] tijdens het gesprek van 9 mei 2016 diens geloofwaardigheid niet ten goede komt, faalt. In
punt 3.24wordt betoogd dat het hof deze overweging “had moeten volgen” en in
punt 3.25wordt de conclusie getrokken dat het hof niet (zonder meer) tot het in rov. 2.18 bestreden oordeel kon komen. Het onderdeel klaagt in
punt 3.26dat de bestreden beschikking in elk geval op het punt van het stilzwijgen van [de werknemer] innerlijk tegenstrijdig is, doordat de vaststelling in rov. 5.23 van de tussenbeschikking van 5 september 2017 dat [de werknemer] in het gesprek van 9 mei 2016 meerdere keren heeft gezegd dat van “achterhouden” geen sprake is en dat hij zeer goed heeft begrepen wat hem werd verweten, namelijk dat hij zonder toestemming en wetenschap transacties heeft gedaan die [de werkgever] ten goede zouden moeten komen, zich niet (zonder meer) verhoudt met het feit dat [de werknemer] desondanks niet heeft uitgelegd waarom hij via zijn eigen vennootschap heeft gefactureerd en toen geen beroep heeft gedaan op verrekening. In
punt 3.27wordt geklaagd dat het oordeel in rov. 2.16 dat het standpunt van [de werknemer] dat de ordner niet aan het bewijs mocht bijdragen niet per se op het hoe dan ook verborgen willen houden van de gang van zaken wijst, onbegrijpelijk is en dat dit oordeel voorts in strijd is met het eerdere oordeel in rov. 2.15 dat [de werknemer] ontvangen bedragen onmiddellijk had moeten doorbetalen dan wel [de werkgever] hiervan op z’n minst in kennis had moeten stellen. Het onderdeel keert zich in
punt 3.28tegen het oordeel in rov. 2.28 dat [de werkgever] als goed werkgever opnieuw met [de werknemer] om de tafel had moeten gaan zitten om de gehele bedrijfsvoering door te nemen. Betoogd wordt dat uit geen van de overwegingen van het hof blijkt dat [de werknemer] in dat geval wel open kaart zou hebben gespeeld. Het onderdeel klaagt daarnaast dat het oordeel innerlijk tegenstrijdig is met het oordeel in rov. 5.14 van de tussenbeschikking dat er een gerechtvaardigd belang was om onderzoek te doen naar de feiten met betrekking tot de transacties in [vestigingsplaats].
punt 4.1) en dat het hof op dit punt bewijslevering door partijen mogelijk heeft geacht (
punt 4.2). [16] Gelet hierop kon het hof volgens het onderdeel niet (zonder meer) tot de bestreden oordelen komen. In
punt 4.5stelt het onderdeel dat [de werkgever] bewijs heeft aangeboden van: [17]
niet-ontvangenvan de beweerde brief van 21 oktober 2015;
punt 4.6), dat onmiskenbaar (verder) afbreuk doet aan zijn geloofwaardigheid en dat dit ook geldt voor de stelling dat [de werknemer] zijn reiskosten heeft kunnen declareren en dat niet heeft gedaan. Bovendien moet volgens het onderdeel het gezamenlijke effect van het bewijs ten aanzien van de te bewijzen stellingen worden bezien, met name ook tegen de achtergrond van het feit dat de overweging van de kantonrechter omtrent de uit het stilzwijgen van [de werknemer] volgende ongeloofwaardigheid, vast is komen te staan (
punten 4.6 t/m 4.8).
vervalst. Met betrekking het onder (ii) genoemde bewijsaanbod geldt dat het hof in rov. 2.15 de achtergrond van het door [de werknemer] op eigen (bedrijfs)naam factureren in het midden heeft gelaten en dat het in rov. 2.18 heeft overwogen dat “ [de werknemer] afvalstroomnummers bleef gebruiken die eigenlijk niet meer gebruikt mochten worden maar waarvan hij dacht dat het niet anders kon.” Daarmee kwam het belang aan het honoreren van het bewijsaanbod te ontvallen. Ook kon het in 2.44 onder (iii) weergegeven bewijsaanbod worden gepasseerd als niet ter zake dienend. Ook indien moet worden aangenomen dat [de werknemer] wist dat hij de door hem gemaakte reiskosten bij [de werkgever] kon declareren, dan kan het nog zo zijn dat hij het voornemen had om te zijner tijd (eventueel) samen met de andere posten, die niet worden bestreden, in één keer te verrekenen.
punten 5.1 en 5.2dat, nu partijen geen grief hebben gericht tegen het oordeel van de kantonrechter in rov. 2.21 van het eindvonnis dat “de andere ontslaggrond buiten beschouwing kan blijven, gegeven de door de kantonrechter vastgestelde schuld van [de werknemer] aan wat in de volksmond diefstal en/of verduistering heet”, het hof deze ontslaggrond had moeten beoordelen. Het onderdeel klaagt vervolgens in
punt 5.3dat de bestreden overweging ook feitelijk onjuist is, nu sprake is van aanvullende, aan het ontslag ten grondslag liggende en in de procedure door [de werkgever] gestelde feiten, te weten “strijd met het non-concurrentiebeding”. Het onderdeel klaagt tot slot in
punt 5.4dat de overweging strijdig is met hetgeen het hof in rov. 2.44 heeft overwogen, namelijk dat aan de kwestie van het non-concurrentiebeding in de procedure nauwelijks aandacht is besteed. Volgens het onderdeel betekent dit dat het hof “van de actualiteit in het hoger beroep van die kwestie is uitgegaan” en dat “dat uitgangspunt zich niet verdraagt met de gedachte dat die kwestie, bij gebreke van betwisting door partijen van de hiervoor weergegeven kern of van aanvullende, door [de werkgever] gestelde feiten, niet langer actueel zou zijn.”
volledigheeft betaald. Zo staat in het petitum onder 1.(2.) van het inleidend verzoekschrift dat [de werkgever] veroordeeld moet worden tot betaling van achterstallig en opeisbaar loon “over de periode 9 mei t/m de datum van uw beschikking”. Uit de overige processtukken uit de feitelijke instanties kan eerder worden afgeleid dat de maand mei
nietis betaald. Zo blijkt uit de berekening in punt 27 van het inleidend verzoek dat [de werknemer] zich op het standpunt heeft gesteld dat het salaris
tot(en derhalve niet: tot en met) de maand mei 2016 is betaald. Er staat namelijk “minus het genoten salaris gedurende de periode juli 2015 - mei 2016 (
10x (4882,53 x 1,08) = 5208,33 (…)”. De periode juli 2015 tot en met april 2016 betreft genoemde 10 maanden. Mei 2016 valt daar derhalve in de optiek van [de werknemer] buiten.