Conclusie
eerste middelklaagt over het oordeel van het hof dat de inleidende dagvaarding op basis waarvan de onderhavige zaak is berecht, geen inhaaldagvaarding betreft en de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging is. Dit oordeel is volgens de steller van het middel onjuist, dan wel onvoldoende met redenen omkleed.
tweede middelklaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging wegens schending van het vertrouwen dat was gewekt door de toezegging dat de verdachte, op voorwaarde van betaling van een bedrag van € 30.000 niet verder zou worden vervolgd ter zake van de feiten waarvoor hij zich in de onderhavige zaak moet verantwoorden. Het middel wordt in twee deelklachten uitgewerkt. De eerste deelklacht richt zich tegen de opvatting van het hof “dat alleen niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie zal kunnen volgen als sprake is van opgewekt vertrouwen op grond van een transactie als bedoeld in art. 74 Sr Pro”. De tweede deelklacht richt zich tegen de afwijzing, door het hof, van het verzoek om mr. Kors op te roepen, die de verdachte als raadsvrouw heeft bijgestaan bij het aangaan van de transactie.
allesvoortkomend uit dat onderzoek, inclusief de eventuele uitkomst van een onderzoek naar de financiële positie van verdachte. Dit zou overduidelijk blijken uit de correspondentie tussen zijn toenmalige raadsvrouw mr. M.M. Kors en de officier van justitie mr. A.R.E. Schram.
NJ1981/635) van toepassing; er dient dus niet uitsluitend taalkundig naar een tekst gekeken te worden, maar ook naar de betekenis die partijen aan de tekst gaven en wat zij over en weer van elkaar mochten verwachten. Kors zou zich ten onrechte op haar verschoningsrecht hebben beroepen. Verdachte heeft haar ontslagen van haar geheimhoudingsplicht. Het is voor de uitleg van de overeenkomst van essentieel belang dat zij wordt gehoord. Zij kan bevestigen dat er concrete afspraken zijn gemaakt met de officier van justitie, die ertoe hebben geleid dat er bij verdachte een gerechtvaardigd, te honoreren vertrouwen is gewekt dat er geen vervolging meer zou plaatsvinden. Het openbaar ministerie dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging van verdachte.
(artikel 416/417 van het Wetboek van Strafrecht) Zaak 1 Deelonderzoek contante borg”.
derde middelklaagt over de uitleg die het hof heeft gegeven aan het onder 1 ten laste gelegde en door het hof bewezen verklaarde “valselijk opmaken”. Door die uitleg zou het hof de grondslag van de tenlastelegging hebben verlaten en de bewezenverklaring onvoldoende met redenen hebben omkleed, in het bijzonder omdat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt.
vierde middelklaagt over de bewijsvoering van het onder 4 door het hof bewezen verklaarde feit en een in verband daarmee uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. De eerste deelklacht houdt in dat de bewijsvoering niet redengevend is bij gebrek aan bewijs van de valsheid van de facturen. De tweede deelklacht houdt in dat het hof niet de bijzondere redenen heeft gegeven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het opzet op het onjuist doen van de aangiften ontbreekt.
In de door het hof uiteengezette context acht ik de in cassatie bestreden onderdelen niet onbegrijpelijk en evenmin de bewijsvoering die betrekking heeft het onder 1 door het hof bewezen verklaarde feit.
vijfde middelklaagt over het oordeel van het hof dat de redelijke termijn niet is overschreden.
zesde middelklaagt over de (motivering van de) strafoplegging, waarbij het hof mede bepalend heeft geacht dat de verdachte “op geen enkele manier [heeft] meegewerkt aan het onderzoek of inzicht [heeft] willen geven in zijn handelen” en “voordat er sprake was van een strafrechtelijk onderzoek […] heeft […] geweigerd relevante gegevens aan de Belastingdienst over te leggen” en op terechtzittingen niet is verschenen “om te verklaren omtrent hetgeen hem is verweten”. Als eerste deelklacht wordt aangevoerd dat het hof zonder in het bijzonder de redenen daarvoor op te geven, is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat bij de straftoemeting rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat de verdachte niet kan worden verweten aan het fiscale onderzoek geen medewerking te hebben verleend. Als tweede deelklacht wordt aangevoerd dat een dergelijke medewerkingsplicht in strijd is met het EVRM.
zevende middelklaagt over de strafoplegging. De klacht houdt in dat het hof het “benadelingsbedrag heeft bepaald op meer dan € 1.000.000, zonder dat het de daadwerkelijke hoogte van het benadelingsbedrag heeft vastgesteld” en dit bedrag niet kan worden afgeleid uit de stukken van het geding.